21.6.1 Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats staan?
De laatste zinsplaats biedt ruimte aan verschillende zinsdelen of delen daarvan,
mits die de vorm van een afhankelijke zin of een adpositieconstituent hebben:
ik |heb| Emma nog niet |laten weten| [dat
ik haar graag zou willen spreken],
Emma |was| nog niet op de hoogte |gebracht|
[van mijn vergeefse pogingen haar te
bereiken]. Elementen op de laatste
zinsplaats maken deel uit van de eigenlijke zin: ze behoren
tot één en hetzelfde intonatiedomein en dragen bij een neutraal klemtoonverloop het belangrijkste zinsaccent.
Ze vergezellen het hoofdwerkwoord als dat vooropgeplaatst wordt:
laten weten [dat ik haar graag zou willen spreken]
|heb| ik Emma nog niet | |,
op de hoogte gebracht [van mijn vergeefse pogingen
haar te bereiken] |was| Emma nog niet | |.
De laatste zinsplaats kan meer dan één afhankelijke zin of adpositieconstituent
bevatten: ik |moet| Emma misschien even |vragen|
[wat er precies misging] [wanneer ze straks weer online
komt]. De volgorde van elementen
op de laatste zinsplaats is gespiegeld aan de basisvolgorde in de rechterhelft van het middenstuk:
ik |moet| haar misschien [op dat moment] even
[iets] |vragen|. Ieder denkbaar zinsdeel dat in
het middenstuk voorkomt, kan ook op de laatste zinsplaats staan, mits het de
vorm van een afhankelijke zin of adpositieconstituent heeft. Bij zinsbepalingen en inherente zinsdelen bestaat die mogelijkheid, op enkele
specifieke uitzonderingen na, niet.
Nominale, adjectivische en adverbiale constituenten staan soms ook achter de
tweede pool: ik |heb| vandaag |proberen te bellen|: [Emma,
haar zus en hun moeder], de
hele tijd |bleef| ik het maar |proberen|, [steeds
ongeduldiger], ik |ga| het
nog één keer |proberen|, [morgen]. Vaak, maar
niet altijd, worden dit soort constituenten door een duidelijk hoorbare
intonatiebreuk gescheiden van de rest van de zin. Daarnaast valt het
belangrijkste zinsaccent in deze gevallen altijd vóór of op de tweede pool, niet
erachter. Bij vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord blijven de constituenten in
kwestie zinsfinaal: geprobeerd te bellen |heb| ik vandaag |
|: [Emma, haar zus en hun moeder],
proberen |bleef| ik het de hele tijd maar | |,
[steeds ongeduldiger],
proberen |ga| ik het nog één keer | |,
[morgen]. Op basis van deze feiten wordt
aangenomen dat de constituenten in kwestie niet op de laatste zinsplaats staan,
maar in de uitloop.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen en adpositieconstituenten achter de tweede pool
De laatste zinsplaats volgt direct op de tweede pool en is daarmee de laatste
(of: meest rechtse) positie in de eigenlijke zin. Anders
dan bij de eerste zinsplaats gaat het hier niet om een positie
die, afhankelijk van het zinstype, wel of niet aanwezig is. De laatste
zinsplaats kan, evenals het middenstuk, in elk zinstype worden gebruikt. Er is echter een
belangrijke beperking op de constituenten dat de laatste zinsplaats kan
bevolken: dat zijn altijd afhankelijke zinnen of adpositieconstituenten:
De voorbeelden in (1a-b) laten zien dat een afhankelijke zin als
dat ze het eten niet lekker
vonden niet in het middenstuk van een andere,
bevattende zin kan staan. Los van de eerste zinsplaats is de laatste zinsplaats
de enige mogelijkheid. De voorbeelden in (1c-d) maken duidelijk dat een
adpositieconstituent als over het eten zowel op de laatste zinsplaats als in het middenstuk kan staan. In
(1) is de laatste zinsplaats steeds onderdeel van een zin van zinstype 1a. De voorbeelden in (2) tonen deze positie bij de drie
overige zinstypen:
Alle zinnen in (2) hebben een gevulde laatste zinsplaats. De zinnen in (2a-b)
zijn van zinstype 1b, die in (2c-d) van zinstype 2a en die in (2e-f) van zinstype 2b.
Elders in dit hoofdstuk is vastgesteld dat in zinnen met een neutraal klemtoonverloop het belangrijkste zinsaccent
vlak voor de tweede pool ligt. Dit geldt alleen voor zinnen die de laatste
zinsplaats niet benutten. Als de laatste zinsplaats gevuld is, valt het
belangrijkste zinsaccent in principe achter de tweede pool:
In de voorbeelden van dit hoofdstuk wordt, waar dat relevant is, het zinsdeel met
het belangrijkste zinsaccent omsloten met accolades en wordt de zwaarst
beklemtoonde lettergreep voorzien van een accentteken. De voorbeelden in (3a-b)
laten zien dat het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) over het eten zowel op de laatste zinsplaats als in het middenstuk het
belangrijkste zinsaccent kan dragen. De bijwoordelijke bepaling de hele dag heeft deze mogelijkheid ook, maar alleen in het middenstuk (3c). Als
deze nominale constituent op de tweede pool volgt, moet het belangrijkste
zinsaccent elders vallen (3d-e). Op basis van dit verschil wordt aangenomen dat de hele dag niet op de laatste zinsplaats staat, maar in een positie buiten de
eigenlijke zin: de zogeheten uitloop.
Dat de belangrijkste klemtoon op de laatste zinsplaats valt, is in
overeenstemming met het links-rechts-principe: dat gaat er immers vanuit dat
elementen met het grootste informatieve belang zo ver mogelijk naar rechts
staan. Los van dit effect kan het benutten van de laatste zinsplaats ook worden
gezien als een uitvloeisel van het complexiteitsprincipe. Dit stelt dat constituenten met
een complexe samenstelling relatief ver naar rechts staan in de zin. Dit strookt
met het feit dat de laatste zinsplaats alleen toegankelijk is voor afhankelijke
zinnen en voorzetselconstituenten. Deze categorieën bestaan immers standaard uit
meerdere constituenten en zijn daardoor al snel complexer van samenstelling dan
nominale, adjectivische en adverbiale constituenten, die in het simpelste geval
uit één woord bestaan.
Bij een afwijkend klemtoonverloop ligt het belangrijkste zinsaccent uiteraard
niet per se op de laatste zinsplaats. Wel ligt de laatste zinsplaats dan nog
steeds binnen het intonatiedomein van de eigenlijke zin:
De voorbeelden in (4) laten de voornaamste stijgingen (/) en dalingen (\) in
zinsmelodie zien. In alle zinnen ligt het belangrijkste zinsaccent in het
middenstuk, en wel vlak vóór de tweede pool: op de hele dag in (4a-c) en op over het eten in (4d-e). In (4a) daalt de melodie op de laatste zinsplaats, bij het
uitspreken van over het eten. Dit zinsdeel kan ook in de uitloop staan, zoals geïllustreerd in
(4b-c). Daar daalt de zinsmelodie in de tweede pool en wordt over het eten ofwel met een vlakke intonatie uitgesproken (4b), ofwel met een eigen
intonatiecontour (4c). Dat over het eten buiten de eigenlijke zin kan staan heeft te maken met het feit dat
dat zinsdeel niet verplicht aanwezig is: zeuren kan ook zonder voorzetselobject worden gebruikt. De voorbeelden in
(4d-e) laten zien dat ook op basis van de zinsmelodie geconcludeerd kan worden
dat de hele dag niet op de laatste zinsplaats kan staan.
Als de tweede pool gevolgd wordt door een zinsdeel dat verplicht
aanwezig is, moet die constituent op de laatste zinsplaats staan. Dit blijkt uit
de volgende voorbeelden:
Markering van het intonatiedomein
Verdieping
Markering van het intonatiedomein
De ANS volgt met deze informele markering van het intonatiedomein
De Vries (2011). Als een uitloopzin langzaam wordt
uitgesproken is er vaak een pauze hoorbaar tussen eigenlijke zin en
uitloop. In de schrijftaal wordt zo'n pauze vaak weergegeven met een
komma, zoals in (4b-c) en (4e). De voorbeelden in dit hoofstuk
hanteren zo'n komma (of een ander leesteken) consequent om de
overgang van de eigenlijke zin naar de uitloop te markeren.
Het voorzetselobject op behoorlijk wat protest in (5a) en het direct object (lijdend voorwerp) dat hij zenuwachtig was voor die toets in (5d) zijn verplicht aanwezig. Ze maken deel uit van de eigenlijke
zin en moeten achter de tweede pool dus op de laatste zinsplaats staan.
Plaatsing in de uitloop is alleen mogelijk indien de zin een voorlopig
voorzetselobject of direct object bevat: er ... op in (5c) en 't in (5f). Onder die voorwaarde zijn de zinnen in kwestie ook
acceptabel zonder het element achter de tweede pool: je
|kunt| er naar verluidt op |rekenen|,
je |kunt| 't hier niet echt
|zien|.
Los van de intonatie is er nog een manier om vast te stellen of een constituent
op de laatste zinsplaats of in de uitloop staat. Een constituent op de laatste
zinsplaats maakt namelijk altijd deel uit van een verbale constituent. Zoals
beschreven in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste
zinsplaats kan een deel van het werkwoordelijk gezegde samen met
andere zinsdelen op de eerste zinsplaats staan. In dat geval moet de laatste
zinsplaats leeg blijven:
De constituenten die toegang hebben tot de laatste zinsplaats kunnen volledige
zinsdelen zijn, zoals in de voorbeelden hierboven, of delen van zinsdelen. De
verschillende mogelijkheden worden per constituenttype besproken in [21.6.2] Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats
en [21.6.3] Adpositieconstituenten op de eerste
zinsplaats.
De laatste zinsplaats heeft met het middenstuk gemeen dat er meer dan één element
tegelijk gebruik kan maken van deze positie in de zin. Hoewel de laatste
zinsplaats hierin duidelijk verschilt van de eerste zinsplaats, die hooguit één
zinsdeel toelaat, worden er in de praktijk zelden meer dan twee constituenten
aangetroffen:
Een alternatieve
benaming voor de laatste zinsplaats is 'achterveld'. Op dezelfde manier
wordt naar 'de eerste zinsplaats verwezen met de term 'voorveld', en
naar het middenstuk met de term 'middenveld'.
In (7) staan zowel het voorzetselobject over deze kinderen als het direct object dat ze gelijk hebben op de laatste zinsplaats. De volgorde van deze constituenten is
daarbij van belang, zo blijkt uit (7b). Deze volgorde is, met de bedoelde
betekenis, onmogelijk als beide constituenten op de laatste zinsplaats staan.
Alleen met over deze kinderen in de uitloop, dus buiten het intonatiedomein van de zin, is de
volgorde acceptabel. De volgordetendens van (7a) is opmerkelijk, want de basisvolgorde in het middenstuk schrijft immers voor
dat het direct object voorafgaat aan het voorzetselobject:
Karel |heeft| vandaag [allerlei onzin]
[over deze kinderen] |beweerd|.
Ook een prepositioneel indirect object (meewerkend voorwerp et cetera) gaat na
de tweede pool vooraf aan het direct object:
De voorbeelden in (8a-b) demonstreren dat ook de volgorde van prepositioneel
indirect object en direct object op de laatste zinsplaats tegengesteld is aan de
basisvolgorde in het middenstuk: Karel |heeft| vandaag
[allerlei onzin] [aan deze kinderen]
mede|gedeeld|. Bijwoordelijke bepalingen gaan in
het middenstuk vooraf aan het direct object, en ook deze volgorde is omgekeerd
op de laatste zinsplaats: (8c-d) contrasteren met Karel
|heeft| deze kinderen [om futiele redenen] [allerlei
onzin] mede|gedeeld|. De volgorde
in (8d) is weliswaar mogelijk, maar alleen wanneer omdat hij de discussie beu was als een tussenzin fungeert (en dus buiten het intonatiedomein
geplaatst is). Ten slotte treedt spiegeling van de volgorde ook bij bepalingen
onderling op:
De laatste zinsplaats wordt in (9) bezet door een bijwoordelijke bepaling van
hoedanigheid (op verzoenende toon), gevolgd door een bepaling van tijd (tijdens de lunch). Dit zijn allebei zogenaamde gezegdebepalingen die in het middenstuk de omgekeerde
volgorde vertonen (tijd komt voor wijze). De volgorde in (9b) is dan ook
alleen mogelijk als op verzoenende toon in de uitloop staat. De bijwoordelijke bepaling van modaliteit naar alle waarschijnlijk staat in (9d) ook in de uitloop. Dit soort zinsbepalingen kan nooit op de laatste zinsplaats
staan. Dit blijkt enerzijds uit het feit dat ze achter de tweede pool buiten het
intonatiedomein van de zin vallen, en anderzijds uit het feit dat ze niet samen
met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kunnen staan:
De voorbeelden in (10a-b) tonen aan dat gezegdebepalingen samen met een deelwoord
op de eerste zinsplaats kunnen staan. De zinsbepaling naar alle waarschijnlijkheid kan dat niet, getuige (10c). Deze bepaling kan in (10) zowel binnen
als buiten het intonatiedomein van de zin vallen. Het is namelijk het laatste
element in het middenstuk (10a) of het eerste (en enige) element na de tweede
pool (10b). Dat (10c) niet volledig onacceptabel is, komt doordat naar alle waarschijnlijkheid als een intercalatie de zin na de eerste zinsplaats kan
onderbreken, zoals een tussenzin dat kan (zie 8d). Ook bij zinnen als in (11)
kan een lege tweede pool, afhankelijk van de volgorde en de intonatie, op
verschillende plaatsen worden gelokaliseerd:
Ervan uitgaande dat alle zinsdelen in (11) deel uitmaken van de eigenlijke zin,
is het mogelijk dat beide gezegdebepalingen in het middenstuk staan (11a). Een
andere mogelijkheid bij deze volgorde is dat alleen op verzoenende toon de laatste zinsplaats bezet (11b). Met de omgekeerde volgorde kunnen
beide gezegdebepalingen op de laatste zinsplaats staan (11c). Het alternatief is
dat alleen tijdens de lunch zich daar ophoudt (11d).
Afhankelijke zinnen en adpositieconstituenten kunnen achter de tweede pool dus
zowel op de laatste zinsplaats staan als in de uitloop. De intonatie van de zin
maakt vaak duidelijk op welke plaats zo'n constituent staat: de laatste
zinsplaats maakt deel uit van het intonatiedomein van de eigenlijke zin; de
uitloop heeft of een vlakke intonatie, of een eigen intonatiecontour. Dit is bij
vlot gesproken taal niet altijd eenvoudig te bepalen, en bij geschreven taal is
dat zo mogelijk nog lastiger. Bij meerdere constituenten achter de tweede pool
kan de onderlinge volgorde dus verraden waar een element staat, mits de tweede
pool gevuld is. Is dit niet het geval, dan kan één en dezelfde zin tot
verschillende analyses leiden.
Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat afhankelijke zinnen en
adpositieconstituenten op de laatste zinsplaats alle zinsdeelsfuncties kunnen
vervullen die ze ook in het middenstuk kunnen vervullen. Een belangrijke
uitzondering betreft inherente zinsdelen. Afgezien van de eerste zinsplaats
komen dit soort zinsdelen alleen in het middenstuk voor, XXX en wel vlak voor de tweede pool:
Zowel bij afhankelijke zinnen als bij adpositieconstituenten is er een uitzondering op deze
regel.
Nominale, adjectivische en adverbiale constituenten achter de tweede
pool
Nominale constituenten die verplicht aanwezig zijn staan in de regel in het
middenstuk of op de eerste zinsplaats. In de volgende zinnen wordt de tweede
pool gevolgd door een substantivische nominale constituent:
Met uitzondering van die telefoon in (13e) gaat het hier om nominale constituenten met een hoge
informatiewaarde, die in de uitspraak zullen worden beklemtoond. In (13a) wordt mijn beste vriend echter voorafgegaan door een duidelijke intonatiebreuk. Deze
volgordemogelijkheid bestaat altijd bij de aanvulling van heten, luiden en noemen en wordt vaker gebruikt naarmate die aanvulling informatief
belangrijker is of uitgebreider is. Vergeleken met plaatsing van de aanvulling
in het middenstuk (jou |zal| ik altijd mijn beste vriend
|blijven noemen|) worden zinnen als (13a) als
expressiever of stilistisch fraaier beschouwd. Hetzelfde effect wordt
aangetroffen in ambtelijk en journalistiek taalgebruik (13b-c). Hier kan een
subject (onderwerp) of direct object op de tweede pool volgen. Opsommingen zoals
die in (13d) komen in alle registers voor. Ook hier geldt dat er een duidelijke
intonatiebreuk is en dat plaatsing voor de tweede pool minder waarschijnlijk is
naarmate de lengte van de opsomming toeneemt. Bevelzinnen en aansporende zinnen
met een scheidbaar samengesteld werkwoord als (13e) zijn eveneens gangbaar.
Plaatsing van het direct object achter de tweede pool maakt het mogelijk het
eerste deel van het werkwoord te benadrukken.
Het feit dat er bij dit soort voorbeelden vaak sprake is van een intonatiebreuk
na de tweede pool doet vermoeden dat de nominale constituenten in kwestie niet
op de laatste zinsplaats staat, maar in de uitloop. Dit betekent dat de nominale constituent niet tot de eigenlijke
zin behoort. Bij (13e) is dit goed voorstelbaar, aangezien een uiting als
|doe| wég in de juiste
context adequaat kan zijn. In de andere gevallen vervult de nominale constituent
echter de functie van een verplicht aanwezig zinsdeel. Op dit zinsdeel kan
vrijwel altijd geanticipeerd worden met een extra element in het middenstuk:
Dit suggereert dat zo'n extra element de reguliere positie in het middenstuk van
de eigenlijke zin bezet, en de nominale constituent achter de tweede pool in de
uitloop staat. Zo'n analyse wordt bevestigd door de volgende zinnen:
In (15) staat een deel van het gezegde samen met een ander zinsdeel op de eerste
zinsplaats. Een nominale constituent op de laatste zinsplaats zou samen met de
infinitief of met het deelwoord de eerste zinsplaats moeten bezetten (zie ook
(6)). Dit leidt tot onacceptabele zinnen. Geconcludeerd moet worden
dat de gevallen in (13) bij uitzondering een verzwegen element in het middenstuk
hebben, dat in de uitloop wordt gespecificeerd door een nominale
constituent.
De ANS volgt met
deze analyse (Broekhuis et al. 2015). Hiermee wordt afgeweken van de
traditie, die voorschrijft dat nominale constituenten als in (13),
evenals adjectivische en adverbiale in de voorbeelden hieronder, wel op
de laatste zinsplaats staan.
Adjectivische constituenten die volgen op de tweede pool kunnen nooit het
belangrijkste zinsaccent dragen en horen om die reden dus niet bij het
intonatiedomein van de eigenlijke zin:
In (16a) staat er een bepaling van hoedanigheid in de vorm van een adjectivische
constituent (ontzettend geduldig) in de uitloop. Dat dit zinsdeel niet op de laatste zinsplaats staat,
ligt aan de categoriale status. Min of meer dezelfde bepaling kan in de vorm van
een adpositieconstituent de laatste zinsplaats namelijk wel bezetten (16b). Voor
adverbiale constituenten geldt hetzelfde:
De bijwoordelijke bepaling van frequentie (geregeld) staat achter de tweede pool in de uitloop (17a). De
adpositieconstituent met grote regelmaat heeft dezelfde functie en staat in (17b) op de laatste
zinsplaats.
Ook in deze voorbeelden blijkt dat de adjectivische of adverbiale constituent
niet samen met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kan staan:
Dezelfde bepalingen kunnen het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats wel
vergezellen als ze de vorm hebben van een adpositieconstituent (18b/d).
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
