Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.7.1 Een gevulde aanloop met een verwijswoord in de eigenlijke zin
Zinnen met een aanloop hebben soms een verwijswoord in de eigenlijke zin dat terugwijst naar de constituent in de aanloop. Deze zinnen behoren, anders dan aanloopzinnen-zonder-verwijswoord, tot het informele taalgebruik en vallen uiteen in twee categorieën. In de eerste categorie is het verwijswoord een aanwijzend (voornaam)woord dat normaliter op de eerste zinsplaats staat: boxsprings, dat |schijnen| de meest comfortabele bedden |te zijn|. De constituent in de aanloop kan bij deze categorie van elk denkbaar type zijn, al zijn voorzetselconstituenten niet altijd mogelijk: op deze boxspring, daar |slaap| je pas echt lekker op |Ø|twijfelachtig. Een tweede beperking is dat de constituent in de aanloop specifiek moet zijn: geen boxsprings, die |verkopen| ze hier |Ø|uitgesloten. De constituent in de aanloop krijgt steevast een contrastieve interpretatie.
In de tweede categorie aanloopzinnen-met-verwijswoord ontbreekt zo'n contrastieve interpretatie. Het verwijswoord kan bij deze categorie in het middenstuk staan en is niet altijd aanwijzend van aard: ledikanten, we |verkopen| ze nog wel |Ø|. Bij deze categorie is de constituent in de aanloop altijd van het nominale type: gezellig, deze winkel |is| 't niet echt |Ø|twijfelachtig. Daarnaast gelden bij deze categorie zinnen grotendeels dezelfde mogelijkheden en beperkingen als bij zinnen met een contrastieve aanloop.
In het zeldzame geval dat een zin twee constituenten in de aanloop heeft, is de eerste niet-contrastief en de tweede contrastief: Karel, ja, zijn oude bed, dat |heeft| hij gelukkig nog |kunnen verkopen| .
Verder lezen
Zinnen met een contrastieve aanloop
Deze sectie bespreekt aanloopzinnen die aan de volgende twee kenmerken voldoen: het element in de aanloop draagt een contrastief accent en de eigenlijke zin bevat een aanwijzend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats.
In de wetenschappelijke literatuur staat dit verschijnsel bekend als 'contrastieve linksdislocatie' (CLD).
De voorbeelden in (1) illustreren dit met verschillende soorten constituenten in de aanloop:
1Een constituent in de aanloop met een aanwijzend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
aVerplícht vrije dagen, die |bevielen| Bertus allerminst |Ø|.informeelNominale constituent
bHóndsmoe, dat |kon|-ie makkelijk |worden| van het gezeur van zijn collega's.informeeladjectivische constituent
cTijd doorbrengen met de kínderen, dat |diende| je ook op normale dagen |te doen|.informeelverbale constituent
dThúís, daar |hadden| ze hem eens in de weer |moeten zien|.informeeladverbiale constituent
eIn het wéékend, dan |kon| je je toch voldoende |ontspannen|?informeeladpositieconstituent
fDat je een beetje efficiént met je spaarzame vrije tijd omging, daar |kwam| het in deze drukke tijden op neer |Ø|.informeelafhankelijke zin
De zinnen in (1) hebben een informeel karakter. Dat wil zeggen dat ze niet worden aangetroffen in de formele taal. Ze zijn tot op zeker hoogte te vergelijken met een categorie zinnen die gebruik maakt van een uitloop. In (1) is het element in de aanloop voorzien van een accentteken, ter indicatie van de beklemtoning waarmee het normaliter wordt uitgesproken. Deze beklemtoning heeft een contrastief effect, zodat (1a) bijvoorbeeld een context oproept waarin niet-verplicht vrije dagen Bertus wel bevallen, en (1b) een context waarin hij onder andere omstandigheden minder moe wordt van zijn collega's, enzovoort. Aangezien de aanloop geen deel uitmaakt van de eigenlijke zin, en daardoor ook buiten het intonatiedomein van de eigenlijke zin valt, ligt het belangrijkste zinsaccent elders. In (1a) kan dat accent bijvoorbeeld op allerminst vallen, en in (1b) op dat.
Niet-contrastieve interpretatie
Verdieping
Niet-contrastieve interpretatie
Volgens de website Taalportaal.org  is contrastieve beklemtoning bij dit soort aanloopzinnen niet voor alle sprekers noodzakelijk.
Het woord dat terugwijst naar een contrastieve aanloop is altijd een aanwijzend voornaamwoord, zoals die in (1a) en dat in (1b-c), of een aanwijzend (voornaamwoordelijk) bijwoord, zoals daar in (1d/f) en dan in (1e). Het gaat hierbij steevast om de zogenaamde distale vormen; de zogenaamde proximale vormen zijn bij dit type zin uitgesloten:
2aVerplicht vrije dagen, deze |bevielen| Bertus allerminst |Ø|.uitgesloten
bThuis, hier |hadden| ze hem eens in de weer |moeten zien|.uitgesloten
cIn het weekend, nu |kon| je je toch ook wel voldoende |ontspannen|?uitgesloten
Discongruentie tussen element in de aanloop en verwijzing in de eigenlijke zin
Verdieping
Discongruentie tussen element in de aanloop en verwijzing in de eigenlijke zin
In sommige gevallen is er discongruentie tussen het element in de aanloop en de verwijzing in de eigenlijke zin:
iDe universiteit, die |gaan| mijn reiskosten echt niet |vergoeden|.informeel
Het element in de aanloop van (i), de universiteit, is enkelvoudig. Het verwijswoord die maakt geen onderscheid tussen enkelvoud en meervoud, maar aan de persoonsvorm gaan is te zien dat het als meervoud wordt geïnterpreteerd. Dit verschijnsel beperkt zich niet tot aanloopconstructies, zoals elders is beschreven.
Als-zinnen en beknopte bijzinnen met (om) te als subject of object (1)
Verdieping
Als-zinnen en beknopte bijzinnen met (om) te als subject of object (1)
Subjects- en objectszinnen in de vorm van als-zin of een beknopte bijzin met (om) te kunnen nooit in de eigenlijke zin staan. Ze gaan daarom altijd samen met verwijswoord:
iBeknopte bijzinnen met (om) te en als-zinnen in de aanloop
aZo te moeten werken, dat |is| toch maar niets |Ø|.informeel
bAls je dat voor me kon doen, dat |zou| erg fijn |zijn|.informeel
Behalve in de aanloop komt dit soort zinnen ook voor in de uitloop.
Kenmerkend voor deze categorie zinnen is verder dat het verwijswoord steeds op de eerste zinsplaats staat. De zinnen in (1) kunnen worden geparafraseerd met de volgende - aanlooploze - zinnen:
3a{Verplícht vrije dagen} |bevielen| Bertus allerminst |Ø|.
b{Hóndsmoe} |kon|-ie makkelijk |worden| van het gezeur van zijn collega's.
c{Tijd doorbrengen met de kínderen} |diende| je ook op normale dagen |te doen|.
d{Thúís} |hadden| ze hem eens in de weer |moeten zien|.
e{In het wéékend} |kon| je je toch voldoende |ontspannen|?
fHet |kwam| er in deze drukke tijden op neer |Ø|, dat je een beetje efficiént met je spaarzame vrije tijd omging.
In deze voorbeelden staan de constituenten uit de aanloop in (1) op de eerste zinsplaats en ontbreken de verwijswoorden. De accolades en accenttekens geven, zoals gebruikelijk in dit hoofdstuk, de plaats van het belangrijkste zinsaccent aan. Met uitzondering van (3f) kan dat accent contrastief zijn, zoals bij de voorbeelden in (1). Dat de afhankelijke dat-zin in (3f) niet op de eerste zinsplaats kan staan, ligt aan het feit dat hij de functie van voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) heeft. Zulke zinnen kunnen niet op de eerste zinsplaats voorkomen (zie [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in zinstype 1a? In (3f) staat de afhankelijke zin in de uitloop en wordt de eerste zinsplaats bezet door het subject (onderwerp) het.
Afhankelijke zinnen als subject of object
Verdieping
Afhankelijke zinnen als subject of object
Afhankelijke subjects- en direct objectszinnen kunnen zowel in de aanloop als op de eerste zinsplaats staan. Dit wordt gedemonstreerd in de volgende voorbeelden:
iAfhankelijke zin als subject
aDat hij niet zo efficiënt met zijn spaarzame vrije tijd omging, dat |was| inmiddels wel duidelijk |geworden|.informeel
bDat hij niet zo efficiënt met zijn spaarzame vrije tijd omging |was| inmiddels wel duidelijk |geworden|.
iiAfhankelijke zin als direct object
aWaarom hij niet efficiënter met zijn spaarzame vrije tijd omging, dat |vroeg| iedereen zich onderhand wel af |Ø|.informeel
bWaarom hij niet efficiënter met zijn spaarzame vrije tijd omging |vroeg| iedereen zich onderhand wel af |Ø|.
Bij de informele a-zinnen dient te worden vermeld dat de functie van subject of direct object strikt genomen door het verwijswoord wordt vervuld. Er is weliswaar een coreferentieel verband tussen de afhankelijke zin in de aanloop en het verwijswoord, maar alleen dat laatste maakt deel uit van de eigenlijke zin en heeft daarin de functie van een zinsdeel.
De afhankelijke zinnen in deze voorbeelden kunnen ook op de laatste zinsplaats of in de uitloop staan, afhankelijk van het feit of de eigenlijke zin een coreferentieel verwijswoord bevat.
Adpositieconstituenten met de functie van voorzetselobject lenen zich er niet goed toe om in hun geheel in de aanloop te staan. Hetzelfde geldt voor sommige bepalingen in de vorm van een adpositieconstituent:
4Voorzetselobjecten en sommige bepalingen: niet in hun geheel in de aanloop
aOp Karel, daarop |kun| je echt niet |rekenen|.twijfelachtigvoorzetselobject
bKarel, daar |kun| je echt niet op |rekenen|.informeel
cMet een bankpas, daarmee |krijgen| we die deur vast wel open |Ø|.twijfelachtigbijwoordelijke bepaling van instrument
dEen bankpas, daar |krijgen| we die deur vast wel mee open |Ø|.informeel
De zinnen in (4b/d) laten zien dat in dit soort gevallen de adpositie bij voorkeur in het middenstuk staat. De constituent in de aanloop doet dan via het verwijswoord op de eerste zinsplaats dienst als complement van de adpositie. In informeel Nederlands komen soms ook tegenhangers van zulke zinnen zonder aanloop voor (zie het complement van een adpositie):
5aKarel |kun| je echt niet op |rekenen|.informeel
bEen bankpas |krijgen| we die deur vast wel mee open |Ø|.informeel
Kenmerkend voor de aanloopzinnen in deze deelparagraaf is dat het element in de aanloop steevast correspondeert met een verwijswoord in de eigenlijke zin. Dit verwijswoord wijst terug naar de constituent in de aanloop, waardoor die constituent alleen een specifieke interpretatie kan hebben. Dit betekent dat constituenten met een niet-specifieke betekenis onmogelijk kunnen dienen als aanloop:
6Een (nominale) constituent in de aanloop: alleen met specifieke interpretatie
aEen of andere student, die |kan| je beslist |helpen|.uitgesloten
bBij iedere bank, daar |is| de mogelijkheid |Ø| om geld op te nemen.uitgesloten
cNooit, dan |heeft| Karel zin |Ø| om te koken.uitgesloten
dBezwaar, dat |kon| natuurlijk niemand |maken| tegen die aanstelling.uitgesloten
In de bovenstaande voorbeelden verwijzen het categoriale een of andere student en het gekwantificeerde iedere bank niet naar een specifieke student of bank. Ook de adverbiale constituent nooit kan niet naar een specifiek tijdstip verwijzen, waardoor plaatsing in de aanloop uitgesloten is. Hetzelfde geldt voor het nominale deel van een vaste verbinding als bezwaar maken tegen, dat niet naar een specifiek bezwaar verwijst.
Wanneer de aanloop bestaat uit een niet-specifieke nominale constituent, kan de aard van die constituent de acceptabiliteit van de zin beïnvloeden. Volgens (Zaenen 1997) doen zwakke kwantoren zoals vele en enkele het iets beter in de aanloop dan bijvoorbeeld geen, en hetzelfde zou gelden voor sterke kwantoren zoals alle, elk(e) en de meeste. Niet alle onderzoekers komen tot dezelfde conclusie, en in navolging van Taalportaal  laat de ANS dit onderwerp liggen voor toekomstig onderzoek. Zie ook de voorbeelden hieronder in (15).
De aanloop is in principe alleen beschikbaar in zinstype 1: zinnen met een voor-persoonsvorm (voor-pv). In de tot nu toe gegeven voorbeelden stond het verwijswoord doorgaans op de eerste zinsplaats van de eigenlijke zin. Die zinnen zijn dus van het zinstype 1a. Ook in zinstype 1b, waarbij de eerste zinsplaats leeg blijft, kan een aanloop voorkomen. Het verwijswoord staat in zulke zinnen in het middenstuk van de eigenlijke zin:
7Een constituent in de aanloop bij zinstype 1b
aZijn collega's, |hadden| die niet voortdurend de spot met hem |gedreven|?informeel
bTijd voor de kinderen, |zie| dat op normale dagen maar eens |te maken|.informeel
cDe multitaskende vader, |laten| we het daar maar niet meer over |hebben|!informeel
Soms komt ook bij zinnen met een achter-pv (zinstype 2) een aanloop voor:
8Een constituent in de aanloop bij zinstype 2
aZo'n uitstapje, hoe |Ø| je dat voor|bereidt|(, dat kan ik je wel vertellen.)informeel
bDit prachtexemplaar, wie |Ø| dat kan |bekostigen|(, die is ongetwijfeld miljonair.)informeel
cDie auto, |dat| die veel te duur |is|(, dat had Emma wel verwacht.)informeel
dDie zilvergrijze Volkswagen, |als| hij die |kocht|(, dan kon hij weer jaren vooruit.)informeel
In deze voorbeelden valt op dat de afhankelijke zinnen-met-aanloop van zinstype 2 zelf dienst moeten doen als aanloop van een zelfstandige zin van zinstype 1:
9a[Zo'n uitstapje, hoe je dat voorbereidt], dat |kan| ik je wel |vertellen|.
b[Dit prachtexemplaar, wie dat kan bekostigen], die |is| ongetwijfeld miljonair |Ø|.informeel
c[Die auto, dat die veel te duur was], dat |had| Emma wel |verwacht|.informeel
d[Die zilvergrijze Volkswagen, als hij die kocht], dan |kon| hij weer jaren vooruit |Ø|.informeel
De afhankelijke zinnen in deze voorbeelden hebben een achter-pv. De eerste zinsplaats wordt in zinstype 2a per definitie bezet door een vragend of betrekkelijk voornaamwoord, in de voorbeelden door hoe, respectievelijk wie. Dit betekent dat het verwijswoord in het middenstuk van de afhankelijke zin moet staan. Bij (9c-d) zijn de afhankelijke zinnen van zinstype 2b, waarin de eerste zinsplaats simpelweg niet beschikbaar is. Ook in die voorbeelden staat het verwijswoord dus in het middenstuk. Behalve in de aanloop van een andere, zelfstandige zin, kan een afhankelijke zin-met-eigen-aanloop ook op de eerste zinsplaats van een zelfstandige zin staan, zoals in Zo'n uitstapje, hoe je dat voorbereidt |kan| ik je wel |vertellen| en Die auto, dat die veel te duur was |had| Emma wel |verwacht|. Andere plaatsen in een zelfstandige zin zijn niet toegankelijk voor een afhankelijke zin-met-eigen-aanloop:
10Afhankelijke zin-met-eigen-aanloop: alleen in aanloop of op eerste zinsplaats van zelfstandige zin
aIk |kan| je wel |vertellen| zo'n uitstapje, hoe je dat voorbereidt, morgenavond.uitgeslotenlaatste zinsplaats
bIk |kan| je dat wel |vertellen|, morgenavond, zo'n uitstapje, hoe je dat voorbereidt.uitgeslotenuitloop
Deze voorbeelden laten zien dat een afhankelijke zin-met-eigen-aanloop geen toegang heeft tot de laatste zinsplaats. Plaatsing in de uitloop, een gebied dat zich net als de aanloop buiten de eigenlijke zin bevindt en waar ook morgenavond zich bevindt, is evenmin mogelijk.
Afhankelijke dat-zinnen kunnen een aanloop hebben in de zelfstandige zin waar ze deel van uitmaken:
11Afhankelijke zin met aanloop in de zelfstandige zin
Zo'n uitstapje, dat |verwacht| ik niet |Ø| dat je |zal willen organiseren|.informeel
In dit voorbeeld vormt zo'n uitstapje dus een aanloop bij dat je zal willen organiseren. Bij dit soort aanloopzinnen vervult het verwijswoord een functie in de afhankelijke zin, hoewel het op de eerste zinsplaats van de zelfstandige zin staat. Het voorbeeld in (11) vertoont daarmee verwantschap met elders beschreven zinnen waarin een zinsdeel uit een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van een zelfstandige zin staat. Dit is alleen mogelijk wanneer de afhankelijke zin de functie van direct object (lijdend voorwerp) vervult en het gezegde van de bevattende zin non-factief is, dat wil zeggen, de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit presenteert.
Zinnen met een niet-contrastieve aanloop
Het verwijswoord stond in de tot nu toe gegeven voorbeelden op de eerste zinsplaats, behalve bij zinstypen waarin die plaats niet beschikbaar is (zie (7) en (8)). De aanloop droeg ook steeds een contrastief accent. Een tweede categorie aanloopzinnen-met-verwijswoord wordt gedefinieerd door een aanloop die normaalgesproken niet contrastief wordt beklemtoond:
In de wetenschappelijke literatuur staat dit verschijnsel bekend als 'hanging topic-linksdislocatie' (HTLD).
12Een constituent in de aanloop met een persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord op uiteenlopende zinsplaatsen
aVerplicht vrije dagen, ze |bevielen| Bertus allerminst |Ø|.informeel
bZijn collega's, hij |werd| doodmoe van ze |Ø|.informeel
cTijd voor de kinderen, je |diende| dat ook op normale dagen |te maken|.informeel
dZijn ex-vrouw, Bertus |had| 'r al lang niet |gezien|.informeel
eHet afgelopen weekend, hij |raakte| er maar niet over uit|gepraat|.informeel
fEen multitaskende vader, Bertus |was| het eigenlijk altijd al |geweest|.informeel
Ook hier gaat het steeds om zinnen die tot het informele taalgebruik behoren. Het verwijswoord kan bij deze categorie een aanwijzend voornaamwoord zijn, zoals in (12c). In tegenstelling tot de in de vorige sectie beschreven zinnen met een contrastieve aanloop kan het verwijswoord ook de vorm van een persoonlijk voornaamwoord hebben. Dit is te zien in de overige voorbeelden in (12). Het verwijswoord staat in het middenstuk of op de eerste zinsplaats. De zinnen in kwestie, die vergelijkbaar zijn met een soortgelijke uitloopconstructie, kunnen worden geparafraseerd met de volgende aanlooploze zinnen:
13aVerplicht vrije dagen |bevielen| Bertus {allermínst} |Ø|.
bHij |werd| {dóódmoe} |Ø| van zijn collega's.
cJe |diende| ook {op normále dagen} tijd voor de kinderen |te maken|.
dBertus |had| zijn ex-vrouw al {láng} niet |gezien|.
eHij |raakte| maar niet {úít|gepraat|} over het afgelopen weekend.
fBertus |was| eigenlijk {altíjd} al een multitaskende vader |geweest|.
Ook bij deze categorie aanloopzinnen kan het verwijswoord verschillende zinsdeelfuncties vervullen, zoals die van subject (in 12a), direct object (in 12c-d), et cetera. Een beperking is echter dat het verwijswoord bijna uitsluitend nominale constituenten vertegenwoordigt. Dit betekent dat de aanloop in de onderhavige categorie zinnen moeilijk uit een andersoortige constituent kan bestaan:
14Alleen nominale constituenten in de aanloop
aHondsmoe, hij |werd| het |Ø| van het gezeur van zijn collega'stwijfelachtigadjectivische constituent
.
bTijd doorbrengen met de kinderen, je |diende| het ook op normale dagen |te doen|.twijfelachtigverbale constituent
cThuis, ze |hadden| hem er eens in de weer |moeten zien|.twijfelachtigadverbiale constituent
dIn het weekend, je |kon| je dan toch ook wel voldoende |ontspannen|?twijfelachtigvoorzetselconstituent
eDat je een beetje efficiënt met je spaarzame vrije tijd omging, het |kwam| er in deze drukke tijden wel op neer |Ø|.twijfelachtigafhankelijke zin
De website Taalportaal  merkt op dat sommige sprekers zinnen zoals in (14) acceptabel vinden. Anderen, zoals De Vries (2007), wijzen dit soort zinnen resoluut van de hand.
Net als bij de zinnen met een contrastief beklemtoonde aanloop geldt hier dat de aanloopconstituent specifiek moet zijn. De volgende zinnen zijn vergelijkbaar met de voorbeelden in (6):
15Alleen specifieke nominale constituenten in de aanloop
aSommige collega's, Bertus |werd| doodmoe van ze |Ø|uitgesloten
.
bDe meeste exen, hij |had| ze al lang niet |gezien|.uitgesloten
cEen willekeurig weekend, hij |raakte| er maar niet over uit|gepraat|.uitgesloten
dEen oogje, ze |had| het altijd al op Bertus |Ø|.uitgesloten
Wederom komt de aanloop van de hier beschreven categorie voor in zinnen van het type 1a, zoals hierboven gedemonstreerd, en type 1b:
16Een constituent in de aanloop bij zinstype 1b
aZijn collega's, |hadden| ze niet voortdurend de spot met hem |gedreven|?
bTijd voor de kinderen, |zie| dat op normale dagen maar eens |te maken|.
cDe multitaskende vader, |laten| we het er maar niet meer over |hebben|!
Een legitieme vraag is in hoeverre de eerder gegeven voorbeelden in (7) afwijken van de volgende zinnen. Zowel in (16) als in (7) staat het verwijswoord in het middenstuk. Toch lijkt het erop dat de zinnen in (7) bij een andere categorie zinnen horen dan de bovenstaande voorbeelden. Het is bij zinstype 1b namelijk mogelijk een niet-nominale constituent als aanloop te laten fungeren. Dit blijkt uit zinnen als Doodmoe, |zou| je dat nu niet |worden| van sommige collega's? en In de winter, |laten| we dan eens |proberen af te spreken|. Deze zinnen zijn moeilijk voorstelbaar zonder contrastief beklemtoonde aanloop, wat suggereert dat de zinnen uit (7) alleen verschillen van die in (16) met betrekking tot de verplicht contrastieve klemtoon.
Een niet-contrastieve aanloop kan ook weer voorkomen bij zinstype 2, waarbij de afhankelijke zin-met-aanloop zelf als aanloop fungeert in een zelfstandige zin (zie (8)):
17Een constituent in de aanloop bij zinstype 2
aZo'n uitstapje, hoe je 't voorbereidt, dat |kan| ik je wel |vertellen|.informeel
bDit prachtexemplaar, wie 't kan bekostigen, die |is| ongetwijfeld miljonair |Ø|.informeel
cDie auto, dat-ie veel te duur was, dat |had| Emma wel |verwacht|.informeel
dDie zilvergrijze Volkswagen, als hij 'm kocht, dan |kon| hij weer jaren vooruit |Ø|.informeel
Ook bij de zogenaamde semidirecte rede wordt soms een aanloop in een zin van zinstype 2 aangetroffen:
18Een constituent in de aanloop bij zinstype 2 (semidirecte rede)
a(Karel riep,) als hij die auto zou kopen, wie |Ø| daar dan beter van |zou worden|.informeel
b(Emma vroeg zich af,) als Karel die auto kocht, |of| zij er dan ook mee |zou mogen rijden|.informeel
In deze voorbeelden houdt het direct object van respectievelijk riep en vroeg ... af het midden tussen de directe rede en de indirecte rede. Qua vorm gaat het steeds om een afhankelijke zin van het type 2a (wie |Ø| daar dan beter van zou worden) of van het type 2b (|of| zij er dan ook mee |zou mogen rijden|). Deze afhankelijke zinnen krijgen een aanloop in de vorm van een andere afhankelijke zin. In het middenstuk bevatten ze een verwijswoord dat naar die aanloop verwijst.
Ten slotte kunnen afhankelijke dat-zinnen een niet-contrastieve aanloop hebben in de zelfstandige zin waar ze deel van uitmaken (zie ook (11)):
19Afhankelijke zin met aanloop in de zelfstandige zin
Zo'n uitstapje, ik |verwacht| niet |Ø| dat je het |zal willen organiseren|.informeel
In dit voorbeeld staat het verwijswoord het in een afhankelijke zin, terwijl zo'n uitstapje als aanloop bij de bevattende zelfstandige zin optreedt. Net als bij enkele elders beschreven zinnen komt een dergelijk patroon alleen voor wanneer de afhankelijke zin de functie van direct object vervult en het gezegde van de bevattende zin non-factief is, dat wil zeggen, de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit presenteert.
Zinnen met een niet-contrastieve en een contrastieve aanloop
In een enkel geval is het mogelijk om een niet-contrastieve aanloop te combineren met een contrastieve. Hierbij gaat de niet-contrastieve aanloop vooraf aan de contrastieve:
20Combinatie van aanlopen: niet-contrastief gevolgd door contrastief
Bertus, tja, zijn collega's, daar |werd|-ie hondsmoe van |Ø|.informeel
Dit voorbeeld bevat de aanlopen Bertus en zijn collega's, van elkaar gescheiden door het tussenwerpsel tja. Het persoonlijk voornaamwoord -ie verwijst naar de niet-contrastieve aanloop Bertus; daar wijst terug naar de contrastieve aanloop zijn collega's. Andere denkbare combinaties zijn amper mogelijk:
21aZijn collega's, tja, Bertus, daar |werd|-ie hondsmoe van.uitgesloten
bBertus, tja, zijn collega's, daar |werd| die hondsmoe van.uitgesloten
cBertus, tja, zijn collega's, hij |werd| hondsmoe van ze.twijfelachtig
Een contrastieve aanloop kan niet worden gevolgd door een niet-contrastieve aanloop, zoals in (21a). Twee contrastieve aanlopen (21b) of twee niet-contrastieve (21c) leveren evenmin goede zinnen op.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links