Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.4.1.3 Een ander zinsdeel dan het subject op de eerste zinsplaats
Wanneer er een ander zinsdeel dan het subject (onderwerp) op de eerste zinsplaats staat, staat het subject zelf in het middenstuk: Emma |zou| ik vandaag |willen spreken| over onze strategie. De persoonsvorm (pv), die bij zinstype 1a in de eerste pool staat, gaat daarbij vooraf aan het subject. Dit verschijnsel wordt inversie genoemd. Buiten het werkwoordelijk (deel van het) gezegde, dat immers samenvalt met de polen van de zin, kan bijna ieder denkbaar niet-subject op de eerste zinsplaats staan: vandaag |zou| ik Emma |willen spreken| over onze strategie, over onze strategie |zou| ik Emma vandaag |willen spreken|. Alleen onbeklemtoonbare voornaamwoorden (in de functie van object), het niet-presentatieve er en enkele inherente zinsdelen zijn structureel uitgezonderd van die positie.
Evenals het subject kunnen andere zinsdelen op de eerste zinsplaats een geringe informatiewaarde hebben ten opzichte van de rest van de zin. In zo'n geval kan de zin aan het links-rechts-principe voldoen. Dit is mogelijk als het element op de eerste zinsplaats een aanwijzend voornaamwoord of voornaamwoordelijk bijwoord is ((Hoe gaat het met Emma's broertje?) Die |ken| ik helemaal niet |Ø|, Daar |heb| ik niets over |gehoord|). Ook de aanwijzende bijwoorden zo, toen en dan hebben deze mogelijkheid. Andere voornaamwoorden kunnen alleen met nadruk op de eerste zinsplaats staan: míj |is| niets gevraagd |Ø|, zichzélf |houdt| Emma uit de wind |Ø|, (n)íéts |ga| ik |doen|. In zo'n geval is de interpretatie contrastief (of verplicht specifiek) en maakt het zinsdeel op de eerste zinsplaats deel uit van de informatieve kern van de zin. In zo'n zin wordt het links-rechtsprincipe dan ook geschonden.
Ook zinsdelen in de vorm van een substantivische naamwoordelijke constituent of adpositieconstituent staan, al dan niet beklemtoond, op de eerste zinsplaats: dat broertje |heb| ik vorige week |ontmoet|, van haar zús |weet| ik niks |Ø|, met een oudere broer of zus |kun| je de hele wereld aan |Ø|. Ook hier kan de zin in overeenstemming zijn met het links-rechtsprincipe of daartegen ingaan. Dat laatste is per definitie het geval als het zinsdeel op de eerste zinsplaats onbepaald of negatief is: twéé broertjes |heb| ik daar |gezien|, zónder broertje |zou| Emma het maar saai |vinden|. Bijwoordelijke bepalingen van tijd en plaats kunnen een kaderscheppende functie hebben, waardoor ze bijvoorbeeld zonder speciale nadruk een zogenaamde nieuwszin kunnen openen: op vrijdag |krijgt| Emma een nieuwe internetaansluiting |Ø|, in het centrum van Tilburg |zijn| de winkels elke zondag open |Ø|. Voor inherente zinsdelen geldt verder dat, of ze nu nadruk krijgen of niet, een plek voor de eerste pool altijd bijzonder is vergeleken met de gebruikelijke plaatsing vlak voor de tweede pool: dokter |wilde| hij graag binnen een jaar |worden|, tien euro |kost| dat makkelijk |Ø|.
Adjectivische en adverbiale constituenten kunnen met of zonder nadruk op de eerste zinsplaats staan: léúk |is| dit misschien niet |Ø|, dikwijls |heeft| Emma last van haar broertje |Ø|. De laatste categorie bevat elementen die kaderscheppend, rangschikkend of zinsverbindend zijn en daardoor makkelijk zonder nadruk op de eerste zinsplaats staan: soms |kan| ze haar broertje wel achter het behang |plakken|, vervolgens |krijgt| ze meteen spijt |Ø| van die gedachte. Negatieve en onbepaalde bijwoorden als (n)ooit en (n)ergens kunnen daarentegen juist alleen in beklemtoonde vorm de eerste zinsplaats bezetten. Dat laatste geldt ook voor het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord, al komt dat soms ook zonder klemtoon op de eerste zinsplaats. Ten slotte hebben afhankelijke zinnen in verschillende zinsdeelfuncties op de eerste zinsplaats weer dezelfde mogelijkheden als nominale en adpositieconstituenten: [dat Emma veel van haar broertje houdt] |heb| ik met eigen ogen |kunnen zien|.
Verder lezen
Een voornaamwoord of (voornaamwoordelijk) bijwoord op de eerste zinsplaats
Wanneer het subject (onderwerp) in zinstype 1a in het middenstuk staat, volgt het op de persoonsvorm (pv) in de eerste pool. Dit woordvolgordeverschijnsel heet inversie en heeft als bijkomend effect dat de eerste zinsplaats beschikbaar is voor een ander zinsdeel dan het subject. Zoals besproken in [21.4.1.2] Het subject op de eerste zinsplaats leent de eerste zinsplaats zich om te beginnen voor zinsdelen met een gering informatief belang. Dit is namelijk in overeenstemming met het links-rechtsprincipe, dat dicteert dat het informatieve belang van een zinsdeel toeneemt naarmate het verder naar rechts in de zin staat (of later wordt uitgesproken). Persoonlijke voornaamwoorden, en dan met name de gereduceerde en overige onbeklemtoonbare vormen, verwijzen doorgaans naar personen of zaken die reeds geïntroduceerd zijn en die geen onverwachte rol spelen in de voorstelling van zaken. Hoewel zulke vormen met de functie van subject veelvuldig op de eerste zinsplaats staan, blijkt dit juist niet mogelijk te zijn voor objectsvormen:
1Gereduceerde en overige onbeklemtoonbare objectsvormen: niet op de eerste zinsplaats
a(Waarom ben je zo laat?) Me |belden| mijn ouders |Ø| net toen ik wilde vertrekken.uitgesloten
b(Het spijt me!) Je |vergeef| ik 't |Ø|.uitgesloten
c(Heb je nog gesport de laatste tijd?) 't/Het |ga| ik toevallig morgen |doen|.uitgesloten
d(Karel drinkt geen alcohol.) 'm |Geven| we dus maar een cola |Ø|.uitgesloten
e(Emma heeft nog niets te drinken.) 'r |Schenk| ik wel even iets in|Ø|.uitgesloten
f(Heb je die documentaire over katachtigen gezien? Nee,) ze |vind| ik totaal oninteressant |Ø|.uitgesloten
De zinnen in (1) zijn allemaal onacceptabel vanwege het onbeklemtoonbare persoonlijk voornaamwoord op de eerste zinsplaats. Wanneer dit in het middenstuk staat en een ander zinsdeel de eerste zinsplaats bezet, zijn de zinnen wel acceptabel. Dit blijkt uit zinnen als mijn ouders |belden| me |Ø| net toen ik wilde vertrekken en ik |vergeef| 't je |Ø|. De voorbeelden in (1b), (1c) en (1f) tonen verder aan dat de onacceptabiliteit wordt veroorzaakt door het feit dat de onbeklemtoonde voornaamwoorden de functie van (direct) object hebben (lijdend, meewerkend voorwerp, et cetera). De vormen je, 't, het en ze kunnen namelijk ook dienen als subject. In die hoedanigheid kunnen ze juist wel gemakkelijk de eerste zinsplaats bezetten.
Uitzondering voor me dunkt
Verdieping
Uitzondering voor me dunkt
Een uitzondering op de beperking met betrekking tot gereduceerde objectsvormen op de eerste zinsplaats wordt gevormd door de vaste verbinding me |dunkt|. De gereduceerde objectsvorm me kan in deze verbinding op de eerste zinsplaats staan, in tegenstelling tot het voorbeeld in (1c). Net als gereduceerde subjectsvormen blijft me onbeklemtoond.
Andere voornaamwoorden met een functie anders dan die van subject worden wel met regelmaat op de eerste zinsplaats aangetroffen. Achtereenvolgens komen hier de volgende soorten aan bod: persoonlijke voornaamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, wederkerende voornaamwoorden, het wederkerig voornaamwoord, onbepaalde en negatieve woorden. Ten slotte passeren voornaamwoordelijke bijwoorden de revue, evenals enkele bijwoorden en voegwoordelijke bijwoorden.
Objectsvormen van het persoonlijk voornaamwoord komen, indien ze beklemtoonbaar zijn, op de eerste zinsplaats voor. De voorbeelden in (2) illustreren dit:
2Beklemtoonbare objectsvormen op de eerste zinsplaats
a(Heb jij pa en ma nog gesproken?) Míj |hebben| ze kennelijk |gebeld| toen ik al onderweg was.
b(Het spijt me!) Jóú |vergeef| ik 't (wel) |Ø|.
c(Heb je nog gesport de laatste tijd?) Dat |ga| ik toevallig morgen |doen|.
d(Karel drinkt geen alcohol.) Die/hém |geven| we dus maar een cola |Ø|.
e(Emma heeft nog niets te drinken.) Die/háár |schenk| ik wel even iets in|Ø|.
f(Heb je die documentaire over katachtigen gezien? Nee,) die |vind| ik volstrekt oninteressant |Ø|.
Het eerste voorbeeld heeft een specifiekere context nodig dan de meer neutrale variant ze |hebben| me/mij kennelijk |gebeld| toen ik al onderweg was. Het zinsaccent op mij in (2a) signaleert een contrast tussen de spreker en de aangesprokene. Zonder accent ligt deze zin niet erg voor de hand, wat suggereert dat het direct object (lijdend voorwerp) op de eerste zinsplaats deel uitmaakt van de informatieve kern van de zin. Daarmee wijkt de woordvolgorde van (2a) af van het links-rechtsprincipe. Iets soortgelijks geldt voor jou in (2b), hem in (2d), haar in (2e) en de meervoudige objectsvormen ons, jullie en hen/hun. Op de eerste zinsplaats lijken deze vormen altijd (enigszins) te worden beklemtoond, overeenkomstig een zeker contrast. Zo is de context waarin (2b) kan worden gebruikt specifieker dan die van een zin als ik |vergeef| 't je/jou (wel) |Ø|.
Ook aanwijzende voornaamwoorden in objectsfunctie kunnen op de eerste zinsplaats staan. De beklemtoonde vormen hem en haar in (2d-e) hebben een alternatief in de vorm van die. Dit aanwijzend voornaamwoord kan beklemtoond worden, maar dat is niet noodzakelijk. Het klemtoonverloop van die |geven| we dus maar een cola |Ø| (2d) kan dus even neutraal zijn als dat van we |geven| 'm/hem/die dus maar een cola |Ø|, met het belangrijkste zinsaccent op cola. Op dezelfde manier kan (2c) gelijkwaardig zijn aan ik |ga| 't/het/dat toevallig morgen |doen| (met het belangrijkste zinsaccent op morgen) en (2f) gelijkwaardig aan ik |vind| ze/die totaal oninteressant |Ø| (met het belangrijkste zinsaccent op totaal). Dit betekent dat een onbeklemtoond aanwijzend voornaamwoord in objectsfunctie op de eerste zinsplaats in overeenstemming met het links-rechtsprincipe is.
Wederkerende voornaamwoorden kunnen alleen op de eerste zinsplaats staan als ze versterkt zijn met -zelf. Net als bij de objectvormen van het persoonlijk voornaamwoord wijst dit op een noodzakelijk zinsaccent: zonder dit achtervoegsel kan een wederkerend voornaamwoord niet worden beklemtoond. De versterkte vormen blijken met name voor te komen bij toevallige verbindingen zoals zich inschenken:
3Wederkerende voornaamwoorden: alleen de beklemtoonbare variant op de eerste zinsplaats
a(De kleintjes kregen diksap.) Zichzélf |schonken| de ouders iets sterkers in |Ø|.
bZich |schonken| de ouders iets sterkers in |Ø|.uitgesloten
cZe |hoefden| zichzelf niet |te haasten|.informeel
dZichzélf |hoefden| ze niet |te haasten|.uitgesloten
eZich |hoefden| ze niet |te haasten|.uitgesloten
Bij toevallig wederkerende werkworden vervult het wederkerend voornaamwoord de functie van van (in)direct object. Het kan daarbij contrasteren met een ander mogelijk object, waardoor het beklemtoonbaar moet zijn. Verplicht wederkerende werkwoorden zoals zich haasten hebben die optie niet, hoewel ze in informeel taalgebruik soms ook een versterkte vorm van het wederkerend voornaamwoord toelaten (3c). In zo'n geval is beklemtoning niet mogelijk, waardoor het wederkerend voornaamwoord geweerd wordt van de eerste zinsplaats (3d).
Ook het wederkerig voornaamwoord elkaar komt voor op de eerste zinsplaats:
4Wederkerige voornaamwoorden: alleen beklemtoond op de eerste zinsplaats
(De deelnemers aan de speeddate hadden elkaars familie al ontmoet, maar) elkáár |kenden| ze nog niet |Ø|.
Evenals wederkerende voornaamwoorden moet het wederkerig voornaamwoord op de eerste zinsplaats worden beklemtoond. Dat wijst erop dat het hier wederom om een noodzakelijk zinsaccent gaat. De interpretatie van een wederkerend of wederkerig voornaamwoord op de eerste zinsplaats is altijd contrastief: de referent van het voornaamwoord wordt afgezet tegen een andere referent: de kleintjes in (3a) en elkaars familie in (4).
Onbepaalde voornaamwoorden in de hoedanigheid van object worden op de eerste zinsplaats altijd beklemtoond :
5Onbepaalde voornaamwoorden: alleen beklemtoond op de eerste zinsplaats
aÍéts |moet| je |eten| voordat je weggaat.
bÍémand |zou| ik wel |willen spreken|, (maar dat kan nu eenmaal niet.)
Anders dan neutraal beklemtoonde zinnen als je |moet| iets |eten| voordat je weggaat en ik |zou| wel iemand |willen spreken| kunnen de zinnen in (5) alleen een betekenis hebben waarbij de spreker of schrijver in gedachten heeft wat de aangesprokene moet eten (5a) of waarbij de spreker een specifieke persoon te spreken zou willen krijgen (5b). Met andere woorden, de onbepaalde voornaamwoorden in (5) kunnen alleen specifiek onbepaald zijn. Wanneer deze woorden in het middenstuk staan, is ook een niet-specifiek onbepaalde betekenis mogelijk, waarbij het niet uitmaakt wat de aangesprokene eet of de wie de spreker te spreken krijgt.
De zinnen in (5) zijn ook voorstelbaar in een context waarin de spreker een zeker aantal eetopties of gesprekspartners in gedachten heeft waaruit gekozen moet worden. Eenzelfde betekenis wordt opgeroepen door negatieve voornaamwoorden op de eerste zinsplaats:
6Negatieve voornaamwoorden: alleen beklemtoond op de eerste zinsplaats
aNíéts |vindt| Emma tegenwoordig de moeite waard |Ø|.
bNíémand |ben| ik tegen|gekomen|.
Net als onbepaalde voornaamwoorden krijgen negatieve voornaamwoorden op de eerste zinsplaats altijd een zinsaccent. De gegeven voorbeelden zijn alleen mogelijk in een context waarin Emma voorheen een zeker aantal dingen de moeite waard vond (6a), of waarbij de spreker niemand uit een zekere verzameling mensen is tegengekomen. Die betekenis is niet per se aanwezig wanneer een negatief voornaamwoord in het middenstuk staat. In zinnen als Emma |vindt| tegenwoordig niets de moeite waard |Ø| en ik |ben| niemand tegen|gekomen| kan het om niets of niemand in het algmeen gaan. Datzelfde geldt overigens als de eerste zinsplaats bezet wordt door een negatief subject.
Voornaamwoordelijke bijwoorden vertonen hetzelfde gedrag als persoonlijke en aanwijzende voornaamwoorden. De gereduceerde vorm er kan niet op de eerste zinsplaats staan; beklemtoonbare vormen als daar kunnen dat wel:
7Voornaamwoordelijke bijwoorden: alleen de beklemtoonbare variant op de eerste zinsplaats
a(Hij woont al twintig jaar in Tilburg.) Er |heeft|-ie jaren geleden |gestudeerd|.uitgesloten
bDaar |heeft|-ie jaren geleden |gestudeerd|.
cErover |vertelt|-ie altijd de sterkste verhalen |Ø|.uitgesloten
dDaarover |vertelt|-ie altijd de sterkste verhalen |Ø|.
De voornaamwoordelijke bijwoorden in (7a-b) fungeren als bijwoordelijke bepaling van plaats. De eerste zinsplaats in (7a) bevat dan ook een locatief er. Elders is reeds opgemerkt dat het onbeklemtoonbare er alleen op de eerste zinsplaats kan staan indien het een presentatieve functie heeft, zoals in er |schijnt| ook een broer van 'm |te wonen|. In dat voorbeeld introduceert er het onbepaalde subject een broer van 'm. Tegelijkertijd kan er verwijzen naar een locatie als in Tilburg. De zin is acceptabel omdat de locatieve functie van het voornaamwoordelijk samenvalt met de presentatieve. De beklemtoonbare vorm daar in (7b) kan, net als de aanwijsbare voornaamwoorden die en dat, onbeklemtoond blijven of beklemtoond worden. Alleen in het eerste geval is de informatiestructuur van (7b) gelijkwaardig aan een neutraal beklemtoonde zin als hij |heeft| daar jaren geleden |gestudeerd|. De voorbeelden in (7c-d) laten zien dat hetzelfde effect optreedt als het voornaamwoordelijk bijwoord samen met de bijbehorende adpositie op de eerste zinsplaats staat: dit is onmogelijk met het onbeklemtoonbare er. Hieronder wordt in (9) een uitzondering op deze regel besproken. De mogelijkheid om voornaamwoordelijke bijwoorden te splitsen van hun adpositie wordt (onder andere) besproken in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats. Voor het vragende voornaamwoordelijk bijwoord waar is dit beschreven in [21.4.1] De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een voor-pv).
Aanwijzende bijwoorden als toen, dan en zo verwijzen naar een tijdstip, periode of wijze die duidelijk wordt uit de context of uit de situatie. Ze lijken daarin op aanwijzende voornaamwoorden en voornaamwoordelijke bijwoorden, die naar personen, zaken of locaties verwijzen:
8Bijwoorden van tijd en wijze op de eerste zinsplaats
a(Zij is in 1990 geboren.) Toen |had| nog niemand een mobiele telefoon |Ø|.
b(Jullie zijn via de zijingang binnengekomen.) Zo |gaan| jullie straks ook weer naar buiten |Ø|.
Ook deze bijwoorden kunnen desgewenst onbeklemtoond blijven, waardoor de plaatsing in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. In dat geval is (5a) dus vergelijkbaar met niemand |had| toen nog een mobiele telefoon |Ø| en (5b) met jullie |gaan| straks zo ook weer naar buiten |Ø|.
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (2)
Verdieping
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (2)
Zoals besproken in deze opmerking blijft de eerste zinsplaats in zinstype 1a soms leeg. Zulke taaluitingen, die tot de informele taal behoren, zijn alleen te begrijpen onder de aanname dat er wel een element op de eerste zinsplaats staat, maar dat dat element zo voor de hand ligt dat het verzwegen wordt. Enkele voorbeelden met niet-subjecten op de eerste zinsplaats zijn:
ia(Karel gaat morgen een nieuwe auto kopen.) (...) |Heeft|-ie nodig voor zijn werk |Ø|.informeel
b(Hij wil naar die nieuwe showroom op het industrieterrein.) (...) |Schijnen| ze lekkere koffie |te serveren|, (ook als je alleen maar rond wil kijken.)informeel
c(Het wordt morgen prachtig weer) (...) |Gaat|-ie zeker iets |drinken| op een terras!informeel
De voorbeelden in (i) worden begrepen met verwijzingen naar respectievelijk een direct object (een nieuwe auto), een bijwoordelijke bepaling van plaats (die nieuwe showroom op het industrieterrein) en van tijd (morgen) op de eerste zinsplaats. Deze zinsdelen kunnen worden afgeleid uit de talige context. Indien ze wel worden vermeld, krijgen ze de vorm van een onbeklemtoond element: die |heeft|-ie nodig voor zijn werk |Ø|, daar |schijnen| ze lekkere koffie |te serveren|, dan |gaat|-ie zeker iets |drinken| op een terras!
Zoals gedemonstreerd in (1) en (2) worden objectsvormen van het persoonlijk voornaamwoord altijd beklemtoond als ze naar een eerste of tweede persoon verwijzen. Weglating van zulke voornaamwoorden blijkt dan ook onmogelijk:
ii(Ik kwam Karel gisteren tegen.) (...) |heeft| hij op een uitgebreide lunch |getrakteerd|. uitgesloten
Dit voorbeeld, waarin geprobeerd is het direct object (lijdend voorwerp) mij op de eerste plaats te verzwijgen, is duidelijk onacceptabel.
Dat weglating alleen gelinkt kan worden aan de eerste zinsplaats, blijkt uit het volgende voorbeeld:
iii(Karel gaat morgen een nieuwe auto kopen.) Hij |heeft| (...) nodig voor zijn werk |Ø|.uitgesloten
Een bijwoordelijke bepaling van wijze, ten slotte, kan niet worden weggelaten van de eerste zinsplaats:
iv(Jullie zijn via de zijingang binnengekomen.) (...) |gaan| jullie straks ook weer naar buiten |Ø|. uitgesloten
In (iv) leidt het verzwijgen van zo tot een onacceptabele zin.
Wat hier gezegd wordt over andere zinsdelen dan het subject geldt overigens evenzeer voor voornaamwoordelijke bijwoorden als onderdeel van een ander zinsdeel.
Samenvattend kan worden gesteld dat persoonlijke voornaamwoorden in de functie van object, evenals wederkerende, wederkerige, onbepaalde en negatieve voornaamwoorden, op de eerste zinsplaats beklemtoond moeten worden. Dit hangt samen met een contrastieve (of specifieke) interpretatie en maakt dat het zinsdeel op de eerste zinsplaats onderdeel is van de informatieve kern van de zin. Hierdoor schendt de zin het links-rechtsprincipe. Aanwijzende voornaamwoorden, volle vormen van het voornaamwoordelijk bijwoord (al dan niet vergezeld door de bijbehorende adpositie) en aanwijzende bijwoorden kunnen op de eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven. Alleen in dat geval is hun plaatsing in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. Worden ze beklemtoond, dan geldt hetzelfde als voor de overige voornaamwoorden: door de contrastieve interpretatie maakt het element op de eerste zinsplaats deel uit van de informatieve kern en voldoet de zin dus niet aan het links-rechtsprincipe.
Hoewel onbeklemtoonbare voornaamwoorden en het voornaamwoordelijk bijwoord er in inversiezinnen dus nooit zelfstandig op de eerste zinsplaats staan, komen ze daar wel gemakkelijk voor als ze deel uitmaken van een groter geheel. Dit kan worden gedemonstreerd aan de hand van het persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord en het voornaamwoordelijk bijwoord er:
9Onbeklemtoonbare voornaamwoorden en er als onderdeel van een zinsdeel op de eerste zinsplaats
a(Laat me die foto eens bekijken:) náást je |staat| zeker je zus |Ø|?
b(Laten we de keuken nog vóór het eten even opruimen.) Erná |kunnen| we dan lekker op de bank |gaan zitten|.
cM'n móéder |begint| zich steeds beter |te voelen|.
d(Natuurlijk mocht je Wilbert op termijn wel over mijn ontslag vertellen, maar) dat je 't 'm metéén verteld hebt |vind| ik echt niet zo handig |Ø|.
In (9a-b) maken de gereduceerde objectsvorm je en het voornaamwoordelijk bijwoord er deel uit van een bijwoordelijke bepaling van plaats/tijd. In (9c) is het bezittelijk voornaamwoord m'n onderdeel van het subject, en in (9d) zijn de gereduceerde objectsvormen 't en 'm direct en indirect object van een afhankelijke zin. De genoemde zinsdelen op de eerste zinsplaats hebben elk een groepsaccent, wat niet op de onbeklemtoonbare woorden in kwestie kan vallen. Dit groepsaccent kan samenvallen met een zinsaccent, zoals in (9a-b) en (9c), maar dat hoeft niet, zoals in (9c). De functie van adpositieconstituenten is in zulke gevallen overigens beperkt tot bepalingen, zoals in (9a-b). Bij andere zinsdeelfuncties moet het complement van de adpositie altijd kunnen worden beklemtoond:
10aAan jou |heeft| ze geen minuut meer |gedacht|.
bAan je |heeft| ze geen minuut meer |gedacht|.uitgesloten
cDaarover |wil| ik je morgen graag even |spreken|.
dErover |wil| ik je morgen graag even |spreken|.uitgesloten
In (10a) fungeert aan jou als indirect object; daarover in (10c) is een voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, zie ook (7c-d)). Aangezien deze zinsdelen geen bepalingen zijn, zijn vormen als je en er uitgesloten als complement van de adpositie.
Een zinsdeel met een substantivische nominale constituent op de eerste zinsplaats
Het zinsdeel op de eerste zinsplaats in een (mededelende) inversiezin hoeft uiteraard niet voornaamwoordelijk te zijn. In deze sectie worden zinnen besproken met een substantivische nominale constituent op de eerste zinsplaats. Die constituent kan daar zelfstandig staan of samen met een adpositie. In dat laatste geval is de nominale constituent een complement binnen een adpositionele constituent. In de volgende voorbeelden bestaat de nominale constituent uit een eigennaam:
11Eigennamen op de eerste zinsplaats
a(Heeft Emma nog naar mij gevraagd? Geen idee,) Emma |heb| ik al heel lang niet |gesproken|!
b(En Karel?) Karel |ben| ik echt beu |Ø|.
c(Heb je het nog met Herman over je burn-out gehad? Ja,) Herman |vertel| ik zulke dingen altijd meteen |Ø|.
d(Heeft Emma een goede band met haar schoonouders? Zeker,want) voor Emma |hebben| ze altijd een zwak |gehad|.
e(Hoe komt het dat Karel zo veel vrienden heeft? Tja,) bij Karel |voelt| men zich nu eenmaal snel op z'n gemak |Ø|.
f(Het Pinksterweekend komt eraan!) Pinksteren |wil| ik in ieder geval vrij |zijn|.
g(Karels tennisidool is Roger Federer.) Federer |is| hij echter nooit |geworden|.
In (11a) heeft Emma de functie van direct object. In die hoedanigheid kan Emma op de eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven, conform het links-rechtsprincipe. Wordt Emma wel beklemtoond, dan krijgt (11a) een contrastieve interpretatie, waarbij gesuggereerd wordt dat de spreker iemand anders wel recentelijk gesproken heeft. Dezelfde mogelijkheden gelden voor het oorzakelijk object Karel in (11b) en het indirect object Herman in (11c). Dat laatste zinsdeel kan moeiteloos worden vervangen door een prepositioneel indirect object: aan Herman |vertel| ik zulke dingen altijd meteen |Ø|. Ook in andere zinsdeelfuncties kan een adpositieconstituent met een eigennaam, al dan niet beklemtoond, op de eerste zinsplaats staan. Voorbeelden zijn het voorzetselobject voor Emma in (11d) en de bijwoordelijke bepaling bij Karel in (11e). Bijwoordelijke bepalingen van tijd en maat bestaan soms, evenals de bepaling van gesteldheid, uit een nominale constituent. Het voorbeeld in (11f) laat zien dat zo'n constituent in de vorm van een eigennaam op de eerste zinsplaats kan staan. Hetzelfde geldt voor het naamwoordelijk deel van het gezegde in (11g), dat in het middenstuk altijd een vaste plaats inneemt. Een volgorde als in (11g) is altijd speciaal vergeleken met hij |is| echter nooit Federer |geworden|. Het effect van een naamwoordelijk deel van het gezegde op de eerste zinsplaats is dat een ander zinsdeel in het middenstuk of in de tweede pool prominenter wordt, zoals bijvoorbeeld in Federer |is| hij echter nooit |gewórden|. Voor alle overige besproken zinsdelen geldt dat ze op de eerste zinsplaats dezelfde mogelijkheden hebben als aanwijzende voornaamwoorden (en als het subject).
Een voornaamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde of bijwoordelijke bepaling
Verdieping
Een voornaamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde of bijwoordelijke bepaling
De voorbeelden bij de bespreking van voornaamwoorden in de voorgaande sectie richt zich uitsluitend op het subject en de objecten. Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat ook het naamwoordelijk gezegde soms de vorm van een voornaamwoord heeft. Ook in die functie kan het voornaamwoord de eerste zinsplaats bezetten:
iEen voornaamwoord als naamwoordelijk deel van het gezegde op de eerste zinsplaats
a(Karel imiteert bij het tennissen al jaren Roger Federer, maar) hém |zal| hij echt nooit |kunnen worden|.persoonlijk voornaamwoord
b(We hebben het hier natuurlijk over een topspeler, en) dat |is| Karel gewoonweg niet |Ø|.aanwijzend voornaamwoord
cZichzélf |is| hij gelukkig altijd wel |gebleven|.wederkerend voornaamwoord
d(De tweelingbroers imiteren iedereen.) Elkáár |willen| ze echter voor geen goud |zijn|.wederkerig voornaamwoord
eÍémand |wil| Emma heus wel |worden|: Lady Gaga of Maria Callas.onbepaald voornaamwoord
fNíéts |word| je met zo'n diploma |Ø|: softwareontwikkelaar noch tester.negatief voornaamwoord
Net als bij het subject en de objecten geldt dat alleen een aanwijzend voornaamwoord onbeklemtoond kan blijven (zie (i-b). De interpretatie van onbepaalde en negatieve voornaamwoorden blijft ook hier beperkt tot een keuze uit een zeker aantal opties, zoals de context van (i-e-f) suggereert.
Het naamwoordelijk deel van het gezegde wordt overigens niet altijd door een nominale constituent uitgedrukt. Net als bij voorzetselobjecten en bijwoordelijke bepalingen kan een adpositieconstituent de rol van naamwoordelijk deel van het gezegde vervullen:
ii(Jij krijgt de helft van het servies en de keukenstoelen,) van míj |zijn| het bestek, de pannen en de keukentafel |Ø|.
Ook in deze constructie kunnen voornaamwoorden worden gebruikt. De volgende secties bespreken adjectivische, adverbiale en verbale constituenten en afhankelijke zinnen. Ook die constituenten kunnen de rol van naamwoordelijk deel van het gezegde op zich nemen.
Als bijwoordelijke bepaling komen voornaamwoorden niet of nauwelijks voor, hoewel een onbepaald of negatief voornaamwoord soms wel dienst kan doen als noodzakelijke bijwoordelijke bepaling van maat. Net als het naamwoordelijk deel van het gezegde, gaat het hier dus om een inherent zinsdeel (zie ook deze opmerking). Enkele voorbeelden zijn:
iiiEen voornaamwoord als bijwoordelijke bepaling op de eerste zinsplaats
aÍéts |moet| zo'n mondkapje toch wel |kosten|, (al zal het niet veel zijn.)
bNíéts |weegt| dat kind |Ø|.
Ook voor dit soort zinnen geldt dat de voornaamwoorden in kwestie beperkt zijn in hun betekenis: in (ii) gaat het respectievelijk om een lage verkoopprijs en een gering lichaamsgewicht vergeleken met wat men mag verwachten.
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (1)
Verdieping
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (1)
Evenals het naamwoordelijk deel van het gezegde staan verplicht aanwezige bepalingen in het middenstuk op een vaste plaats. Ze kunnen echter ook op de eerste zinsplaats staan. Hier volgen enkele voorbeelden met een eigennaam:
iEen noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats
a(België heeft hem altijd enorm getrokken.) In België |woont| hij inmiddels al jaren |Ø|.
b(Karel heeft net Vanish Oxy Action gekocht.) Met Vanish |behandelt| hij al zijn wasgoed |Ø|
Het voorbeeld in (i-a) bevat een noodzakelijke bepaling van plaats; het voorbeeld in (i-b) een noodzakelijke bepaling van hoedanigheid. Net als bij een naamwoordelijk deel van het gezegde geldt dat de volgorde in (i) bijzonder is vergeleken met bijvoorbeeld hij |woont| inmiddels al jaren in België |Ø|. Niet alle noodzakelijke bepalingen kunnen in de vorm van een eigennaam verschijnen, Andere vormen, zoals bijvoorbeeld die van een bepaalde constituent, zijn wel mogelijk en ook dan kan de bepaling in kwestie op de eerste zinsplaats staan. Hiervoor geldt steeds dat die woordvolgorde minder 'normaal' is dan die waarbij de bepaling in het middenstuk staat.
Ook bepaalde nominale constituenten hebben deze mogelijkheden. Zonder beklemtoning is plaatsing voor de eerste pool conform het links-rechtsprincipe, met beklemtoning wordt dat principe geschonden en is de betekenis contrastief:
12Bepaalde nominale constituenten op de eerste zinsplaats
a(Emma is toch jouw beste vriendin?) Die beste vriendin |heb| ik in geen maanden |gesproken|.direct object
b(En Karel?) Die nieuwe vriend van haar |ben| ik onderhand wel een beetje beu |aan het raken|.oorzakelijk object
c(Hoe is het met haar kinderen?) De tweeling |heb| jij onlangs nog kledingadviezen |zitten geven|, (dacht ik.)indirect object
d(Weet je al iets meer over Emma's zwager?) Over de zwager |heb| ik niets dan lof |gehoord|.voorzetselobject
e(Heb jij de laatste persconferentie gevolgd?)Volgens de minister-president |komen| er binnenkort weer nieuwe maatregelen |Ø|.prepositionele bijwoordelijke bepaling
f(Wat doe je in juni?) De hele maand |ben| ik bezig |Ø| met redigeren.nominale bijwoordelijke bepaling
g(Wie is hier ceremoniemeester?) De ceremoniemeester |ben| ik |Ø|.naamwoordelijk deel van het gezegde
Ten slotte sluiten ook categoriale (13) en generieke (14) nominale constituenten zich aan bij de eigennamen en bepaalde constituenten:
13Categoriale nominale constituenten op de eerste zinsplaats
a(Weet je wat ik zo handig vind aan appels?) Een appel |hoef| je niet per se |te schillen|.direct object
b(Emma verwelkomde het vierde ouderpaar om de voortgang van een leerling te bespreken.) Tienminutengesprekjes |raakte| zij als goede docent nooit beu |Ø|.oorzakelijk object
c(Studeren is niet meer wat het geweest is!) Een student |hoef| je tegenwoordig echt geen moeilijke vragen meer |te stellen|indirect object
d(Veel mensen klagen over hun schoonfamilie) Op schoonfamilie |kun| je nu eenmaal niet altijd |vertrouwen|.voorzetselobject
e(Hij mist een goeie vriend in z'n leven.) Met een vriend |heb| je namelijk altijd iemand in de buurt |Ø| om over persoonlijke zaken te praten.prepositionele bijwoordelijke bepaling
f(Ik werk de hele week, behalve op donderdag.) Donderdagen |ben| ik altijd vrij |Ø|.nominale bijwoordelijke bepaling
g(Veel afgestudeerden vinden een baan als tester.) Een tester |zou| ik echt niet willen |zijn|.naamwoordelijk deel van het gezegde
14Generieke nominale constituenten op de eerste zinsplaats
a(Poezen worden graag aangehaald, maar) de huiskat |kun| je maar beter met rust |laten| als hij ligt te slapen.direct object
b(Karel communiceert op formidabele wijze met zijn nieuwe kittens.) De kitten |is| hij behoorlijk meester |Ø|.oorzakelijk object
c(Mens en dier proberen het al vele eeuwen samen.) Het dier |zijn| wij mensen inmiddels wel het een en ander verschuldigd |Ø|.indirect object
d(Vertellen ze in jouw land ook schoonmoedermoppen?) Tegen de schoonmoeder |zetten| moppen uit allerlei culturen zich af|Ø|.voorzetselobject
e(Zij heeft altijd een boezemvriend gehad.) Voor de boezemvriend |maakt| het niet uit|Ø| op welk uur van de dag je zijn hulp inroept.prepositionele bijwoordelijke bepaling
f(Op de basisschool ga je elke dag naar school, behalve in het weekend.) Het weekend |ben| je vrij |Ø|.nominale bijwoordelijke bepaling
g(Elke familie heeft wel iemand die de rest aan het lachen kan maken) De lolbroek |ben| ik in onze familie |Ø|.naamwoordelijk deel van het gezegde
Categoriale en generieke constituenten duiden een bekend veronderstelde groep, categorie of soort aan. Als die groep, categorie of soort al geïntroduceerd is, kunnen de nominale constituenten die ze beschrijven in (13) en (14) zonder beklemtoning op de eerste zinsplaats voorkomen. Met beklemtoning maakt de constituent in kwestie deel uit van de informatieve kern en wordt er een contrast gesuggereerd.
Onbepaalde nominale constituenten kunnen alleen op de eerste zinsplaats staan als ze voorzien zijn van een zinsaccent:
15Onbepaalde nominale constituenten op de eerste zinsplaats
aEen áppel |zou| ik vandaag |willen eten|, (in plaats van de gebruikelijke sinaasappel)direct object
bTwéé dingen |moet| je altijd indachtig |blijven|: ik hou van je en ik zal je nooit verlaten.oorzakelijk object
cEen ontwíkkelingsland |schonken| zij de afgeschreven inventaris |Ø|.indirect object
dNaar één kleinkind |informeert| Emma's schoonmoeder veel vaker |Ø| dan naar andere kleinkinderen.voorzetselobject
eNaast twee góéie vrienden |heeft| Karel eigenlijk alleen oppervlakkige vriendschappen |Ø|.prepositionele bijwoordelijke bepaling
fTwéé weekenden |wil| ik hier nog wel aan |werken|, (maar meer ook niet)nominale bijwoordelijke bepaling
gEen tester met het salaris van een ontwíkkelaar |wil| ik wel |worden|.naamwoordelijk deel van het gezegde
Een zin met een onbepaalde nominale constituent op de eerste zinsplaats schendt standaard het links-rechtsprincipe. Dit werd al opgemerkt bij de onbepaalde voornaamwoorden in (5), en uit de voorbeelden in (15) blijkt dat onbepaalde substantivische constituenten inderdaad dezelfde mogelijkheden hebben als onbepaalde voornaamwoorden. De interpretatie is altijd contrastief en de plaats waar het zinsaccent binnen de constituent valt kan verschillende interpretaties opleveren. Zo kan de zin in (15a) betekenen dat de spreker vandaag, in tegenstelling tot andere dagen, een (niet-specifieke) appel wil eten. In een andere context en met andere beklemtoning is de volgende zin denkbaar: één appel |zou| ik vandaag |willen eten|, (en dat is een jonagold). In die zin gaat het om een specifieke appel(soort), die wordt afgezet tegen andere denkbare soorten. Het voorbeeld in (15d) vooronderstelt een bepaalde groep kleinkinderen waaruit een referent gekozen wordt, een mogelijkheid die ook beschikbaar is bij onbepaalde voornaamwoorden.
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (2)
Verdieping
Een noodzakelijke bepaling op de eerste zinsplaats (2)
Noodzakelijke bepalingen van maat hebben bijna uitsluitend de vorm van een onbepaalde nominale constituent:
iEen noodzakelijke bepaling van maat op de eerste zinsplaats
a(Gesprekje bij een bloemist:) Ik wil maximaal tien euro besteden. Tien euro |kosten| deze boeketten hier en die daar |Ø|.
b(Bij een ongelovige blik op de weegschaal:) 74 kilo |woog| ik vorige week toch ook al |Ø|!
Zie ook deze opmerking over noodzakelijke bepalingen op de eerste zinsplaats.
Die mogelijkheid is zelfs de enige voor negatieve voornaamwoorden, zoals besproken in (6). Ook negatieve substantivische nominale constituenten krijgen op de eerste zinsplaats een interpretatie die het bestaan van een verzameling of groep impliceert:
16Negatieve nominale constituenten op de eerste zinsplaats
aGeen énkele appel |heb| ik vandaag |gegeten|, (maar ze zagen er lekker uit.)direct object
bNiet dat we te snel getróuwd zijn |moet| je altijd indachtig |blijven|, (maar alle mooie herinneringen.)oorzakelijk object
cNiet dat éne ontwikkelingsland |schonken| zij de afgeschreven inventaris |Ø|, (maar een ander.)indirect object
dNaar géén van de kleinkinderen |heeft| Emma's schoonmoeder gisteren |geïnformeerd|.voorzetselobject
eMet geen énkele goeie vriend |kan| Karel over zijn burn-out |praten|.prepositionele bijwoordelijke bepaling
fGeen dág |hou| ik het vol |Ø| bij dit bedrijf.nominale bijwoordelijke bepaling
gNiet een ontwíkkelaar |kun| je hier |worden|, (maar een tester).naamwoordelijk deel van het gezegde
De voorbeelden in (16a/d-e) veronderstellen een bepaalde verzameling appels, kleinkinderen of goede vrienden. De overige voorbeelden laten zien dat het bijwoord niet met een afhankelijke zin (16b) of een bepaalde constituent (16c/g) kan worden gecombineerd om die vervolgens af te zetten tegen iets anders: alle mooie herinneringen in (16b), een ander in (16c) en een tester in (16g). Zo'n contrastieve betekenis is niet voorhanden bij negatieve voornaamwoorden. De betekenis van geen dag in (16f) is bijzonder in de zin dat het een tijdsduur van minder dan één dag impliceert (zie ook deze opmerking over voornaamwoorden op de eerste zinsplaats als naamwoordelijk deel van het gezegde).
De conclusie is dat allerlei zinsdelen in de vorm van een nominale of adpositionele constituent op de eerste zinsplaats dezelfde eigenschappen vertonen als hun voornaamwoordelijke tegenhangers uit de vorige sectie. Alle varianten kunnen onbeklemtoond op de eerste zinsplaats staan, waardoor hun plaatsing conform het links-rechtsprincipe is. Dit geldt niet voor onbepaalde en negatieve zinsdelen: die worden op de eerste zinsplaats verplicht beklemtoond, waardoor hun plaasting tegen het links-rechtsprincipe ingaat. In dit opzicht gedragen ze zich precies zoals onbepaalde en negatieve voornaamwoorden. Beklemtoning geeft meestal een specifieke, contrastieve betekenis en dat is een betekenis die elk denkbaar zinsdeel op de eerste zinsplaats kan hebben.
Sommige bijwoordelijke bepalingen hebben de opvallende eigenschap dat ze zonder speciale nadruk een kader in ruimte en/of tijd kunnen scheppen waarbinnen het gebeuren van een zin moet worden gesitueerd:
17Bijwoordelijke bepalingen met een kaderscheppende functie op de eerste zinsplaats
aDe koning en de koningin |zullen| over een aantal weken China |bezoeken|.
bOver een aantal weken |zullen| de koning en de koningin China |bezoeken|.
cIn China |zijn| de koning en de koningin |gearriveerd| voor een driedaags staatsbezoek.
dChína |zullen| de koning en de koningin over een aantal weken |bezoeken|.
De zinnen in (17b-c) kunnen heel goed als nieuwszin fungeren. Zonder voorafgaande (talige) context kunnen ze bijvoorbeeld het begin van een nieuwsbericht vormen. De bijwoordelijke bepalingen van tijd in (17b) en plaats in (17c) scheppen een kader waarbinnen het aanstaande staatsbezoek aan China als nieuw feit wordt gepresenteerd. Dit soort volgordes kunnen even neutraal zijn als (17a), waarin het subject op de eerste zinsplaats staat. Een ander zinsdeel op de eerste zinsplaats kan niet zonder context: het voorbeeld in (17d) is alleen voorstelbaar in een context waarin China reeds is geïntroduceerd, of waarin sprake is van een tegenstelling tussen dat land en een ander genoemd land. In de volgende sectie worden voorbeelden gegeven van adverbiale constituenten met een kaderscheppende functie.
Ten slotte dient nog te worden vermeld dat nominale en adpositieconstituenten die deel uitmaken van een vaste verbinding minder makkelijk toegang hebben tot de eerste zinsplaats. Dit soort constituenten behoort tot de zogeheten inherente zinsdelen. Enkele voorbeelden zijn:
18Nominale en adpositieconstituenten als deel van een vaste verbinding op de eerste zinsplaats
a(Gisteren heeft de politie huiszoeking gedaan bij Karel!) Beslag |werd| |gelegd| op zijn laptop.uitgesloten
bKíppevel |zou| ik van zoiets |krijgen|!
c(Nou, hij ook! En het ding was splinternieuw.) In gebruik |had| hij 'm nog maar net |genomen|.uitgesloten
d(Om 10 uur werd de vergadering voortgezet.) Aan de orde |was| het voorstel tot verhoging van de omzetbelasting |Ø|.
eIn aanmerking |komen| alle studenten |Ø| die al een bachelor Franse taal en letterkunde op zak hebben.formeel
f('t Was een erg vervelende zaak. Hoe moest hij dat nu weer aan z'n ouders uitleggen?) In z'n máág |zat| hij ermee |Ø|!
Nominale constituenten als deel van een vaste verbinding staan alleen op de eerste zinsplaats indien ze beklemtoond worden (18a-b). Een mogelijk relevant verschil tussen (18a) en (18b) is dat kippevel een eigen betekenis heeft, terwijl beslag alleen in combinatie met een werkwoord als leggen betekenis toevoegt. De voorbeelden in (18d-e) laten zien dat beklemtoning van een adpositieconstituent op de eerste plaats niet altijd noodzakelijk is, vooral in formeel taalgebruik. Het werkwoord waarmee de constituent op de eerste zinsplaats een vaste verbinding vormt, staat bovendien bij voorkeur in de eerste pool (18d-f).
De volgende sectie bespreekt zinnen waarbij het element op de eerste zinsplaats adjectivisch, adverbiaal of een losstaande adpositie is. Werkwoordelijke constituenten worden in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten, aangezien het gezegde als geheel nooit op de eerste zinsplaats kan staan. Deelparagraaf [21.4.1.4] bespreekt gevallen waarin een deel van het gezegde op de eerste zinsplaats staat. Ook komen daar gevallen aan bod waarin een deel van het gezegde juist samen met een object en/of bepaling de eerste zinsplaats inneemt.
Niet-nominale constituenten als object
Verdieping
Niet-nominale constituenten als object
Net als bij het subject het geval is, kan ook een object sporadisch de vorm van een niet-nominale constituent aannemen. Aangenomen mag worden dat die zich met betrekking tot de eerste zinsplaats precies zo gedragen als nominale constituenten. Enkele voorbeelden van het direct object zijn:
iNiet-nominale constituenten als object op de eerste zinsplaats
aRijst koken volgens de absorbtiemethode |doe| je maar in je eigen tijd |Ø|.verbale constituent
bDun |schreef| de mode ons decennialang voor|Ø|, (maar dat is inmiddels wel veranderd).adjectivische constituent
(Bij het plannen van een route:)
cVia de bínnenwegen |moet| je |kiezen|!adpositionele constituent
d(Vind je het goed als ik die luier even op de bank verschoon?) Élders |heb| ik liever |Ø|; (mijn bank is net nieuw.)adverbiale constituent
Deze mogelijkheden worden hier verder niet expliciet besproken; afhankelijke zinnen komen verderop in deze deelparagraaf aan bod.
Een adjectivische constituent, adverbiale constituent of losstaande adpositie op de eerste zinsplaats
Zinsdelen in de vorm van een adjectivische constituent fungeren als bijwoordelijke bepaling, als bepaling van gesteldheid of als naamwoordelijk deel van het gezegde. In die hoedanigheid kunnen ze op de eerste zinsplaats staan:
19Een adjectivische constituent op de eerste zinsplaats
a(Emma was voorzichtig opgestegen en) voorzichtig |zette| ze de helikopter weer aan de grond |Ø|.bijwoordelijke bepaling
b(Emma vond Karels voorstel ronduit geweldig.) Net zo geweldig |vindt| Karel het |Ø| dat ze meegaat.bepaling van gesteldheid
c(Ziek? Stel je niet zo aan.) Ziek |word| je daar helemaal niet van |Ø|.naamwoordelijk deel van het gezegde
Adjectivische constituenten verwijzen niet naar personen of zaken, zoals nominale constituenten. Toch kan een adjectivische constituent onbeklemtoond op de eerste zinsplaats voorkomen, bijvoorbeeld als de eigenschap die de constituent uitdrukt al onderwerp van gesprek is. De context in de zinnen van (17) tonen dit aan. In de meeste gevallen, echter, zal een een dergelijke context bij dit soort zinnen ontbreken en wordt de adjectivische constituent beklemtoond. In dat geval maakt de constituent deel uit van de informatieve kern van de zin.
Zinsdelen in de vorm van een adverbiale constituent fungeren hoofdzakelijk als bijwoordelijke bepaling. Dit kwam eerder aan de orde bij de bespreking van (8) en deze opmerking. Verschillende typen adverbiale constituenten kunnen in die functie op de eerste zinsplaats staan, en wel zonder speciale nadruk. Om te beginnen zijn er de bijwoordelijke bepalingen die een kaderscheppende functie hebben, net als de nominale en adpositionele constituenten in (17):
20Adverbiale constituenten met een kaderscheppende functie op de eerste zinsplaats
aBinnenkort |zullen| de koning en de koningin China |bezoeken|.
bTijdens het staatsbezoek aan China |hebben| de koning en de koningin talloze monumenten |kunnen bewonderen|.
cSoms |is| het koningsschap minder glamoureus |Ø| dan men zou denken.
dOveral |moet| men zich maar van zijn beste kant |laten zien|.
Het voorbeeld in (20c) laat zien dat een kaderscheppende bijwoordelijke bepaling van tijd ook een frequentie kan aanduiden. Ook bepalingen die een zinsverbindende functie hebben, kunnen de eerste zinsplaats bezetten zonder daarbij het links-rechtsprincipe te schenden. Ten eerste zijn er allerlei 'rangschikkende' elementen die het begin of de voortgang van een opsomming of van een logische uiteenzetting aanduiden, zoals in de volgende voorbeelden:
21Adverbiale constituenten met een rangschikkende functie op de eerste zinsplaats
aAllereerst |dient| erop |gewezen te worden| dat aan dit stuk tekst weinig veranderd is.
bEnerzijds |is| het waanzinnig hoe die huurprijzen de hoogte in|gaan|, anderzijds |zal| het kameraanbod wel niet |stijgen| als de overheid de prijzen gaat bevriezen.
c(...) Voorts |geldt| |Ø| dat woordvolgorde en informatieve geleding van een zin nauw samenhangen.
Als dit soort structurerende elementen benadrukt wordt, is het aannemelijk dat ze een contrastieve interpretatie hebben. Ze kunnen immers worden afgezet tegen de voorgaande of volgende zin. De tweede categorie wordt gevormd door voegwoordelijke bijwoorden. Deze bijwoorden signaleren een verband tussen de zin waarin ze voorkomen en de voorgaande. Ook deze categorie kan zonder speciale nadruk op de eerste zinsplaats staan:
22Adverbiale constituenten met een zinsverbindende functie op de eerste zinsplaats
a(Hij is niet erg slim.) Bovendien |is| hij nog lui |Ø| ook.
b(Je krijgt Bertus als collega.) Dus |moet| ik met die kerel |gaan samenwerken|?!
c(Hij zei dat ze ziek was.) Nochtans |zag| ze er gezond uit |Ø|.
Niet alle voegwoordelijke bijwoorden hebben toegang tot de eerste zinsplaats. Bekende uitzonderingen zijn echter, immers, en bijvoorbeeld:
23Echter, immers, en bijvoorbeeld: uitgesloten van de eerste zinsplaats
a!(Ze zijn wel degelijk doorgereden.) Immers |heb| ik het zelf |gezien|.
bIk |heb| het immers zelf |gezien|.
c!(Hij zou nog opbellen.) Echter |heeft| hij zijn woord niet |gehouden|.
dHij |heeft| echter zijn woord niet |gehouden|.
e!(Je kunt veel zelf doen om een blessure te voorkomen.) Bijvoorbeeld |kun| je een warming-up |inlassen|.
fJe |kunt| bijvoorbeeld een warming-up |inlassen|.
Dat deze uitzondering niet te wijten is aan de betekenis van de voegwoordelijke bijwoorden in kwestie, blijkt uit een zin als zo |kun| je een warming-up |inlassen|, die nagenoeg synoniem is aan (23e-f). Behalve in het middenstuk (23b/d/f) kunnen de bijwoorden in kwestie meestal ook in de aanloop staan: immers, ik |heb| het zelf |gezien|.
Status onduidelijk
Verdieping
Status onduidelijk
Volgens de website Taaladvies.net  is de status van de bovenstaande voorbeelden onduidelijk. Zinnen met echter en immers op de eerste zinsplaats zijn in de formele schrijftaal niet toegestaan, al zijn er taalgebruikers die deze norm niet delen. Hetzelfde geldt mogelijk ook voor bijvoorbeeld en trouwens.
Ook zonder nadruk komen op de eerste zinsplaats bijwoordelijke bepalingen van modaliteit voor. Enkele voorbeelden zijn:
24Bijwoordelijke bepalingen van modaliteit op de eerste zinsplaats
aWaarschijnlijk |zullen| de koning en de koningin komende zomer China |bezoeken|.
bNaar alle waarschijnlijkheid |duurt| het staatsbezoek drie dagen |Ø|.
cHopelijk |bestaat| het programma uit meer |Ø| dan alleen maar monumenten bekijken.
Bij neutrale beklemtoning heeft de bepaling van modaliteit meestal bereik over de hele zin. Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer in (24a) het belangrijkste zinsaccent op China ligt, de spreker/schrijver het nieuwsfeit over het staatbezoek aan China waarschijnlijk acht. In dat geval volgt de zin het links-rechtsprincipe. Ligt dat accent op komende zomer, dan kan het staatsbezoek aan China een (bekend) gegeven zijn, waar de zin aan toevoegt dat het waarschijnlijk komende zomer gaat plaatsvinden. Indien waarschijnlijk zelf (ook) een zinsaccent krijgt, dan belicht de spreker/schrijver het feit dat het niet helemaal zeker is dat de inhoud van de zin bewaarheid wordt. Het voorbeeld in (24b) laat zien dat bepalingen van modaliteit niet alleen door adverbiale bepalingen worden uitgedrukt: onder andere adpositieconstituenten kunnen deze functie eveneens vervullen.
Ten slotte kunnen ook negatieve adverbiale constituenten op de eerste zinsplaats voorkomen. Zoals het geval is bij negatieve voornaamwoorden, nominale en adpositieconstituenten, staan negatieve adverbiale constituenten alleen met speciale nadruk aan het begin van de zin:
25Negatieve bijwoorden op de eerste zinsplaats
aNóóit |wilde| de koningin concessies |doen| aan lekker eten.
bNérgens |kon| je zo lekker eten |Ø| als in Shanghai.
cNíét |hoorde| je in de media |Ø| wat ze gegeten hadden, (wél wat dat gekost had).
dWél |werd| natuurlijk weer |gemeld| dat ze haar gastvrouw op wáfels had getracteerd.
In tegenstelling tot de voorbeelden in (25a-b) is een zin met niet als enige element op de eerste zinsplaats alleen mogelijk in sterk contrastieve contexten als in (25c). Hetzelfde geldt voor het bijwoord van bevestiging wel (25d).
Vlak voor de tweede pool kan zich in het middenstuk een losstaande adpositie ophouden. Losstaande adposities sluiten wat de plaatsing in het middenstuk aan bij inherente zinsdelen. Eén type losstaande adpositie komt soms op de eerste zinsplaats voor. Het gaat hier om het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord, ook wel partikel genoemd. Nog meer dan bij vaste verbindingen het geval is, neigen taalgebruikers er bij deze partikels naar het bijbehorende werkwoord in de eerste pool te plaatsen, zoals het geval is in (26a/c):
26Partikels (het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord) op de eerste zinsplaats
aMee |gingen| dit jaar alle leerlingen uit het tweede en derde jaar |Ø|.
bMee |zijn| dit jaar alle leerlingen uit het tweede en derde jaar |gegaan|.twijfelachtig
cTegen |stemden| waarschijnlijk alleen de populisten.
dTegen |zullen| waarschijnlijk alleen de populisten |stemmen|.twijfelachtig
Een partikel op de eerste zinsplaats kan onbeklemtoond blijven, maar ook voorzien zijn van speciale nadruk. Net als bij inherente zinsdelen geldt dat de volgorde bijzonder is vergeleken met die waarbij het partikel in het middenstuk staat. De voorbeelden in (26b/d) illustreren dat een partikel moeilijk op de eerste zinsplaats kan staan indien het bijbehorende werkwoord in de tweede pool staat. In het algemeen geldt dat dit type zin aanvaardbaarder is naarmate het partikel een duidelijk antoniem heeft, zoals voor een antoniem is van tegen. Andere voorbeelden zijn invoeren versus uitvoeren en opgaan versus ondergaan (van zon of maan). Hiermee hangt overigens samen dat naarmate het partikel qua betekenis nauwer met het werkwoord samenhangt, de mogelijkheid om het apart op de eerste zinsplaats te zetten kleiner lijkt te worden. Dit blijkt uit het volgende voorbeeld:
27Mee |is| hij altijd met elke nieuwigheid |gelopen|uitgesloten
Splitsing van meelopen is in deze zin is onacceptabel omdat meelopen met zoiets als slaafs navolgen betekent, in tegenstelling tot het letterlijke meegaan in (26a-b).
Scheidbare werkwoorden integraal op de eerste zinsplaats
Verdieping
Scheidbare werkwoorden integraal op de eerste zinsplaats
Een alternatief voor (26b/d) is vooropplaatsing van het ongesplitste infiniete werkwoord:
iaMeegegaan |zijn| dit jaar |Ø| alle leerlingen uit het tweede en derde jaar.
bTegenstemmen |zullen| waarschijnlijk alleen de populisten |Ø|.
Bij deze voorbeelden staat er een deel van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats. Deze mogelijkheid hangt samen met de mogelijkheid om een deel van een constituent op de eerste zinsplaats te zetten, zoals besproken wordt in [21.4.1.4] Een deel van een constituent op de eerste zinsplaats.
Het partikel in de voorbeelden die tot nu toe gegeven zijn, is terug te voeren op een adpositie. Een scheidbaar deel dat teruggaat op een adjectief of een substantief, zoals in volladen, buitmaken, en kaartspelen, komt niet gauw alleen op de eerste zinsplaats voor. Toch is bijvoorbeeld bij het werkwoord doodgaan wel een zin mogelijk als:
28Dood |gaan| we uiteindelijk allemaal.
Bij vaststaan is de verbinding vast staat dat (...), tamelijk ingeburgerd:
29Vast |stond| |Ø| dat de burgemeester valsheid in geschrifte gepleegd heeft.
Belangrijk is hier dat ook deze twee zinnen weer demonstreren dat scheidbaar deel en werkwoord bij voorkeur vlak naast elkaar vooraan in de zin staan.
Een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats
In [21.4.1.2] Het subject op de eerste zinsplaats is gedemonstreerd dat een afhankelijke zin met de functie van subject op de eerste zinsplaats kan staan. Hetzelfde geldt voor afhankelijke zinnen die andere zinsdeelfuncties vervullen:
30Afhankelijke zinnen op de eerste zinsplaats
a[Dat ze het nooit lang uithield bij een werkgever] |bestreed| Emma ten zeerste |Ø|.direct object
b[Dat zijn vrouw het nooit over gezinsuitbreiding wil hebben] |is| Karel inmiddels behoorlijk beu |Ø|.oorzakelijk object
c[Wie af en toe overwerkt] |zullen| we een bonus |geven|.indirect object
d[Zoals het leven voor de crisis was] |zal| het wel nooit meer |worden|.naamwoordelijk deel van het gezegde
e[Waar mijn kinderen wonen] |wil| ik zelf ook |wonen|noodzakelijke bepaling van plaats
f[Als je een beetje onderuitzakt] |kan| ik het scherm ook |zien|.bijwoordelijke bepaling
Afhankelijke zinnen op de eerste zinsplaats kunnen verschillende vormen aannemen, zoals bijvoorbeeld die van een afhankelijke mededeling (30a-b) of een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent (30c/e). Net als de meeste andere constituenten kan een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats voldoen aan het links-rechtsprincipe of daar juist tegen ingaan. Als (30a) bijvoorbeeld direct volgt op een verwijt over Emma's geringe vermogen lang bij dezelfde werkgever te blijven, zal de afhankelijke zin niet beklemtoond worden. Als Emma verschillende verwijten heeft gekregen, kan de afhankelijke zin juist benadrukt worden vanwege het contrast met die andere verwijten. Bepalingszinnen kunnen, net als adverbiale constituenten, op de eerste zinsplaats een kaderscheppende functie hebben. Dit is met name het geval bij voorwaardelijke bijzinnen als (30f) en tijdszinnen: [nadat hij zijn diploma had gehaald] |kon| Karel zich eindelijk in|schrijven| in het beroepsregister.
Sommige typen afhankelijke zin hebben geen toegang tot de eerste zinsplaats. Deelparagraaf [21.4.1.1] bespreekt afhankelijke zinnen met de functie van voorzetselobject en diverse bijwoordelijke bepalingen. Die zinnen staan ofwel op de laatste zinsplaats, ofwel buiten de eigenlijke zin, in de aanloop, dus nog voor de eerste zinsplaats, of de uitloop, dus achter de laatste zinsplaats.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links