18.5.1.1 Kunnen met korte infinitief
Kunnen met korte infinitief is één
van de meest frequente werkwoordconstructies in het Nederlands. De constructie
wordt met uiteenlopende modale en niet-modale betekenissen gebruikt. Meestal
drukt de constructie het vermogen of de mogelijkheid (van het onderwerp of van
meer algemene omstandigheden) uit om de handeling in de zin uit te voeren. We
spreken in dat geval van dynamische modaliteit.
De infinitief in dergelijke zinnen geeft typisch een dynamische activiteit weer,
zoals vliegen,
klimmen of
fietsen in (1a-1c). Het
onderwerp van de infinitief is gewoonlijk een levend wezen dat enige mate van
controle over de handeling heeft.
Naast die dynamisch modale lezing laat
kunnen met korte infinitief ook
in mindere mate andere modale lezingen toe zoals deontische
modaliteit (2a-2b) of epistemische
modaliteit (2c-2d). We gaan in wat volgt nog wat dieper in op de
epistemisch modale lezing van de constructie.
Kunnen met korte infinitief heeft ook
enkele weinig frequente niet-modale betekenissen, die gewoonlijk door
mogen met korte infinitief
uitgedrukt worden (18.5.1.2). Zo kan het directief
gebruikt worden om toestemming uit te drukken, zoals in (3a-3b). In zeldzame
gevallen draagt de constructie ook bij tot het markeren van
concessieve zinnen (3c-3d).
In wat volgt gaan we wat dieper in op de epistemische modaliteit van
kunnen met korte infinitief.
Daarnaast staan we ook even stil bij de groepsvormende status van de
constructie.
Verder lezen
Epistemische modaliteit
Epistemisch kunnen met korte infinitief geeft aan dat
de inhoud van de zin volgens de spreker of schrijver mogelijk of zelfs
waarschijnlijk is. Het epistemische gebruik van de constructie is vaak moeilijk
te onderscheiden van het dynamische gebruik. De epistemische lezing krijgt extra
prominentie door toevoeging van wel
of wel eens, zoals in (4b-4c), of in
het bereik van afzwakkend zou, als
in (4c). 18.5.1.4
De epistemische lezing is de enige mogelijke in de constructie het kan zijn
dat of het zou kunnen zijn
dat, zoals in (5a-5b) en in de verkorte versie in
(5c).
Bovenstaande voorbeelden illustreren dat de epistemische lezing prominent is in zinnen met een
toestandswerkwoord (zoals zijn) en
een onbezield onderwerp (dat,
het).
Epistemisch kunnen komt vooral voor als presensvorm.
Soms komt het ook als imperfectumvorm voor, typisch met het partikel
wel eens (6a-6b).
Groepsvorming
Kunnen met korte infinitief is verplicht groepsvormend. De constructie vormt een werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen (7a-7b) en hoofdzinnen (7c). Zin (7c) illustreert dat de constructie gevoelig is voor het IPP-effect.
Literatuur
Booij 1972, Van den Hof 1976, Sassen 1974-1975, Goossens 1983, Nuyts 2001, Van Ostaeyen & Nuyts 2004, Diepeveen et al. 2006, Nuyts 2007, Boogaart 2009, Foolen & De Hoop 2009
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.4.ii.a,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/02/01/body.html;18.5.4.4.iii.a,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/03/01/body.html |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5I,8.6.3.5II |
