18.5.2.1 Blijken,
lijken,
schijnen met lange infinitief
De werkwoorden blijken,
lijken en meer zeldzaam
schijnen vormen samen met
een lange infinitief subjectgeoriënteerde werkwoordconstructies die
evidentialiteit uitdrukken.
In de literatuur wordt de constructies doorgaans evidentieel genoemd
maar een aantal auteurs wijzen erop dat ze ook epistemische modaliteit
uitdrukken (De Haan 2007, Koring 2013, Mortelmans 2016). De relatie
tussen evidentialiteit en epistemische modaliteit is een onderwerp van
discussie in de theoretische literatuur waar we hier niet op ingaan.
Met die evidentiële constructies kan een spreker meer bepaald aangeven
op wat voor soort informatie zijn of haar uiting gebaseerd is. Zinnen (1a-1d)
illustreren het gebruik van de constructies met de lange infinitief
te zijn.De betekenis van de drie constructies ligt dicht bij elkaar en is dus moeilijk uit elkaar te
halen. De constructie met blijken is
de enige waarbij de spreker uitdrukt dat de uiting gebaseerd is op feiten en dat
hij of zij dus zekerheid heeft over werkelijkheidsgehalte van de zin. In de
constructies met lijken en
schijnen is de spreker meer
onzeker over het werkelijkheidsgehalte van de zin. De constructie met
schijnenis dan weer de enige
die kan uitdrukken dat de spreker zich baseert op informatie van een ander (1d)
in de plaats van op eigen waarneming (1b) of eigen redenering (1c). In wat volgt
zullen we de betekenissen en het gebruik van de drie constructies verder
uitwerken.
Verder lezen
Betekenis blijken met lange infinitief
Met de constructie blijken met lange infinitief kan
de spreker expliciet maken dat de inhoud van de zin gebaseerd is op feiten. De
spreker is bijgevolg zeker van het werkelijkheidsgehalte van de zin.
Strikt genomen is deze betekenis geen vorm van evidentialiteit. Zie
28.5.2 voor een verdiepende bespreking van de betekenis van
lijken met lange
infinitief.
De constructie wordt vaak gebruikt om aan te geven dat de feiten beschreven in de zin op één
of andere manier onverwacht zijn. Zinnen (3a-3c) drukken uit dat de beschreven
feiten contrasteren met eerdere verwachtingen, zoals expliciet gemaakt door
uiteindelijk en achteraf
(verder zijn ook bij nader inzien,
later,
dan,
toch mogelijk).
Betekenis lijken met lange infinitief
Met behulp van de constructie lijken met lange
infinitief kunnen sprekers aangeven dat de inhoud van de zin gebaseerd is op
eigen waarneming. We spreken in dit geval van directe
evidentie. De geobserveerde feiten zijn echter te onduidelijk
voor de spreker om een zekere uitspraak te wagen over het werkelijkheidsgehalte
van de zin. De spreker drukt met andere woorden eerder een vermoeden of indruk
dan een vaststaand feit uit.
Betekenis schijnen met lange infinitief
Sprekers kunnen met behulp van schijnen met lange
infinitief aangeven dat ze enkel indirecte aanwijzingen hebben voor de inhoud
van de zin. We spreken van indirecte evidentie. Sprekers
kunnen meer bepaald op basis van redeneren tot een bepaalde uitspraak komen,
zoals in (5a-5b), ook wel inferentiële evidentialiteit
genoemd. Dat gebruik is typisch voor geschreven taal.
Daarnaast kan de uitspraak van de spreker ook gebaseerd zijn op informatie van anderen, zoals in
(6a-6b). De spreker rapporteert in dat geval louter wat hij of zij van anderen
vernomen heeft. Dit gebruik staat bekend als
hearsay-evidentialiteit. Dat gebruik komt meer voor in
gesproken taal.
In beide gevallen laat de spreker het werkelijkheidsgehalte van de zin in het midden.
Open plek voor werkwoorden
De evidentiële constructies met blijken,
lijken en
schijnen worden gecombineerd
met vergelijkbare werkwoorden. Tabel 1 toont dat de open plek in alle drie de
constructies vooral gevuld wordt door de lange infinitief
te zijn.
De cijfers
gelden voor tweeledige werkwoordgroepen in de dataset van Coussé &
Bouma (2022). De tokenfrequentie geeft het totale aantal
werkwoordconstructies weer. De typefrequentie staat voor het aantal
verschillende infinitieven in die werkwoordconstructies.
Tabel 1. Meest frequente infinitieven bij
blijken, lijken
en
schijnen.
| Blijken | Lijken | Schijnen | |||
| te zijn | 87 | te zijn | 24 | te zijn | 16 |
| te hebben | 25 | te worden | 6 | … | … |
| te bestaan | 7 | te gaan | 5 | ||
| te beschikken | 3 | te hebben | 5 | ||
| te verminderen | 3 | te komen | 4 | ||
| … | … | toe te nemen | 3 | ||
| te wijzen | 3 | ||||
| … | … | ||||
| Types | 59 | Types | 87 | Types | 19 |
| Tokens | 187 | Tokens | 139 | Tokens | 34 |
We herhalen hier de zinnen (1a-1d) als (7a-7d) waar het gebruik van dit frequente patroon wordt
geïllustreerd.
Weglaatbaarheid van te zijn
Verdieping
Weglaatbaarheid van te zijn
Het infiniete zijn in zinnen (7a-7b) is een
koppelwerkwoord met een naamwoordelijk gezegde. Het voegt weinig
betekenis toe aan de zin. In de literatuur wordt vaak gewezen op de
gelijkenis van dit collocationele patroon met het gebruik van
blijken,
lijken en
schijnen als
koppelwerkwoord. ANS2 18.5.4.5
sectie 4 gaat zo ver door te zeggen dat de
infinitief “vrijwel algemeen” al dan niet gebruikt kan worden. Ondanks
de geringe betekenisinbreng van de lange infinitief
te zijn valt het
koppelwerkwoord in authentiek taalgebruik echter niet zomaar weg te
laten, zoals de aangepaste zinnen (ia-ib) aantonen.
Dit wijst erop dat het werkwoordpatroon met of zonder te
zijn afzonderlijke constructietypes vormen
met hun eigen distributie. Voor corpusonderzoek naar het gebruik van
blijken,
lijken en
schijnen in
verschillende constructietypes verwijzen we naar Vliegen (2011, 2019),
Van Boogaert & Colleman (2013), Mortelmans (2016, 2017) en
referenties daarin.
Daarnaast vinden we in de frequentere constructies met
blijken en
lijken ook relatief frequent
de lange infinitief te hebben, zie
(8a-8b).
Optioneel ondervindend voorwerp
Opvallend is dat lijken in welbepaalde omstandigheden
met een ondervindend voorwerp kan voorkomen. Het gaat meer bepaald om
lijken gecombineerd met een
intransitieve infinitief zoals zijn,
erop wijzen,
te ver gaan,
voor de hand liggen,zoals
geïllustreerd in (9a-9c).
Het ondervindend voorwerp is typisch het persoonlijk voornaamwoord
mij. De spreker kan met het
voornaamwoord expliciteren dat de uiting louter gebaseerd is op de eigen
waarneming, zoals in (9a-9b). Daarnaast kan de constructie
lijkt mij gebruikt worden
om een persoonlijke mening voorzichtig uit te drukken, zoals in (9c-9d).
Op die manier vormt het een onpersoonlijke variant op
ik vind waar het
oordelende subject veel sterker op de voorgrond treedt. Vergelijk het
voorzichtige dat lijkt mij nogal ver
gaan in (9c) met het veel directere
ik vind het nogal ver
gaan.
In dat geval hebben we niet langer met het uitdrukken van
evidentialiteit maar van subjectiviteit
te maken. Beide gebruiken zijn typisch voor de gesproken taal.Groepsvorming
De evidentiële constructies zijn verplicht groepsvormend. Ze vormen een werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen (10a-10c) en in de hoofdzin (10d).
Zinnen als (10c-10d) zijn zeldzaam aangezien evidentiële constructies zelden voorkomen in het
bereik van andere groepsvormende werkwoorden. Die tendens heeft te maken met het
semantische hoge bereik van evidentiële groepsvormende werkwoorden. Zie 18.6 Die
tendens bestaat ook voor hulpwerkwoorden van voltooidheid, zodat de gevoeligheid
van deze constructies voor het IPP-effect moeilijk getest kan worden.
Literatuur
Van Bruggen 1980, Sanders & Spooren 1996, De Haan 2000, 2007, Vliegen 2010, 2011a, 2011b,
Koring 2012, 2013, Van Bogaert & Colleman 2013, Janssens & Nuyts 2014,
Van Bogaert & Leuschner 2015, Mortelmans 2016, 2017, Poortvliet 2018,
Vliegen 2019, Colleman & Van Bogaert 2019
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.5,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/05/body.html; |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.4 |
