18.3.3 Hulpwerkwoorden: een subset van de groepsvormende werkwoorden
We hebben in paragraaf 18.3.2 een aantal kenmerken op een rijtje gezet waarmee werkwoordconstructies te
classificeren zijn in verschillende constructionele families. In deze verdiepende
paragraaf zullen we diezelfde eigenschappen een graduele invulling geven. We zullen meer
specifiek voor werkwoordconstructies met een infinitief een onderscheid maken tussen
typische en minder typische kenmerken. Op die manier kunnen we de groep van
werkwoordconstructies met infinitief intern ordenen in typische en minder typische gevallen.
Meer technisch kunnen we zeggen dat we de groep van werkwoordconstructies met een
infinitief analyseren als een zogenaamde prototypecategorie in de
traditie van Rosch (1973).
Het graduele perspectief in deze paragraaf zal ons toelaten een classificatie van
werkwoordconstructies met infinitief te ontwikkelen die aansluit bij de traditionele
opdeling in hulpwerkwoorden. Groepsvormende werkwoorden die veel
typische kenmerken met elkaar delen komen meer bepaald overeen met de traditionele
hulpwerkwoorden. Daarnaast zijn er ook groepsvormende werkwoorden die minder van die
typische kenmerken vertonen. Op die manier vormen hulpwerkwoorden een deelverzameling van
groepsvormende werkwoorden. De precieze grenzen van die deelverzameling zijn echter
moeilijk te trekken.In wat volgt zullen we eerst een graduele invulling geven van vier kenmerken om vervolgens te
komen tot een classificatie van werkwoordconstructies met infinitief in typische en minder
typische gevallen.
Verder lezen
Groepsvorming
Tabel 1 geeft een graduele invulling van groepsvorming waarbij verplichte groepsvorming een meer typisch kenmerk is dan niet-verplichte groepsvorming.
Tabel 1. Graduele invulling van groepsvorming
| Groepsvorming | Graduele invulling |
| Verplichte groepsvorming | Typisch |
| Niet-verplichte groepsvorming | Minder typisch |
Groepsvorming is een essentieel kenmerk van werkwoordconstructies en de werkwoordgroepen die ze vormen. Werkwoordconstructies die dat kenmerk steeds vertonen beschouwen we bijgevolg als meer representatief voor de groep van werkwoordconstructies met infinitief dan constructies die dat niet doen.
Infinitivus-pro-participio
Tabel 2 geeft de gevoeligheid voor IPP als een schaal met drie niveaus. Werkwoordconstructies
zonder voltooide werkwoordstijden maken geen deel uit van de graduele invulling van
IPP.
Tabel 2. Graduele invulling van IPP
| Infinitivus-pro-participio | Graduele invulling |
| Verplichte IPP | Typisch |
| Optionele IPP | Tussenvorm |
| Geen IPP | Minder typisch |
| Geen voltooide werkwoordstijden | - |
IPP kan beschouwd worden als een indicator van groepsvorming. De mate waarin
werkwoordconstructies gevoelig zijn voor dat kenmerk bepaalt bijgevolg hoe representatief
ze zijn voor de hele groep van werkwoordconstructies met infinitief.
Soort infinitief
Tabel 3 geeft een drieledige invulling van het soort infinitief in werkwoordgroepen met infinitief.
Tabel 3. Graduele invulling van soort infinitief
| Soort infinitief | Graduele invulling |
| Korte infinitief | Typisch |
| Lange infinitief met te-wegval | Tussenvorm |
| Lange infinitief | Minder typisch |
Het onderscheid tussen lange infinitieven met
te-wegval en infinitieven zonder die
mogelijkheid is gebaseerd op het feit dat
te-wegval een indicator van groepsvorming is.
Op die manier kunnen we werkwoordconstructies met
te-wegval als meer representatief beschouwen
voor werkwoordconstructies met infinitief dan constructies zonder
te-wegval.
Te-wegval zorgt er ook voor dat enkele
werkwoordconstructies met een lange infinitief in sommige omstandigheden met een lange
infinitief voorkomen en andere met een korte infinitief. Op die manier vormen
werkwoordconstructies met te-wegval een
hybride vorm tussen werkwoordconstructies met korte infinitief enerzijds en met een lange
infinitief anderzijds.
Soort betekenis
Tabel 4 geeft de aanwezigheid van een TAME-betekenis een graduele invulling.
Tabel 4. Graduele invulling van soort betekenis
| Soort betekenis | Graduele invulling |
| TAME-betekenis | Typisch |
| Geen TAME-betekenis | Minder typisch |
Werkwoordconstructies met TAME-betekenis modificeren de stand van zaken in de zin. Ze hebben dus voornamelijk een grammaticale functie en dragen weinig tot geen lexicale betekenis bij aan de zin. Andere werkwoordconstructies leveren wel in meer of mindere mate een eigen lexicale bijdrage aan de zin. We beschouwen werkwoordconstructies met vooral een grammaticale functie als typisch voor werkwoordconstructies met infinitief en constructies met vooral een lexicale betekenis als minder typisch.
Graduele classificatie
In Tabel 5 passen we de graduele invulling van de vier kenmerken toe op alle werkwoordconstructies met infinitief. Constructies met dezelfde configuratie van kenmerken zijn gegroepeerd per rij binnen elke constructionele familie. Constructies met het kenmerk ‘onzeker’ zijn binnen hun constructionele familie tussen haakjes geplaatst. De eerste kolom verwijst naar de paragraaf waar de constructionele familie in meer detail wordt besproken. De volgende vier kolommen geven typische kenmerken weer met ‘+’ en een minder typische met ‘-’. Tussenvormen worden met ‘+/-’ aangeduid. Constructies zonder voltooide tijden krijgen een ‘0’. De laatste kolom geeft aan voor elke rij werkwoordconstructies aan hoeveel typische eigenschappen ze voldoen (waarbij ‘+’ een waarde van 1 krijgt en ‘+/-’ een waarde van 0,5).
Tabel 5. Graduele classificatie van werkwoordconstructies met infinitief
| Werkwoorden | Grpsv. | IPP | Inf. | Betek. | Som | |
| 18.5.1 | kunnen, moeten, zullen, willen, mogen | + | + | + | + | 4 |
| hoeven, weten, behoeven | + | + | +/- | + | 3,5 | |
| dienen, zien, horen, behoren, vermogen | + | + | - | + | 3 | |
| durven | + | + | +/- | - | 2,5 | |
| 18.5.2 | blijken, lijken, dreigen, schijnen, heten, plegen, beloven, (dunken, toeschijnen, voorkomen) | + | 0 | - | + | 2 |
| 18.5.3 | gaan, blijven, komen, zijn | + | + | + | + | 4 |
| zitten, staan, liggen, lopen, (hangen) | + | + | +/- | + | 3,5 | |
| 18.5.4 | laten, doen, zien, horen, voelen, (kijken) | + | + | + | - | 3 |
| hebben, vinden, (krijgen, weten) | + | 0 | + | - | 2 | |
| 18.5.5 | leren, helpen | + | + | + | - | 3 |
| 18.5.6 | zijn, hebben, vallen, staan, (achten), hangen, leggen, vinden, zetten | + | - | - | + | 2 |
| krijgen, geven | + | - | - | - | 1 | |
| 18.5.7 | beginnen | +/- | +/- | +/- | + | 2,5 |
| proberen | +/- | +/- | +/- | - | 1,5 | |
| weigeren, wensen, trachten, vergeten, menen, pogen, wagen, (zoeken) | +/- | +/- | - | - | 1 | |
| 18.5.8 | besluiten, hopen, zeggen, denken, beweren, vrezen, geloven, eisen, hopen, verlangen, verzuimen | +/- | 0 | - | - | 0,5 |
Tabel 5 toont dat sommige werkwoordconstructies met infinitief meer typische kenmerken in zich verenigen dan andere. De werkwoordconstructies met de meeste typische eigenschappen (met scores 3 tot 4 in de tabel) zijn vooral terug te vinden in de constructionele families van modale constructies, aspectuele constructies en objectgeoriënteerde constructies. We hebben de constructies met veel typische kenmerken in het grijs gearceerd. De constructies hebben met elkaar gemeen dat ze verplicht groepsvormend zijn en verplichte IPP vertonen. Ze worden allemaal gecombineerd met een korte infinitief of hebben een lange infinitief die te-wegval toelaat. Veel van de constructies zijn gespecialiseerd in het uitdrukken van een betekenis uit het domein van tijd, aspect of modaliteit.
Opvallend is dat de groep van typische constructies heel wat van de traditionele hulpwerkwoorden bevat.
ANS2 2.2.2
noemt bij de groepsvormende werkwoorden met infinitief enkel hulpwerkwoorden van
modaliteit en causaliteit. Van den Toorn (1984: 5.5.1) en Vandeweghe (2000: 18.3)
rekenen echter ook aspectuele werkwoorden tot de hulpwerkwoorden.
De tabel laat toe het concept hulpwerkwoord op een graduele manier in te vullen. Hulpwerkwoorden zijn in dat graduele perspectief groepsvormende werkwoorden die voorkomen in werkwoordconstructies met veel typische eigenschappen. Ze zijn allemaal verplicht groepsvormend en vertonen verplicht het IPP-effect. De meest typische hulpwerkwoorden (met score 4)
of meer technisch: prototypische hulpwerkwoorden
selecteren daarenboven een korte infinitief en drukken een TAME-betekenis uit. Het gaat om de modale hulpwerkwoorden kunnen, moeten, zullen, willen en mogen met korte infinitief en de aspectuele hulpwerkwoorden gaan, blijven, komen, zijn met korte infinitief. Iets minder typische hulpwerkwoorden (score 3,5) hebben geen korte infinitief maar een lange infinitief met te-wegval. Nog wat minder typische hulpwerkwoorden (met score 3) worden gecombineerd met een lange infinitief of drukken geen TAME-betekenis uit.De tabel bevat ook heel wat werkwoordconstructies met infinitief die slechts een paar typische kenmerken vertonen (scores 0,5 tot 2,5). Wat opvalt bij deze minder typische gevallen is dat ze allemaal een lange infinitief hebben, ook al is er bij enkele constructies wel de mogelijkheid tot te-wegval. Het gaat om constructies die traditioneel niet opgenomen worden in overzichten van hulpwerkwoorden. Toch hebben deze constructies wel degelijk gemeenschappelijke kenmerken met deze meer typische werkwoordconstructies. Wat al de constructies in de tabel op zijn minst met elkaar delen is het feit dat ze groepsvormend gebruikt kunnen worden. Groepsvorming is op die manier de kleinste gemene deler van alle werkwoordconstructies die aan bod komen in dit hoofdstuk. Daarnaast vertonen heel wat van de minder typische constructies ook optionele IPP of drukken ze een TAME-betekenis uit.
De tabel benadrukt dus dat we geen scherpe lijn kunnen trekken tussen hulpwerkwoorden en andere
groepsvormende werkwoorden maar dat we veeleer te maken hebben met een continuüm van
werkwoordconstructies die in meer of mindere mate typische kenmerken in zich
verenigen.
Historische wortels
Verdieping
Historische wortels
De graduele classificatie van werkwoordconstructies met een infinitief heeft ook een historische
dimensie. De werkwoordconstructies in de tabel met de meeste typische kenmerken horen
tot de oudste werkwoordconstructies van het Nederlands. Hun prototypische
eigenschappen hangen samen met hun lange ontstaansgeschiedenis. We kunnen hier niet
ingaan op details maar zullen volstaan met enkele grove trekken. De oudste
werkwoordconstructies van het Nederlands worden steeds gecombineerd met een korte
infinitief. Het is pas vanaf het Middelnederlands dat daarnaast ook
werkwoordconstructies met een lange infinitief ontstaan. Opvallend is dat enkele van
die jongere werkwoordconstructies met lange infinitief na verloop van tijd
te-wegval gaan vertonen en zich op die
manier vormelijk aansluiten bij de korte infinitief van de oudste
werkwoordconstructies. Daarnaast drukken de oudste werkwoordconstructies van het
Nederlands doorgaans een TAME-betekenis uit. Dergelijke betekenissen ontstaan als het
gevolg van grammaticalisatie, een taalveranderingsproces waarbij
lexicale woorden of constructies in bepaalde contexten grammaticale functies gaan
uitoefenen. Heel wat van de jongere werkwoordconstructies zijn niet zo ver
gegrammaticaliseerd als de oudste constructies en drukken in hogere mate een lexicale
betekenis uit.
Literatuur
Rosch 1973, Bolinger 1980, Heine 1993, Schuurman 1994, Van der Horst 1998, IJbema 2002, Barbiers & Sybesma 2003
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | hoofdstuk 18,/data/archief/ans2/e-ans/18/body.html; |
