21.4.1.3 Een ander zinsdeel dan het subject op de eerste zinsplaats
Wanneer er een ander zinsdeel dan het subject (onderwerp) op de eerste zinsplaats
staat, staat het subject zelf in het middenstuk: Emma |zou|
ik vandaag |willen spreken| over onze
strategie. De persoonsvorm (pv), die bij zinstype 1a in de eerste pool staat, gaat daarbij vooraf aan het
subject. Dit verschijnsel wordt inversie genoemd. Buiten
het werkwoordelijk (deel van het) gezegde, dat immers samenvalt met de polen van
de zin, kan bijna ieder denkbaar niet-subject op de eerste zinsplaats staan:
vandaag |zou| ik Emma
|willen spreken| over onze strategie,
over onze strategie |zou|
ik Emma vandaag |willen spreken|. Alleen
onbeklemtoonbare voornaamwoorden (in de functie van object), het
niet-presentatieve er en enkele inherente zinsdelen zijn structureel uitgezonderd van die
positie.
Evenals het subject kunnen andere zinsdelen op de eerste zinsplaats
een geringe informatiewaarde hebben ten opzichte van de rest van de zin. In zo'n
geval kan de zin aan het links-rechts-principe voldoen. Dit is mogelijk als het
element op de eerste zinsplaats een aanwijzend voornaamwoord of
voornaamwoordelijk bijwoord is ((Hoe gaat het met Emma's
broertje?) Die |ken| ik helemaal niet
|Ø|,
Daar |heb| ik niets over
|gehoord|). Ook de aanwijzende bijwoorden zo, toen en dan hebben deze mogelijkheid. Andere voornaamwoorden kunnen alleen met
nadruk op de eerste zinsplaats staan:
míj |is| niets gevraagd
|Ø|,
zichzélf |houdt| Emma uit
de wind |Ø|,
(n)íéts |ga| ik
|doen|. In zo'n geval is de interpretatie
contrastief (of verplicht specifiek) en maakt het zinsdeel op de eerste
zinsplaats deel uit van de informatieve kern van de zin. In zo'n zin wordt het
links-rechtsprincipe dan ook geschonden.
Ook zinsdelen in de vorm van een substantivische naamwoordelijke constituent of
adpositieconstituent staan, al dan niet beklemtoond, op de eerste zinsplaats:
dat broertje |heb| ik
vorige week |ontmoet|,
van haar zús |weet| ik
niks |Ø|, met een
oudere broer of zus |kun| je de hele wereld aan
|Ø|. Ook hier kan de zin in overeenstemming zijn
met het links-rechtsprincipe of daartegen ingaan. Dat laatste is per definitie
het geval als het zinsdeel op de eerste zinsplaats onbepaald of negatief is:
twéé broertjes |heb| ik
daar |gezien|,
zónder broertje |zou| Emma
het maar saai |vinden|. Bijwoordelijke bepalingen
van tijd en plaats kunnen een kaderscheppende functie hebben, waardoor ze
bijvoorbeeld zonder speciale nadruk een zogenaamde nieuwszin kunnen openen:
op vrijdag |krijgt| Emma
een nieuwe internetaansluiting |Ø|,
in het centrum van Tilburg
|zijn| de winkels elke zondag open |Ø|. Voor
inherente zinsdelen geldt verder dat, of ze nu nadruk krijgen of niet, een plek
voor de eerste pool altijd bijzonder is vergeleken met de gebruikelijke
plaatsing vlak voor de tweede pool:
dokter |wilde| hij graag
binnen een jaar |worden|,
tien euro |kost| dat
makkelijk |Ø|.
Adjectivische en adverbiale constituenten kunnen met of zonder nadruk op de
eerste zinsplaats staan: léúk |is| dit
misschien niet |Ø|,
dikwijls |heeft| Emma last
van haar broertje |Ø|. De laatste categorie bevat
elementen die kaderscheppend, rangschikkend of zinsverbindend zijn en daardoor
makkelijk zonder nadruk op de eerste zinsplaats staan:
soms |kan| ze haar
broertje wel achter het behang |plakken|,
vervolgens |krijgt| ze
meteen spijt |Ø| van die gedachte. Negatieve en
onbepaalde bijwoorden als (n)ooit en (n)ergens kunnen daarentegen juist alleen in beklemtoonde vorm de eerste
zinsplaats bezetten. Dat laatste geldt ook voor het eerste deel van een
scheidbaar samengesteld werkwoord, al komt dat soms ook zonder klemtoon op de
eerste zinsplaats. Ten slotte hebben afhankelijke zinnen in verschillende
zinsdeelfuncties op de eerste zinsplaats weer dezelfde mogelijkheden als
nominale en adpositieconstituenten: [dat Emma
veel van haar broertje houdt] |heb| ik met eigen ogen
|kunnen zien|.
Verder lezen
Een voornaamwoord of (voornaamwoordelijk) bijwoord op de eerste
zinsplaats
Wanneer het subject (onderwerp) in zinstype 1a in het
middenstuk staat, volgt het op de persoonsvorm (pv) in de eerste pool. Dit
woordvolgordeverschijnsel heet inversie en heeft als
bijkomend effect dat de eerste zinsplaats beschikbaar is voor een ander zinsdeel
dan het subject. Zoals besproken in [21.4.1.2] Het subject op de eerste zinsplaats leent de
eerste zinsplaats zich om te beginnen voor zinsdelen met een gering informatief
belang. Dit is namelijk in overeenstemming met het links-rechtsprincipe, dat dicteert dat het informatieve
belang van een zinsdeel toeneemt naarmate het verder naar rechts in de zin staat
(of later wordt uitgesproken). Persoonlijke voornaamwoorden, en dan met name de
gereduceerde en overige onbeklemtoonbare vormen, verwijzen doorgaans naar
personen of zaken die reeds geïntroduceerd zijn en die geen onverwachte rol
spelen in de voorstelling van zaken. Hoewel zulke vormen met de functie van
subject veelvuldig op de eerste zinsplaats staan, blijkt dit juist niet mogelijk
te zijn voor objectsvormen:
De zinnen in (1) zijn allemaal onacceptabel vanwege het onbeklemtoonbare
persoonlijk voornaamwoord op de eerste zinsplaats. Wanneer dit in het middenstuk
staat en een ander zinsdeel de eerste zinsplaats bezet, zijn de zinnen wel
acceptabel. Dit blijkt uit zinnen als mijn ouders |belden|
me |Ø| net toen ik wilde
vertrekken en ik |vergeef| 't
je |Ø|. De voorbeelden
in (1b), (1c) en (1f) tonen verder aan dat de onacceptabiliteit wordt
veroorzaakt door het feit dat de onbeklemtoonde voornaamwoorden de functie van
(direct) object hebben (lijdend, meewerkend voorwerp, et cetera). De vormen je, 't, het en ze kunnen namelijk ook dienen als subject. In die hoedanigheid kunnen ze
juist wel gemakkelijk de eerste zinsplaats bezetten.
Uitzondering voor me dunkt
Verdieping
Uitzondering voor me dunkt
Een uitzondering op de beperking met betrekking tot gereduceerde
objectsvormen op de eerste zinsplaats wordt gevormd door de vaste
verbinding me |dunkt|.
De gereduceerde objectsvorm me kan in deze verbinding op de eerste zinsplaats staan, in
tegenstelling tot het voorbeeld in (1c). Net als gereduceerde
subjectsvormen blijft me onbeklemtoond.
Andere voornaamwoorden met een functie anders dan die van
subject worden wel met regelmaat op de eerste zinsplaats aangetroffen.
Achtereenvolgens komen hier de volgende soorten aan bod: persoonlijke
voornaamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, wederkerende voornaamwoorden, het
wederkerig voornaamwoord, onbepaalde en negatieve woorden. Ten slotte passeren
voornaamwoordelijke bijwoorden de revue, evenals enkele bijwoorden en
voegwoordelijke bijwoorden.
Objectsvormen van het persoonlijk voornaamwoord komen,
indien ze beklemtoonbaar zijn, op de eerste zinsplaats voor. De voorbeelden in
(2) illustreren dit:
Het eerste voorbeeld heeft een specifiekere context nodig dan de meer neutrale
variant ze |hebben| me/mij kennelijk
|gebeld| toen ik al onderweg was. Het zinsaccent
op mij in (2a) signaleert een contrast tussen de spreker en de
aangesprokene. Zonder accent ligt deze zin niet erg voor de hand, wat suggereert
dat het direct object (lijdend voorwerp) op de eerste zinsplaats deel uitmaakt
van de informatieve kern van de zin. Daarmee wijkt de
woordvolgorde van (2a) af van het links-rechtsprincipe. Iets soortgelijks geldt
voor jou in (2b), hem in (2d), haar in (2e) en de meervoudige objectsvormen ons, jullie en hen/hun. Op de eerste zinsplaats lijken deze vormen altijd (enigszins) te
worden beklemtoond, overeenkomstig een zeker contrast. Zo is de context waarin
(2b) kan worden gebruikt specifieker dan die van een zin als
ik |vergeef| 't
je/jou (wel)
|Ø|.
Ook aanwijzende voornaamwoorden in objectsfunctie kunnen op
de eerste zinsplaats staan. De beklemtoonde vormen hem en haar in (2d-e) hebben een alternatief in de vorm van die. Dit aanwijzend voornaamwoord kan beklemtoond worden, maar dat is
niet noodzakelijk. Het klemtoonverloop van
die |geven| we dus maar
een cola |Ø| (2d) kan dus even neutraal zijn als
dat van we |geven|
'm/hem/die
dus maar een cola |Ø|, met het belangrijkste
zinsaccent op cola. Op dezelfde manier kan (2c) gelijkwaardig zijn aan
ik |ga|
't/het/dat
toevallig morgen |doen| (met het belangrijkste
zinsaccent op morgen) en (2f) gelijkwaardig aan ik |vind|
ze/die totaal
oninteressant |Ø| (met het belangrijkste
zinsaccent op totaal). Dit betekent dat een onbeklemtoond aanwijzend voornaamwoord in
objectsfunctie op de eerste zinsplaats in overeenstemming met het
links-rechtsprincipe is.
Wederkerende voornaamwoorden kunnen alleen op de eerste
zinsplaats staan als ze versterkt zijn met -zelf. Net als bij de objectvormen van het persoonlijk voornaamwoord wijst
dit op een noodzakelijk zinsaccent: zonder dit achtervoegsel kan een wederkerend
voornaamwoord niet worden beklemtoond. De versterkte vormen blijken met name
voor te komen bij toevallige verbindingen zoals zich inschenken:
Bij toevallig wederkerende werkworden vervult het wederkerend voornaamwoord de
functie van van (in)direct object. Het kan daarbij contrasteren met een ander
mogelijk object, waardoor het beklemtoonbaar moet zijn. Verplicht wederkerende
werkwoorden zoals zich haasten hebben die optie niet, hoewel ze in informeel taalgebruik soms ook
een versterkte vorm van het wederkerend voornaamwoord toelaten (3c). In zo'n
geval is beklemtoning niet mogelijk, waardoor het wederkerend voornaamwoord
geweerd wordt van de eerste zinsplaats (3d).
Ook het wederkerig voornaamwoord
elkaar komt voor op de eerste zinsplaats:
4Wederkerige voornaamwoorden: alleen beklemtoond op de eerste
zinsplaats
(De deelnemers aan de speeddate hadden elkaars familie al
ontmoet, maar) elkáár |kenden| ze nog niet
|Ø|.
Evenals wederkerende voornaamwoorden moet het wederkerig voornaamwoord op de
eerste zinsplaats worden beklemtoond. Dat wijst erop dat het hier wederom om een
noodzakelijk zinsaccent gaat. De interpretatie van een wederkerend of wederkerig
voornaamwoord op de eerste zinsplaats is altijd contrastief: de referent van het
voornaamwoord wordt afgezet tegen een andere referent: de kleintjes in (3a) en elkaars familie in (4).
Onbepaalde voornaamwoorden in de hoedanigheid van object
worden op de eerste zinsplaats altijd beklemtoond :
Anders dan neutraal beklemtoonde zinnen als je |moet| iets
|eten| voordat je weggaat en
ik |zou| wel iemand |willen
spreken| kunnen de zinnen in (5) alleen een betekenis
hebben waarbij de spreker of schrijver in gedachten heeft wat de aangesprokene
moet eten (5a) of waarbij de spreker een specifieke persoon te spreken zou
willen krijgen (5b). Met andere woorden, de onbepaalde voornaamwoorden in (5)
kunnen alleen specifiek onbepaald zijn. Wanneer deze
woorden in het middenstuk staan, is ook een niet-specifiek onbepaalde betekenis
mogelijk, waarbij het niet uitmaakt wat de aangesprokene eet of de wie de
spreker te spreken krijgt.
De zinnen in (5) zijn ook voorstelbaar in een context waarin de spreker
een zeker aantal eetopties of gesprekspartners in
gedachten heeft waaruit gekozen moet worden. Eenzelfde betekenis wordt
opgeroepen door negatieve voornaamwoorden op de eerste
zinsplaats:
Net als onbepaalde voornaamwoorden krijgen negatieve voornaamwoorden op de eerste
zinsplaats altijd een zinsaccent. De gegeven voorbeelden zijn alleen mogelijk in
een context waarin Emma voorheen een zeker aantal dingen de moeite waard vond
(6a), of waarbij de spreker niemand uit een zekere verzameling mensen is
tegengekomen. Die betekenis is niet per se aanwezig wanneer een negatief
voornaamwoord in het middenstuk staat. In zinnen als Emma
|vindt| tegenwoordig niets de moeite waard
|Ø| en ik |ben|
niemand tegen|gekomen|
kan het om niets of niemand in het algmeen gaan. Datzelfde geldt overigens als
de eerste zinsplaats bezet wordt door een negatief subject.
Voornaamwoordelijke bijwoorden vertonen hetzelfde gedrag als
persoonlijke en aanwijzende voornaamwoorden. De gereduceerde vorm er kan niet op de eerste zinsplaats staan; beklemtoonbare vormen als daar kunnen dat wel:
De voornaamwoordelijke bijwoorden in (7a-b) fungeren als bijwoordelijke bepaling
van plaats. De eerste zinsplaats in (7a) bevat dan ook een locatief er. Elders is reeds opgemerkt dat het onbeklemtoonbare er alleen op de eerste zinsplaats kan staan indien het een
presentatieve functie heeft, zoals in
er |schijnt| ook een broer
van 'm |te wonen|. In dat voorbeeld introduceert er het onbepaalde subject een broer van 'm. Tegelijkertijd kan er verwijzen naar een locatie als in Tilburg. De zin is acceptabel omdat de locatieve functie van het
voornaamwoordelijk samenvalt met de presentatieve. De beklemtoonbare vorm daar in (7b) kan, net als de aanwijsbare voornaamwoorden die en dat, onbeklemtoond blijven of beklemtoond worden. Alleen in het eerste
geval is de informatiestructuur van (7b) gelijkwaardig aan een neutraal
beklemtoonde zin als hij |heeft| daar jaren
geleden |gestudeerd|. De
voorbeelden in (7c-d) laten zien dat hetzelfde effect optreedt als het
voornaamwoordelijk bijwoord samen met de bijbehorende adpositie op de eerste
zinsplaats staat: dit is onmogelijk met het onbeklemtoonbare er. Hieronder wordt in (9) een uitzondering op deze regel besproken. De mogelijkheid om
voornaamwoordelijke bijwoorden te splitsen van hun adpositie wordt (onder
andere) besproken in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste
zinsplaats. Voor het vragende voornaamwoordelijk bijwoord waar is dit beschreven in [21.4.1] De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een
voor-pv).
Aanwijzende bijwoorden als toen, dan en zo verwijzen naar een tijdstip, periode of wijze die duidelijk wordt uit
de context of uit de situatie. Ze lijken daarin op aanwijzende voornaamwoorden
en voornaamwoordelijke bijwoorden, die naar personen, zaken of locaties
verwijzen:
Ook deze bijwoorden kunnen desgewenst onbeklemtoond blijven, waardoor de
plaatsing in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. In dat geval is
(5a) dus vergelijkbaar met niemand |had|
toen nog een mobiele telefoon
|Ø| en (5b) met jullie |gaan|
straks zo ook weer naar buiten
|Ø|.
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (2)
Verdieping
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (2)
Zoals besproken in deze opmerking blijft de eerste zinsplaats in
zinstype 1a soms leeg. Zulke taaluitingen, die tot de informele taal
behoren, zijn alleen te begrijpen onder de aanname dat er wel een
element op de eerste zinsplaats staat, maar dat dat element zo voor
de hand ligt dat het verzwegen wordt. Enkele voorbeelden met
niet-subjecten op de eerste zinsplaats zijn:
De voorbeelden in (i) worden begrepen met verwijzingen naar
respectievelijk een direct object (een nieuwe auto), een bijwoordelijke bepaling van plaats (die nieuwe showroom op het industrieterrein) en van tijd (morgen) op de eerste zinsplaats. Deze zinsdelen kunnen worden
afgeleid uit de talige context. Indien ze wel worden vermeld,
krijgen ze de vorm van een onbeklemtoond element:
die |heeft|-ie
nodig voor zijn werk |Ø|,
daar
|schijnen| ze lekkere koffie |te
serveren|,
dan |gaat|-ie
zeker iets |drinken| op een terras!
Zoals gedemonstreerd in (1) en (2) worden objectsvormen van het
persoonlijk voornaamwoord altijd beklemtoond als ze naar een eerste
of tweede persoon verwijzen. Weglating van zulke voornaamwoorden
blijkt dan ook onmogelijk:
ii(Ik kwam Karel gisteren tegen.) (...) |heeft|
hij op een uitgebreide lunch |getrakteerd|.
uitgesloten
Dit voorbeeld, waarin geprobeerd is het direct object (lijdend
voorwerp) mij op de eerste plaats te verzwijgen, is duidelijk
onacceptabel.
Dat weglating alleen gelinkt kan worden aan de eerste zinsplaats,
blijkt uit het volgende voorbeeld:
iii(Karel gaat morgen een nieuwe auto kopen.) Hij
|heeft| (...) nodig voor zijn werk
|Ø|.uitgesloten
Een bijwoordelijke bepaling van wijze, ten slotte, kan niet worden
weggelaten van de eerste zinsplaats:
iv(Jullie zijn via de zijingang binnengekomen.)
(...) |gaan| jullie straks ook weer naar buiten |Ø|.
uitgesloten
In (iv) leidt het verzwijgen van zo tot een onacceptabele zin.
Wat hier gezegd wordt over andere zinsdelen dan het subject geldt
overigens evenzeer voor voornaamwoordelijke bijwoorden als onderdeel van een ander zinsdeel.
Samenvattend kan worden gesteld dat persoonlijke voornaamwoorden in de functie
van object, evenals wederkerende, wederkerige, onbepaalde en negatieve
voornaamwoorden, op de eerste zinsplaats beklemtoond moeten
worden. Dit hangt samen met een contrastieve (of specifieke) interpretatie en
maakt dat het zinsdeel op de eerste zinsplaats onderdeel is van de informatieve
kern van de zin. Hierdoor schendt de zin het links-rechtsprincipe. Aanwijzende
voornaamwoorden, volle vormen van het voornaamwoordelijk bijwoord (al dan niet
vergezeld door de bijbehorende adpositie) en aanwijzende bijwoorden kunnen op de
eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven. Alleen in dat geval is hun plaatsing in
overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. Worden ze beklemtoond, dan
geldt hetzelfde als voor de overige voornaamwoorden: door de contrastieve
interpretatie maakt het element op de eerste zinsplaats deel uit van de
informatieve kern en voldoet de zin dus niet aan het links-rechtsprincipe.
Hoewel onbeklemtoonbare voornaamwoorden en het voornaamwoordelijk bijwoord er in inversiezinnen dus nooit zelfstandig op de eerste zinsplaats
staan, komen ze daar wel gemakkelijk voor als ze deel uitmaken van een groter
geheel. Dit kan worden gedemonstreerd aan de hand van het persoonlijk en
bezittelijk voornaamwoord en het voornaamwoordelijk bijwoord er:
In (9a-b) maken de gereduceerde objectsvorm je en het voornaamwoordelijk bijwoord er deel uit van een bijwoordelijke bepaling van plaats/tijd. In (9c) is
het bezittelijk voornaamwoord m'n onderdeel van het subject, en in (9d) zijn de gereduceerde
objectsvormen 't en 'm direct en indirect object van een afhankelijke zin. De genoemde
zinsdelen op de eerste zinsplaats hebben elk een groepsaccent, wat niet op de
onbeklemtoonbare woorden in kwestie kan vallen. Dit groepsaccent kan samenvallen
met een zinsaccent, zoals in (9a-b) en (9c), maar dat hoeft niet, zoals in (9c).
De functie van adpositieconstituenten is in zulke gevallen overigens beperkt tot
bepalingen, zoals in (9a-b). Bij andere zinsdeelfuncties moet het complement van
de adpositie altijd kunnen worden beklemtoond:
In (10a) fungeert aan jou als indirect object; daarover in (10c) is een voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, zie ook (7c-d)). Aangezien deze zinsdelen geen bepalingen zijn, zijn vormen
als je en er uitgesloten als complement van de adpositie.
Een zinsdeel met een substantivische nominale constituent op de eerste
zinsplaats
Het zinsdeel op de eerste zinsplaats in een (mededelende) inversiezin hoeft
uiteraard niet voornaamwoordelijk te zijn. In deze sectie worden zinnen
besproken met een substantivische nominale constituent op de eerste zinsplaats.
Die constituent kan daar zelfstandig staan of samen met een adpositie. In dat
laatste geval is de nominale constituent een complement binnen een adpositionele
constituent. In de volgende voorbeelden bestaat de nominale constituent uit een
eigennaam:
In (11a) heeft Emma de functie van direct object. In die hoedanigheid kan Emma op de eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven, conform het
links-rechtsprincipe. Wordt Emma wel beklemtoond, dan krijgt (11a) een contrastieve interpretatie,
waarbij gesuggereerd wordt dat de spreker iemand anders wel recentelijk
gesproken heeft. Dezelfde mogelijkheden gelden voor het oorzakelijk object Karel in (11b) en het indirect object Herman in (11c). Dat laatste zinsdeel kan moeiteloos worden vervangen door
een prepositioneel indirect object: aan
Herman |vertel| ik zulke dingen altijd meteen
|Ø|. Ook in andere zinsdeelfuncties kan een
adpositieconstituent met een eigennaam, al dan niet beklemtoond, op de eerste
zinsplaats staan. Voorbeelden zijn het voorzetselobject voor Emma in (11d) en de bijwoordelijke bepaling bij Karel in (11e). Bijwoordelijke bepalingen van tijd en maat bestaan soms,
evenals de bepaling van gesteldheid, uit een nominale constituent. Het voorbeeld
in (11f) laat zien dat zo'n constituent in de vorm van een eigennaam op de
eerste zinsplaats kan staan. Hetzelfde geldt voor het naamwoordelijk deel van
het gezegde in (11g), dat in het middenstuk altijd een vaste plaats inneemt. Een volgorde als in (11g) is
altijd speciaal vergeleken met hij |is| echter nooit
Federer |geworden|. Het
effect van een naamwoordelijk deel van het gezegde op de eerste zinsplaats is
dat een ander zinsdeel in het middenstuk of in de tweede pool prominenter wordt,
zoals bijvoorbeeld in Federer |is| hij
echter nooit |gewórden|. Voor alle overige
besproken zinsdelen geldt dat ze op de eerste zinsplaats dezelfde mogelijkheden
hebben als aanwijzende voornaamwoorden (en als het subject).
Een voornaamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde of
bijwoordelijke bepaling
Verdieping
Een voornaamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde of
bijwoordelijke bepaling
De voorbeelden bij de bespreking van voornaamwoorden in de voorgaande
sectie richt zich uitsluitend op het subject en de objecten. Voor de
volledigheid dient te worden vermeld dat ook het naamwoordelijk
gezegde soms de vorm van een voornaamwoord heeft. Ook in die functie kan het voornaamwoord de eerste
zinsplaats bezetten:
Net als bij het subject en de objecten geldt dat alleen een
aanwijzend voornaamwoord onbeklemtoond kan blijven (zie (i-b). De
interpretatie van onbepaalde en negatieve voornaamwoorden blijft ook
hier beperkt tot een keuze uit een zeker aantal opties, zoals de
context van (i-e-f) suggereert.
Het naamwoordelijk deel van het gezegde wordt overigens niet altijd
door een nominale constituent uitgedrukt. Net als bij
voorzetselobjecten en bijwoordelijke bepalingen kan een
adpositieconstituent de rol van naamwoordelijk deel van het gezegde
vervullen:
ii(Jij krijgt
de helft van het servies en de keukenstoelen,) van
míj |zijn| het bestek, de pannen en de
keukentafel |Ø|.
Ook in deze constructie kunnen voornaamwoorden worden gebruikt. De
volgende secties bespreken adjectivische, adverbiale en verbale
constituenten en afhankelijke zinnen. Ook die constituenten kunnen
de rol van naamwoordelijk deel van het gezegde op zich nemen.
Als bijwoordelijke bepaling komen voornaamwoorden niet of nauwelijks
voor, hoewel een onbepaald of negatief voornaamwoord soms wel dienst
kan doen als noodzakelijke bijwoordelijke bepaling van maat. Net als
het naamwoordelijk deel van het gezegde, gaat het hier dus om een
inherent zinsdeel (zie ook deze opmerking). Enkele voorbeelden
zijn:
Ook voor dit soort zinnen geldt dat de voornaamwoorden in kwestie
beperkt zijn in hun betekenis: in (ii) gaat het respectievelijk om
een lage verkoopprijs en een gering lichaamsgewicht vergeleken met
wat men mag verwachten.
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (1)
Verdieping
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (1)
Evenals het naamwoordelijk deel van het gezegde staan verplicht
aanwezige bepalingen in het middenstuk op een vaste plaats. Ze kunnen echter ook op de
eerste zinsplaats staan. Hier volgen enkele voorbeelden met een
eigennaam:
Het voorbeeld in (i-a) bevat een noodzakelijke bepaling van plaats;
het voorbeeld in (i-b) een noodzakelijke bepaling van hoedanigheid.
Net als bij een naamwoordelijk deel van het gezegde geldt dat de
volgorde in (i) bijzonder is vergeleken met bijvoorbeeld
hij |woont| inmiddels al jaren in
België |Ø|. Niet alle noodzakelijke
bepalingen kunnen in de vorm van een eigennaam verschijnen, Andere
vormen, zoals bijvoorbeeld die van een bepaalde constituent, zijn
wel mogelijk en ook dan kan de bepaling in kwestie op de eerste
zinsplaats staan. Hiervoor geldt steeds dat die woordvolgorde minder
'normaal' is dan die waarbij de bepaling in het middenstuk staat.
Ook bepaalde nominale constituenten hebben deze mogelijkheden. Zonder
beklemtoning is plaatsing voor de eerste pool conform het links-rechtsprincipe,
met beklemtoning wordt dat principe geschonden en is de betekenis
contrastief:
Ten slotte sluiten ook categoriale (13) en generieke (14) nominale constituenten
zich aan bij de eigennamen en bepaalde constituenten:
Categoriale en generieke constituenten duiden een bekend veronderstelde groep,
categorie of soort aan. Als die groep, categorie of soort al geïntroduceerd is,
kunnen de nominale constituenten die ze beschrijven in (13) en (14) zonder
beklemtoning op de eerste zinsplaats voorkomen. Met beklemtoning maakt de
constituent in kwestie deel uit van de informatieve kern en wordt er een
contrast gesuggereerd.
Onbepaalde nominale constituenten kunnen alleen op de eerste zinsplaats staan als
ze voorzien zijn van een zinsaccent:
Een zin met een onbepaalde nominale constituent op de eerste zinsplaats schendt
standaard het links-rechtsprincipe. Dit werd al opgemerkt bij de onbepaalde
voornaamwoorden in (5), en uit de voorbeelden in (15) blijkt dat
onbepaalde substantivische constituenten inderdaad dezelfde mogelijkheden hebben
als onbepaalde voornaamwoorden. De interpretatie is altijd contrastief en de
plaats waar het zinsaccent binnen de constituent valt kan verschillende
interpretaties opleveren. Zo kan de zin in (15a) betekenen dat de spreker
vandaag, in tegenstelling tot andere dagen, een (niet-specifieke) appel wil
eten. In een andere context en met andere beklemtoning is de volgende zin
denkbaar: één appel |zou| ik vandaag
|willen eten|, (en dat is een jonagold). In die
zin gaat het om een specifieke appel(soort), die wordt afgezet tegen andere
denkbare soorten. Het voorbeeld in (15d) vooronderstelt een bepaalde groep
kleinkinderen waaruit een referent gekozen wordt, een mogelijkheid die ook
beschikbaar is bij onbepaalde voornaamwoorden.
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (2)
Verdieping
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (2)
Noodzakelijke bepalingen van maat hebben bijna uitsluitend de vorm
van een onbepaalde nominale constituent:
Zie ook deze opmerking over noodzakelijke
bepalingen op de eerste zinsplaats.
Die mogelijkheid is zelfs de enige voor negatieve voornaamwoorden, zoals
besproken in (6). Ook negatieve substantivische nominale
constituenten krijgen op de eerste zinsplaats een interpretatie die het bestaan
van een verzameling of groep impliceert:
De voorbeelden in (16a/d-e) veronderstellen een bepaalde verzameling appels,
kleinkinderen of goede vrienden. De overige voorbeelden laten zien dat het
bijwoord niet met een afhankelijke zin (16b) of een bepaalde constituent (16c/g)
kan worden gecombineerd om die vervolgens af te zetten tegen iets anders: alle mooie herinneringen in (16b), een ander in (16c) en een tester in (16g). Zo'n contrastieve betekenis is niet voorhanden bij
negatieve voornaamwoorden. De betekenis van geen dag in (16f) is bijzonder in de zin dat het een tijdsduur van minder dan
één dag impliceert (zie ook deze opmerking over voornaamwoorden op de eerste zinsplaats als
naamwoordelijk deel van het gezegde).
De conclusie is dat allerlei zinsdelen in de vorm van een nominale of
adpositionele constituent op de eerste zinsplaats dezelfde eigenschappen
vertonen als hun voornaamwoordelijke tegenhangers uit de vorige sectie. Alle
varianten kunnen onbeklemtoond op de eerste zinsplaats staan, waardoor hun
plaatsing conform het links-rechtsprincipe is. Dit geldt niet voor onbepaalde en
negatieve zinsdelen: die worden op de eerste zinsplaats verplicht beklemtoond,
waardoor hun plaasting tegen het links-rechtsprincipe ingaat. In dit opzicht
gedragen ze zich precies zoals onbepaalde en negatieve voornaamwoorden.
Beklemtoning geeft meestal een specifieke, contrastieve betekenis en dat is een
betekenis die elk denkbaar zinsdeel op de eerste zinsplaats kan hebben.
Sommige bijwoordelijke bepalingen hebben de opvallende eigenschap dat ze zonder
speciale nadruk een kader in ruimte en/of tijd kunnen scheppen waarbinnen het
gebeuren van een zin moet worden gesitueerd:
De zinnen in (17b-c) kunnen heel goed als nieuwszin fungeren. Zonder voorafgaande
(talige) context kunnen ze bijvoorbeeld het begin van een nieuwsbericht vormen.
De bijwoordelijke bepalingen van tijd in (17b) en plaats in (17c) scheppen een
kader waarbinnen het aanstaande staatsbezoek aan China als nieuw feit wordt
gepresenteerd. Dit soort volgordes kunnen even neutraal zijn als (17a), waarin
het subject op de eerste zinsplaats staat. Een ander zinsdeel op de eerste
zinsplaats kan niet zonder context: het voorbeeld in (17d) is alleen
voorstelbaar in een context waarin China reeds is geïntroduceerd, of waarin
sprake is van een tegenstelling tussen dat land en een ander genoemd land. In de
volgende sectie worden voorbeelden gegeven van adverbiale constituenten met een
kaderscheppende functie.
Ten slotte dient nog te worden vermeld dat nominale en adpositieconstituenten die
deel uitmaken van een vaste verbinding minder makkelijk
toegang hebben tot de eerste zinsplaats. Dit soort constituenten behoort tot de
zogeheten inherente zinsdelen. Enkele voorbeelden zijn:
Nominale constituenten als deel van een vaste verbinding staan alleen op de
eerste zinsplaats indien ze beklemtoond worden (18a-b). Een mogelijk relevant
verschil tussen (18a) en (18b) is dat kippevel een eigen betekenis heeft, terwijl beslag alleen in combinatie met een werkwoord als leggen betekenis toevoegt. De voorbeelden in (18d-e) laten zien dat
beklemtoning van een adpositieconstituent op de eerste plaats niet altijd
noodzakelijk is, vooral in formeel taalgebruik. Het werkwoord waarmee de
constituent op de eerste zinsplaats een vaste verbinding vormt, staat bovendien
bij voorkeur in de eerste pool (18d-f).
De volgende sectie bespreekt zinnen waarbij het element op de eerste zinsplaats
adjectivisch, adverbiaal of een losstaande adpositie is. Werkwoordelijke
constituenten worden in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten, aangezien het
gezegde als geheel nooit op de eerste zinsplaats kan staan. Deelparagraaf [21.4.1.4] bespreekt gevallen waarin een deel van het
gezegde op de eerste zinsplaats staat. Ook komen daar gevallen aan bod waarin
een deel van het gezegde juist samen met een object en/of bepaling de eerste
zinsplaats inneemt.
Niet-nominale constituenten als object
Verdieping
Niet-nominale constituenten als object
Net als bij het subject het geval is, kan ook een object
sporadisch de vorm van een niet-nominale constituent aannemen.
Aangenomen mag worden dat die zich met betrekking tot de eerste
zinsplaats precies zo gedragen als nominale constituenten. Enkele
voorbeelden van het direct object zijn:
Deze mogelijkheden worden hier verder niet expliciet besproken; afhankelijke zinnen komen verderop in deze
deelparagraaf aan bod.
Een adjectivische constituent, adverbiale constituent of losstaande adpositie
op de eerste zinsplaats
Zinsdelen in de vorm van een adjectivische constituent
fungeren als bijwoordelijke bepaling, als bepaling van gesteldheid of als
naamwoordelijk deel van het gezegde. In die hoedanigheid kunnen ze op de eerste
zinsplaats staan:
Adjectivische constituenten verwijzen niet naar personen of zaken, zoals nominale
constituenten. Toch kan een adjectivische constituent onbeklemtoond op de eerste
zinsplaats voorkomen, bijvoorbeeld als de eigenschap die de constituent uitdrukt
al onderwerp van gesprek is. De context in de zinnen van (17) tonen dit aan. In
de meeste gevallen, echter, zal een een dergelijke context bij dit soort zinnen
ontbreken en wordt de adjectivische constituent beklemtoond. In dat geval maakt
de constituent deel uit van de informatieve kern van de zin.
Zinsdelen in de vorm van een adverbiale constituent fungeren
hoofdzakelijk als bijwoordelijke bepaling. Dit kwam eerder aan de orde bij de
bespreking van (8) en deze opmerking. Verschillende typen adverbiale constituenten kunnen in
die functie op de eerste zinsplaats staan, en wel zonder speciale nadruk. Om te
beginnen zijn er de bijwoordelijke bepalingen die een
kaderscheppende functie hebben, net als de nominale en
adpositionele constituenten in (17):
Het voorbeeld in (20c) laat zien dat een kaderscheppende bijwoordelijke bepaling
van tijd ook een frequentie kan aanduiden. Ook bepalingen die een
zinsverbindende functie hebben, kunnen de eerste
zinsplaats bezetten zonder daarbij het links-rechtsprincipe te schenden. Ten
eerste zijn er allerlei 'rangschikkende'
elementen die het begin of de voortgang van een opsomming of van
een logische uiteenzetting aanduiden, zoals in de volgende voorbeelden:
Als dit soort structurerende elementen benadrukt wordt, is het aannemelijk dat ze
een contrastieve interpretatie hebben. Ze kunnen immers worden afgezet tegen de
voorgaande of volgende zin. De tweede categorie wordt gevormd door
voegwoordelijke bijwoorden. Deze bijwoorden signaleren een verband tussen de zin
waarin ze voorkomen en de voorgaande. Ook deze categorie kan zonder speciale
nadruk op de eerste zinsplaats staan:
Niet alle voegwoordelijke bijwoorden hebben toegang tot de eerste zinsplaats.
Bekende uitzonderingen zijn echter, immers, en bijvoorbeeld:
Dat deze uitzondering niet te wijten is aan de betekenis van de voegwoordelijke
bijwoorden in kwestie, blijkt uit een zin als zo |kun| je
een warming-up |inlassen|, die nagenoeg synoniem
is aan (23e-f). Behalve in het middenstuk (23b/d/f) kunnen de bijwoorden in
kwestie meestal ook in de aanloop staan:
immers, ik |heb| het zelf
|gezien|.
Ook zonder nadruk komen op de eerste zinsplaats bijwoordelijke
bepalingen van modaliteit voor. Enkele voorbeelden zijn:
Status onduidelijk
Verdieping
Status onduidelijk
Volgens de website Taaladvies.net is de
status van de bovenstaande voorbeelden onduidelijk. Zinnen met echter en immers op de eerste zinsplaats zijn in de formele schrijftaal
niet toegestaan, al zijn er taalgebruikers die deze norm niet delen.
Hetzelfde geldt mogelijk ook voor bijvoorbeeld en trouwens.
Bij neutrale beklemtoning heeft de bepaling van modaliteit meestal bereik over de hele zin. Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer in
(24a) het belangrijkste zinsaccent op China ligt, de spreker/schrijver het nieuwsfeit over het staatbezoek aan
China waarschijnlijk acht. In dat geval volgt de zin het links-rechtsprincipe.
Ligt dat accent op komende zomer, dan kan het staatsbezoek aan China een (bekend) gegeven zijn, waar
de zin aan toevoegt dat het waarschijnlijk komende zomer gaat plaatsvinden.
Indien waarschijnlijk zelf (ook) een zinsaccent krijgt, dan belicht de spreker/schrijver
het feit dat het niet helemaal zeker is dat de inhoud van de zin bewaarheid
wordt. Het voorbeeld in (24b) laat zien dat bepalingen van modaliteit niet
alleen door adverbiale bepalingen worden uitgedrukt: onder andere
adpositieconstituenten kunnen deze functie eveneens vervullen.
Ten slotte kunnen ook negatieve adverbiale constituenten op de eerste zinsplaats
voorkomen. Zoals het geval is bij negatieve voornaamwoorden, nominale en
adpositieconstituenten, staan negatieve adverbiale constituenten alleen met
speciale nadruk aan het begin van de zin:
In tegenstelling tot de voorbeelden in (25a-b) is een zin met niet als enige element op de eerste zinsplaats alleen mogelijk in sterk
contrastieve contexten als in (25c). Hetzelfde geldt voor het bijwoord van
bevestiging wel (25d).
Vlak voor de tweede pool kan zich in het middenstuk een losstaande adpositie ophouden. Losstaande adposities
sluiten wat de plaatsing in het middenstuk aan bij inherente zinsdelen. Eén type
losstaande adpositie komt soms op de eerste zinsplaats voor. Het gaat hier om
het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord,
ook wel partikel genoemd. Nog meer dan bij vaste
verbindingen het geval is, neigen taalgebruikers er bij deze
partikels naar het bijbehorende werkwoord in de eerste pool te plaatsen, zoals
het geval is in (26a/c):
Een partikel op de eerste zinsplaats kan onbeklemtoond blijven, maar ook voorzien
zijn van speciale nadruk. Net als bij inherente zinsdelen geldt dat de volgorde
bijzonder is vergeleken met die waarbij het partikel in het middenstuk staat. De
voorbeelden in (26b/d) illustreren dat een partikel moeilijk op de eerste
zinsplaats kan staan indien het bijbehorende werkwoord in de tweede pool staat.
In het algemeen geldt dat dit type zin aanvaardbaarder is naarmate het partikel
een duidelijk antoniem heeft, zoals voor een antoniem is van tegen. Andere voorbeelden zijn invoeren versus uitvoeren en opgaan versus ondergaan (van zon of maan). Hiermee hangt overigens samen dat naarmate het
partikel qua betekenis nauwer met het werkwoord samenhangt, de mogelijkheid om
het apart op de eerste zinsplaats te zetten kleiner lijkt te worden. Dit blijkt
uit het volgende voorbeeld:
27Mee |is| hij altijd met elke
nieuwigheid |gelopen|uitgesloten
Splitsing van meelopen is in deze zin is onacceptabel omdat meelopen met zoiets als slaafs navolgen betekent, in tegenstelling tot het letterlijke meegaan in (26a-b).
Scheidbare werkwoorden integraal op de eerste zinsplaats
Verdieping
Scheidbare werkwoorden integraal op de eerste zinsplaats
Een alternatief voor (26b/d) is vooropplaatsing van het ongesplitste
infiniete werkwoord:
Bij deze voorbeelden staat er een deel van het werkwoordelijk gezegde
op de eerste zinsplaats. Deze mogelijkheid hangt samen met de
mogelijkheid om een deel van een constituent op de eerste zinsplaats
te zetten, zoals besproken wordt in [21.4.1.4] Een deel van een constituent op de
eerste zinsplaats.
Het partikel in de voorbeelden die tot nu toe gegeven zijn, is terug te voeren op
een adpositie. Een scheidbaar deel dat teruggaat op een adjectief of een
substantief, zoals in volladen, buitmaken, en kaartspelen, komt niet gauw alleen op de eerste zinsplaats voor. Toch is
bijvoorbeeld bij het werkwoord doodgaan wel een zin mogelijk als:
28Dood
|gaan| we uiteindelijk allemaal.
Bij vaststaan is de verbinding vast staat dat (...), tamelijk ingeburgerd:
29Vast
|stond| |Ø| dat de burgemeester valsheid in geschrifte gepleegd
heeft.
Belangrijk is hier dat ook deze twee zinnen weer demonstreren dat scheidbaar deel
en werkwoord bij voorkeur vlak naast elkaar vooraan in de zin staan.
Een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats
In [21.4.1.2] Het subject op de eerste zinsplaats is
gedemonstreerd dat een afhankelijke zin met de functie van subject op de eerste
zinsplaats kan staan. Hetzelfde geldt voor afhankelijke zinnen die andere
zinsdeelfuncties vervullen:
Afhankelijke zinnen op de eerste zinsplaats kunnen verschillende vormen aannemen,
zoals bijvoorbeeld die van een afhankelijke mededeling (30a-b) of een
betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent (30c/e). Net als de meeste andere
constituenten kan een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats voldoen aan het
links-rechtsprincipe of daar juist tegen ingaan. Als (30a) bijvoorbeeld direct
volgt op een verwijt over Emma's geringe vermogen lang bij dezelfde werkgever te
blijven, zal de afhankelijke zin niet beklemtoond worden. Als Emma verschillende
verwijten heeft gekregen, kan de afhankelijke zin juist benadrukt worden vanwege
het contrast met die andere verwijten. Bepalingszinnen kunnen, net als
adverbiale constituenten, op de eerste zinsplaats een kaderscheppende functie hebben. Dit is met name het geval bij
voorwaardelijke bijzinnen als (30f) en tijdszinnen:
[nadat hij zijn diploma had
gehaald] |kon| Karel zich eindelijk in|schrijven| in het
beroepsregister.
Sommige typen afhankelijke zin hebben geen toegang tot de eerste zinsplaats.
Deelparagraaf [21.4.1.1] bespreekt afhankelijke zinnen met de functie
van voorzetselobject en diverse bijwoordelijke bepalingen. Die zinnen staan
ofwel op de laatste zinsplaats, ofwel buiten de eigenlijke zin, in
de aanloop, dus nog voor de eerste zinsplaats, of de uitloop, dus achter de laatste zinsplaats.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
