18.2.2 De werkwoordelijke eindgroep
De werkwoorden in een werkwoordgroep kunnen een aaneengesloten reeks aan het einde van de zin
vormen, namelijk in de tweede pool. Zo'n reeks noemen we de
werkwoordelijke eindgroep. Dat groepsvormende gedrag (of kortweg
groepsvorming) is een essentieel kenmerk van de werkwoordgroep. We
kunnen het daarom gebruiken om te bepalen of combinaties van werkwoorden daadwerkelijk een
werkwoordgroep vormen.
In een bijzin vormen alle werkwoorden van de werkwoordgroep een werkwoordelijke eindgroep. In
(1a) hebben we te maken met een tweeledige werkwoordelijke eindgroep, in (1b) een
drieledige eindgroep en in (1c) een vierledige. We markeren de werkwoordelijke eindgroep
in de voorbeeldzinnen door middel van twee verticale strepen.
Dit is namelijk de manier waarop we de polen (eerste of tweede) markeren, zie
hierover 21.1.1.2.
In een hoofdzin vormen alleen de niet-vervoegde werkwoorden van de werkwoordgroep een
werkwoordelijke eindgroep. Dat betekent dat een werkwoordgroep uit minstens drie
werkwoorden moet bestaan om een werkwoordelijke eindgroep te kunnen vormen in de hoofdzin,
zoals bij de drieledige werkwoordgroep in (2a-2b) en de vierledige in (2c).
In de werkwoordelijke eindgroep kunnen twee bijzondere grammaticale verschijnselen zich
voordoen: de vervangende infinitief (infinitivus-pro-participio, IPP) en
te-wegval. Ook deze eigenschappen van de
werkwoordelijke eindgroep kunnen we gebruiken om te bepalen of een combinatie van
werkwoorden een werkwoordgroep vormt of niet.
Verder lezen
De werkwoordelijke eindgroep staat aan het einde van de zin. Het cluster van werkwoorden vormt in
zijn geheel de tweede pool in de zin en dient als vast referentiepunt
voor de plaatsing van zinsdelen en zinsdeelstukken aan het einde van de zin. We verwijzen
naar hoofdstuk 21 voor meer informatie over de relatieve plaatsing van
elementen ten opzichte van de werkwoordelijke eindgroep.
De werkwoordelijke eindgroep is in principe ondoordringbaar. Het cluster van werkwoorden kan met
andere woorden niet onderbroken worden door niet-werkwoordelijke elementen. Dat
clustergedrag kan gezien worden als een indicatie van de hechte relatie tussen de
werkwoorden in de werkwoordgroep. Het principe van ondoordringbaarheid heeft
uitzonderingen. In paragraaf 18.9 gaan we dieper in op de elementen die de werkwoordelijke
eindgroep kunnen doorbreken.
De onderlinge volgorde van de werkwoorden in werkwoordelijke eindgroep is variabel. De plaatsing
van werkwoorden hangt vooral af van de lengte van de werkwoordelijke eindgroep en het
soort groepsvormende werkwoorden in de eindgroep. We gaan in paragraaf 18.8 dieper
in op de volgordevariatie binnen de werkwoordelijke eindgroep.
Literatuur
Klooster 2001: 6.3.1.1
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.1.1,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/01/01/body.html |
| 1 | G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij & M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.1 |
