Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.6.1 Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats staan?
De laatste zinsplaats biedt ruimte aan verschillende zinsdelen of delen daarvan, mits die de vorm van een afhankelijke zin of een adpositieconstituent hebben: ik |heb| Emma nog niet |laten weten| [dat ik haar graag zou willen spreken], Emma |was| nog niet op de hoogte |gebracht| [van mijn vergeefse pogingen haar te bereiken]. Elementen op de laatste zinsplaats maken deel uit van de eigenlijke zin: ze behoren tot één en hetzelfde intonatiedomein en dragen bij een neutraal klemtoonverloop het belangrijkste zinsaccent. Ze vergezellen het hoofdwerkwoord als dat vooropgeplaatst wordt: laten weten [dat ik haar graag zou willen spreken] |heb| ik Emma nog niet | |, op de hoogte gebracht [van mijn vergeefse pogingen haar te bereiken] |was| Emma nog niet | |.
De laatste zinsplaats kan meer dan één afhankelijke zin of adpositieconstituent bevatten: ik |moet| Emma misschien even |vragen| [wat er precies misging] [wanneer ze straks weer online komt]. De volgorde van elementen op de laatste zinsplaats is gespiegeld aan de basisvolgorde in de rechterhelft van het middenstuk: ik |moet| haar misschien [op dat moment] even [iets] |vragen|. Ieder denkbaar zinsdeel dat in het middenstuk voorkomt, kan ook op de laatste zinsplaats staan, mits het de vorm van een afhankelijke zin of adpositieconstituent heeft. Bij zinsbepalingen en inherente zinsdelen bestaat die mogelijkheid, op enkele specifieke uitzonderingen na, niet.
Nominale, adjectivische en adverbiale constituenten staan soms ook achter de tweede pool: ik |heb| vandaag |proberen te bellen|: [Emma, haar zus en hun moeder], de hele tijd |bleef| ik het maar |proberen|, [steeds ongeduldiger], ik |ga| het nog één keer |proberen|, [morgen]. Vaak, maar niet altijd, worden dit soort constituenten door een duidelijk hoorbare intonatiebreuk gescheiden van de rest van de zin. Daarnaast valt het belangrijkste zinsaccent in deze gevallen altijd vóór of op de tweede pool, niet erachter. Bij vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord blijven de constituenten in kwestie zinsfinaal: geprobeerd te bellen |heb| ik vandaag | |: [Emma, haar zus en hun moeder], proberen |bleef| ik het de hele tijd maar | |, [steeds ongeduldiger], proberen |ga| ik het nog één keer | |, [morgen]. Op basis van deze feiten wordt aangenomen dat de constituenten in kwestie niet op de laatste zinsplaats staan, maar in de uitloop.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen en adpositieconstituenten achter de tweede pool
De laatste zinsplaats volgt direct op de tweede pool en is daarmee de laatste (of: meest rechtse) positie in de eigenlijke zin. Anders dan bij de eerste zinsplaats gaat het hier niet om een positie die, afhankelijk van het zinstype, wel of niet aanwezig is. De laatste zinsplaats kan, evenals het middenstuk, in elk zinstype worden gebruikt. Er is echter een belangrijke beperking op de constituenten dat de laatste zinsplaats kan bevolken: dat zijn altijd afhankelijke zinnen of adpositieconstituenten:
1Afhankelijke zinnen en voorzetselconstituenten op de laatste zinsplaats
aDe kinderen |hadden| de hele dag |lopen zeuren| [dat ze het eten niet lekker vonden].
bDe kinderen |hadden| de hele dag [dat ze het eten niet lekker vonden] |lopen zeuren|.uitgesloten
cDe kinderen |hadden| de hele dag |lopen zeuren| over het eten.
dDe kinderen |hadden| de hele dag over het eten |lopen zeuren|.
De voorbeelden in (1a-b) laten zien dat een afhankelijke zin als dat ze het eten niet lekker vonden niet in het middenstuk van een andere, bevattende zin kan staan. Los van de eerste zinsplaats is de laatste zinsplaats de enige mogelijkheid. De voorbeelden in (1c-d) maken duidelijk dat een adpositieconstituent als over het eten zowel op de laatste zinsplaats als in het middenstuk kan staan. In (1) is de laatste zinsplaats steeds onderdeel van een zin van zinstype 1a. De voorbeelden in (2) tonen deze positie bij de drie overige zinstypen:
2a|Hadden| de kinderen echt de hele dag |lopen zeuren| dat ze het eten niet lekker vonden?
b|Hadden| de kinderen echt de hele dag |lopen zeuren| over het eten?
c(Karel heeft een hekel aan kinderen) die |Ø| de hele dag |lopen te zeuren| dat ze het eten niet lekker vinden.
d(Karel heeft een hekel aan kinderen) die |Ø| de hele dag |lopen te zeuren| over het eten.
e(Karel heeft er een hekel aan) |als| de kinderen de hele dag |lopen te zeuren| dat ze het eten niet lekker vinden.
f(Karel heeft er een hekel aan) |als| de kinderen de hele dag |lopen te zeuren| over het eten.
Alle zinnen in (2) hebben een gevulde laatste zinsplaats. De zinnen in (2a-b) zijn van zinstype 1b, die in (2c-d) van zinstype 2a en die in (2e-f) van zinstype 2b.
Elders in dit hoofdstuk is vastgesteld dat in zinnen met een neutraal klemtoonverloop het belangrijkste zinsaccent vlak voor de tweede pool ligt. Dit geldt alleen voor zinnen die de laatste zinsplaats niet benutten. Als de laatste zinsplaats gevuld is, valt het belangrijkste zinsaccent in principe achter de tweede pool:
3Neutrale beklemtoning met en zonder gevulde laatste zinsplaats
aDe kinderen |hadden| de hele dag |lopen zeuren| {over het éten}.
bDe kinderen |hadden| de hele dag {over het éten} |lopen zeuren|.
cDe kinderen |hadden| {de héle dag} |lopen zeuren|.
dDe kinderen |hadden| |lopen zeuren| {de héle dag}.uitgesloten
eDe kinderen |hadden| |{lopen zéúren}|, de hele dag.
In de voorbeelden van dit hoofdstuk wordt, waar dat relevant is, het zinsdeel met het belangrijkste zinsaccent omsloten met accolades en wordt de zwaarst beklemtoonde lettergreep voorzien van een accentteken. De voorbeelden in (3a-b) laten zien dat het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) over het eten zowel op de laatste zinsplaats als in het middenstuk het belangrijkste zinsaccent kan dragen. De bijwoordelijke bepaling de hele dag heeft deze mogelijkheid ook, maar alleen in het middenstuk (3c). Als deze nominale constituent op de tweede pool volgt, moet het belangrijkste zinsaccent elders vallen (3d-e). Op basis van dit verschil wordt aangenomen dat de hele dag niet op de laatste zinsplaats staat, maar in een positie buiten de eigenlijke zin: de zogeheten uitloop.
Dat de belangrijkste klemtoon op de laatste zinsplaats valt, is in overeenstemming met het links-rechts-principe: dat gaat er immers vanuit dat elementen met het grootste informatieve belang zo ver mogelijk naar rechts staan. Los van dit effect kan het benutten van de laatste zinsplaats ook worden gezien als een uitvloeisel van het complexiteitsprincipe. Dit stelt dat constituenten met een complexe samenstelling relatief ver naar rechts staan in de zin. Dit strookt met het feit dat de laatste zinsplaats alleen toegankelijk is voor afhankelijke zinnen en voorzetselconstituenten. Deze categorieën bestaan immers standaard uit meerdere constituenten en zijn daardoor al snel complexer van samenstelling dan nominale, adjectivische en adverbiale constituenten, die in het simpelste geval uit één woord bestaan.
Bij een afwijkend klemtoonverloop ligt het belangrijkste zinsaccent uiteraard niet per se op de laatste zinsplaats. Wel ligt de laatste zinsplaats dan nog steeds binnen het intonatiedomein van de eigenlijke zin:
4De laatste zinsplaats, de uitloop en het intonatiedomein van de eigenlijke zin
aDe kinderen |hadden| {de /héle dag} |lopen zeuren| over het e\ten.laatste zinsplaats
bDe kinderen |hadden| {de /héle dag} |lopen zeu\ren|, over het eten.uitloop
cDe kinderen |hadden| {de /héle dag} |lopen zeu\ren|, o/ver het é\ten.uitloop
dDe kinderen |hadden| {o/ver het éten} |lopen zeuren| de he\le dag.uitgeslotenlaatste zinsplaats
eDe kinderen |hadden| {o/ver het éten} |lopen zeu\ren|, de hele dag.uitloop
De voorbeelden in (4) laten de voornaamste stijgingen (/) en dalingen (\) in zinsmelodie zien. In alle zinnen ligt het belangrijkste zinsaccent in het middenstuk, en wel vlak vóór de tweede pool: op de hele dag in (4a-c) en op over het eten in (4d-e). In (4a) daalt de melodie op de laatste zinsplaats, bij het uitspreken van over het eten. Dit zinsdeel kan ook in de uitloop staan, zoals geïllustreerd in (4b-c). Daar daalt de zinsmelodie in de tweede pool en wordt over het eten ofwel met een vlakke intonatie uitgesproken (4b), ofwel met een eigen intonatiecontour (4c). Dat over het eten buiten de eigenlijke zin kan staan heeft te maken met het feit dat dat zinsdeel niet verplicht aanwezig is: zeuren kan ook zonder voorzetselobject worden gebruikt. De voorbeelden in (4d-e) laten zien dat ook op basis van de zinsmelodie geconcludeerd kan worden dat de hele dag niet op de laatste zinsplaats kan staan.
Markering van het intonatiedomein
Verdieping
Markering van het intonatiedomein
De ANS volgt met deze informele markering van het intonatiedomein De Vries (2011). Als een uitloopzin langzaam wordt uitgesproken is er vaak een pauze hoorbaar tussen eigenlijke zin en uitloop. In de schrijftaal wordt zo'n pauze vaak weergegeven met een komma, zoals in (4b-c) en (4e). De voorbeelden in dit hoofstuk hanteren zo'n komma (of een ander leesteken) consequent om de overgang van de eigenlijke zin naar de uitloop te markeren.
Als de tweede pool gevolgd wordt door een zinsdeel dat verplicht aanwezig is, moet die constituent op de laatste zinsplaats staan. Dit blijkt uit de volgende voorbeelden:
5Verplicht aanwezige zinsdelen achter de tweede pool: op de laatste zinsplaats
aJe |kunt| naar verluidt |rekenen| op be/hoorlijk wat protest\.
bJe |kunt| naar verluidt |/re\kenen|, op behoorlijk wat protest.uitgesloten
cJe |kunt| er naar verluidt op |/re\kenen|, op behoorlijk wat protest.
dJe |kunt| hier /niet echt |zien| [dat hij zenuwachtig was voor die toets\].
eJe |kunt| hier /niet echt |zien\|, [dat hij zenuwachtig was voor die toets].uitgesloten
fJe |kunt| 't hier /niet echt |zien\|, [dat hij zenuwachtig was voor die toets].
Het voorzetselobject op behoorlijk wat protest in (5a) en het direct object (lijdend voorwerp) dat hij zenuwachtig was voor die toets in (5d) zijn verplicht aanwezig. Ze maken deel uit van de eigenlijke zin en moeten achter de tweede pool dus op de laatste zinsplaats staan. Plaatsing in de uitloop is alleen mogelijk indien de zin een voorlopig voorzetselobject of direct object bevat: er ... op in (5c) en 't in (5f). Onder die voorwaarde zijn de zinnen in kwestie ook acceptabel zonder het element achter de tweede pool: je |kunt| er naar verluidt op |rekenen|, je |kunt| 't hier niet echt |zien|.
Los van de intonatie is er nog een manier om vast te stellen of een constituent op de laatste zinsplaats of in de uitloop staat. Een constituent op de laatste zinsplaats maakt namelijk altijd deel uit van een verbale constituent. Zoals beschreven in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats kan een deel van het werkwoordelijk gezegde samen met andere zinsdelen op de eerste zinsplaats staan. In dat geval moet de laatste zinsplaats leeg blijven:
6Lege laatste zinsplaats bij deel van het gezegde op de eerste zinsplaats
aRekenen op behoorlijk wat protest |kun| je naar verluidt | |.
bRekenen |kun| je naar verluidt | | op behoorlijk wat protest.uitgesloten
cZien [dat hij zenuwachtig was voor die toets] |kun| je hier niet echt | |.
dZien |kun| je hier niet echt | | [dat hij zenuwachtig was voor die toets].uitgesloten
De constituenten die toegang hebben tot de laatste zinsplaats kunnen volledige zinsdelen zijn, zoals in de voorbeelden hierboven, of delen van zinsdelen. De verschillende mogelijkheden worden per constituenttype besproken in [21.6.2] Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats en [21.6.3] Adpositieconstituenten op de eerste zinsplaats.
De laatste zinsplaats heeft met het middenstuk gemeen dat er meer dan één element tegelijk gebruik kan maken van deze positie in de zin. Hoewel de laatste zinsplaats hierin duidelijk verschilt van de eerste zinsplaats, die hooguit één zinsdeel toelaat, worden er in de praktijk zelden meer dan twee constituenten aangetroffen:
Een alternatieve benaming voor de laatste zinsplaats is 'achterveld'. Op dezelfde manier wordt naar 'de eerste zinsplaats verwezen met de term 'voorveld', en naar het middenstuk met de term 'middenveld'.
7Meer dan één constituent op de laatste zinsplaats
aKarel |heeft| vandaag |beweerd| [over deze kinderen] [dat ze gelijk hebben].
bKarel |heeft| vandaag |beweerd| [dat ze gelijk hebben] [over deze kinderen].# unacceptableWithIntendedReading
In (7) staan zowel het voorzetselobject over deze kinderen als het direct object dat ze gelijk hebben op de laatste zinsplaats. De volgorde van deze constituenten is daarbij van belang, zo blijkt uit (7b). Deze volgorde is, met de bedoelde betekenis, onmogelijk als beide constituenten op de laatste zinsplaats staan. Alleen met over deze kinderen in de uitloop, dus buiten het intonatiedomein van de zin, is de volgorde acceptabel. De volgordetendens van (7a) is opmerkelijk, want de basisvolgorde in het middenstuk schrijft immers voor dat het direct object voorafgaat aan het voorzetselobject: Karel |heeft| vandaag [allerlei onzin] [over deze kinderen] |beweerd|. Ook een prepositioneel indirect object (meewerkend voorwerp et cetera) gaat na de tweede pool vooraf aan het direct object:
8aKarel |heeft| vandaag mede|gedeeld| [aan deze kinderen] [dat ze gelijk hebben].
bKarel |heeft| vandaag mede|gedeeld| [dat ze gelijk hebben] [aan deze kinderen].uitgesloten
cKarel |heeft| deze kinderen vandaag mede|gedeeld| [dat ze gelijk hebben] [omdat hij de discussie beu was].
dKarel |heeft| deze kinderen vandaag mede|gedeeld| [omdat hij de discussie beu was] [dat ze gelijk hebben].# unacceptableWithIntendedReading
De voorbeelden in (8a-b) demonstreren dat ook de volgorde van prepositioneel indirect object en direct object op de laatste zinsplaats tegengesteld is aan de basisvolgorde in het middenstuk: Karel |heeft| vandaag [allerlei onzin] [aan deze kinderen] mede|gedeeld|. Bijwoordelijke bepalingen gaan in het middenstuk vooraf aan het direct object, en ook deze volgorde is omgekeerd op de laatste zinsplaats: (8c-d) contrasteren met Karel |heeft| deze kinderen [om futiele redenen] [allerlei onzin] mede|gedeeld|. De volgorde in (8d) is weliswaar mogelijk, maar alleen wanneer omdat hij de discussie beu was als een tussenzin fungeert (en dus buiten het intonatiedomein geplaatst is). Ten slotte treedt spiegeling van de volgorde ook bij bepalingen onderling op:
9aKarel |heeft| 't hun naar alle waarschijnlijkheid mede|gedeeld| [op verzoenende toon] [tijdens de lunch].
bKarel |heeft| 't hun naar alle waarschijnlijkheid mede|gedeeld| [tijdens de lunch] [op verzoenende toon].# unacceptableWithIntendedReading
cKarel |heeft| 't hun mede|gedeeld| [op verzoenende toon] [tijdens de lunch], naar alle waarschijnlijkheid.
De laatste zinsplaats wordt in (9) bezet door een bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid (op verzoenende toon), gevolgd door een bepaling van tijd (tijdens de lunch). Dit zijn allebei zogenaamde gezegdebepalingen die in het middenstuk de omgekeerde volgorde vertonen (tijd komt voor wijze). De volgorde in (9b) is dan ook alleen mogelijk als op verzoenende toon in de uitloop staat. De bijwoordelijke bepaling van modaliteit naar alle waarschijnlijk staat in (9d) ook in de uitloop. Dit soort zinsbepalingen kan nooit op de laatste zinsplaats staan. Dit blijkt enerzijds uit het feit dat ze achter de tweede pool buiten het intonatiedomein van de zin vallen, en anderzijds uit het feit dat ze niet samen met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kunnen staan:
10aMedegedeeld op verzoenende toon tijdens de lunch |heeft| /{/Kárel} 't hun naar alle waarschijn\lijkheid ||.
bMedegedeeld op verzoenende toon tijdens de lunch |heeft| /{/Kárel} 't hun\ ||, naar alle waarschijnlijkheid.
cMedegedeeld op verzoenende toon tijdens de lunch naar alle waarschijnlijkheid |heeft| Karel 't hun ||.# unacceptableWithIntendedReading
De voorbeelden in (10a-b) tonen aan dat gezegdebepalingen samen met een deelwoord op de eerste zinsplaats kunnen staan. De zinsbepaling naar alle waarschijnlijkheid kan dat niet, getuige (10c). Deze bepaling kan in (10) zowel binnen als buiten het intonatiedomein van de zin vallen. Het is namelijk het laatste element in het middenstuk (10a) of het eerste (en enige) element na de tweede pool (10b). Dat (10c) niet volledig onacceptabel is, komt doordat naar alle waarschijnlijkheid als een intercalatie de zin na de eerste zinsplaats kan onderbreken, zoals een tussenzin dat kan (zie 8d). Ook bij zinnen als in (11) kan een lege tweede pool, afhankelijk van de volgorde en de intonatie, op verschillende plaatsen worden gelokaliseerd:
11aKarel |vertelde| 't hun waarschijnlijk [tijdens de lunch] [op verzoenende toon] |Ø|.
bKarel |vertelde| 't hun waarschijnlijk [tijdens de lunch] |Ø| [op verzoenende toon].
cKarel |vertelde| 't hun waarschijnlijk |Ø| [op verzoenende toon] [tijdens de lunch].
dKarel |vertelde| 't hun waarschijnlijk [op verzoenende toon] |Ø| [tijdens de lunch].
Ervan uitgaande dat alle zinsdelen in (11) deel uitmaken van de eigenlijke zin, is het mogelijk dat beide gezegdebepalingen in het middenstuk staan (11a). Een andere mogelijkheid bij deze volgorde is dat alleen op verzoenende toon de laatste zinsplaats bezet (11b). Met de omgekeerde volgorde kunnen beide gezegdebepalingen op de laatste zinsplaats staan (11c). Het alternatief is dat alleen tijdens de lunch zich daar ophoudt (11d).
Afhankelijke zinnen en adpositieconstituenten kunnen achter de tweede pool dus zowel op de laatste zinsplaats staan als in de uitloop. De intonatie van de zin maakt vaak duidelijk op welke plaats zo'n constituent staat: de laatste zinsplaats maakt deel uit van het intonatiedomein van de eigenlijke zin; de uitloop heeft of een vlakke intonatie, of een eigen intonatiecontour. Dit is bij vlot gesproken taal niet altijd eenvoudig te bepalen, en bij geschreven taal is dat zo mogelijk nog lastiger. Bij meerdere constituenten achter de tweede pool kan de onderlinge volgorde dus verraden waar een element staat, mits de tweede pool gevuld is. Is dit niet het geval, dan kan één en dezelfde zin tot verschillende analyses leiden.
Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat afhankelijke zinnen en adpositieconstituenten op de laatste zinsplaats alle zinsdeelsfuncties kunnen vervullen die ze ook in het middenstuk kunnen vervullen. Een belangrijke uitzondering betreft inherente zinsdelen. Afgezien van de eerste zinsplaats komen dit soort zinsdelen alleen in het middenstuk voor, XXX en wel vlak voor de tweede pool:
12Inherente zinsdelen: niet op de laatste zinsplaats
aEmma |is| vandaag de hele dag in de tuin |geweest|.naamwoordelijk deel van het gezegde
bEmma |is| vandaag de hele dag |geweest| in de tuin.uitgesloten
cIk |heb| mijn laptop op het bureau |gezet|.verplichte bijwoordelijke bepaling van plaats
dIk |heb| mijn laptop |gezet| op het bureau.uitgesloten
Zowel bij afhankelijke zinnen als bij adpositieconstituenten is er een uitzondering op deze regel.
Nominale, adjectivische en adverbiale constituenten achter de tweede pool
Nominale constituenten die verplicht aanwezig zijn staan in de regel in het middenstuk of op de eerste zinsplaats. In de volgende zinnen wordt de tweede pool gevolgd door een substantivische nominale constituent:
13Een substantivische nominale constituent achter de tweede pool
aJou |zal| ik altijd |blijven noemen|: mijn beste vriend.
bBij deze |werden| tot commissaris |benoemd| de heer J.J. Meesters en mevrouw C.L. Vandenhende.
c(Een dezer dagen is een centrum-linkse coalitie gevormd van vijf partijen,) die |Ø| vermoedelijk als presidentskandidaat |zal aanwijzen| oud-president Hernan Siles Zuazo.
dGisteren |ben| ik achtereenvolgens tegen|gekomen|: de Janssens, mevrouw Scherps, die jongen van Martens en ten slotte jullie twee.
e|Doe| wég |Ø| die telefoon!
Met uitzondering van die telefoon in (13e) gaat het hier om nominale constituenten met een hoge informatiewaarde, die in de uitspraak zullen worden beklemtoond. In (13a) wordt mijn beste vriend echter voorafgegaan door een duidelijke intonatiebreuk. Deze volgordemogelijkheid bestaat altijd bij de aanvulling van heten, luiden en noemen en wordt vaker gebruikt naarmate die aanvulling informatief belangrijker is of uitgebreider is. Vergeleken met plaatsing van de aanvulling in het middenstuk (jou |zal| ik altijd mijn beste vriend |blijven noemen|) worden zinnen als (13a) als expressiever of stilistisch fraaier beschouwd. Hetzelfde effect wordt aangetroffen in ambtelijk en journalistiek taalgebruik (13b-c). Hier kan een subject (onderwerp) of direct object op de tweede pool volgen. Opsommingen zoals die in (13d) komen in alle registers voor. Ook hier geldt dat er een duidelijke intonatiebreuk is en dat plaatsing voor de tweede pool minder waarschijnlijk is naarmate de lengte van de opsomming toeneemt. Bevelzinnen en aansporende zinnen met een scheidbaar samengesteld werkwoord als (13e) zijn eveneens gangbaar. Plaatsing van het direct object achter de tweede pool maakt het mogelijk het eerste deel van het werkwoord te benadrukken.
Het feit dat er bij dit soort voorbeelden vaak sprake is van een intonatiebreuk na de tweede pool doet vermoeden dat de nominale constituenten in kwestie niet op de laatste zinsplaats staat, maar in de uitloop. Dit betekent dat de nominale constituent niet tot de eigenlijke zin behoort. Bij (13e) is dit goed voorstelbaar, aangezien een uiting als |doe| wég in de juiste context adequaat kan zijn. In de andere gevallen vervult de nominale constituent echter de functie van een verplicht aanwezig zinsdeel. Op dit zinsdeel kan vrijwel altijd geanticipeerd worden met een extra element in het middenstuk:
14aJou |zal| ik altijd zo |blijven noemen|: mijn beste vriend.
bBij deze |werden| de volgende leden tot commissaris |benoemd| de heer J.J. Meesters en mevrouw C.L. Vandenhende.
c(Een dezer dagen is een centrum-linkse coalitie gevormd van vijf partijen,) die |Ø| vermoedelijk de volgende persoon als presidentskandidaat |zal aanwijzen| oud-president Hernan Siles Zuazo.
dGisteren |ben| ik achtereenvolgens deze bekenden tegen|gekomen|: de Janssens, mevrouw Scherps, die jongen van Martens en ten slotte jullie twee.
e|Doe| hem wég |Ø|, die telefoon!
Dit suggereert dat zo'n extra element de reguliere positie in het middenstuk van de eigenlijke zin bezet, en de nominale constituent achter de tweede pool in de uitloop staat. Zo'n analyse wordt bevestigd door de volgende zinnen:
15aBlijven noemen mijn beste vriend |zal| ik jou altijd wel | |.uitgesloten
bTegengekomen achtereenvolgens de Janssens, mevrouw Scherps, die jongen van Martens en ten slotte jullie twee |ben| ik gisteren | |.uitgesloten
In (15) staat een deel van het gezegde samen met een ander zinsdeel op de eerste zinsplaats. Een nominale constituent op de laatste zinsplaats zou samen met de infinitief of met het deelwoord de eerste zinsplaats moeten bezetten (zie ook (6)). Dit leidt tot onacceptabele zinnen. Geconcludeerd moet worden dat de gevallen in (13) bij uitzondering een verzwegen element in het middenstuk hebben, dat in de uitloop wordt gespecificeerd door een nominale constituent.
De ANS volgt met deze analyse (Broekhuis et al. 2015). Hiermee wordt afgeweken van de traditie, die voorschrijft dat nominale constituenten als in (13), evenals adjectivische en adverbiale in de voorbeelden hieronder, wel op de laatste zinsplaats staan.
Adjectivische constituenten die volgen op de tweede pool kunnen nooit het belangrijkste zinsaccent dragen en horen om die reden dus niet bij het intonatiedomein van de eigenlijke zin:
16Een adjectivische constituent achter de tweede pool
aEmma |heeft| haar kinderen van/daag |geïnstru\eerd|, ontzettend geduldig.
bEmma |heeft| haar kinderen van/daag |geïnstrueerd| met ontzettend veel geduld\.
In (16a) staat er een bepaling van hoedanigheid in de vorm van een adjectivische constituent (ontzettend geduldig) in de uitloop. Dat dit zinsdeel niet op de laatste zinsplaats staat, ligt aan de categoriale status. Min of meer dezelfde bepaling kan in de vorm van een adpositieconstituent de laatste zinsplaats namelijk wel bezetten (16b). Voor adverbiale constituenten geldt hetzelfde:
17Een adverbiale consituent achter de tweede pool
aEmma's kinderen |willen| /moeilijke boeken |le\zen|, geregeld.
bEmma's kinderen |willen| /moeilijke boeken |lezen| met grote re\gelmaat.
De bijwoordelijke bepaling van frequentie (geregeld) staat achter de tweede pool in de uitloop (17a). De adpositieconstituent met grote regelmaat heeft dezelfde functie en staat in (17b) op de laatste zinsplaats.
Ook in deze voorbeelden blijkt dat de adjectivische of adverbiale constituent niet samen met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kan staan:
18aGeïnstrueerd ontzettend geduldig |heeft| Emma haar kinderen vandaag | |.uitgesloten
bGeïnstrueerd met ontzettend veel geduld |heeft| Emma haar kinderen vandaag | |.
cMoeilijke boeken lezen geregeld |willen| Emma's kinderen erg graag | |.uitgesloten
dMoeilijke boeken lezen met grote regelmaat |willen| Emma's kinderen erg graag | |.
Dezelfde bepalingen kunnen het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats wel vergezellen als ze de vorm hebben van een adpositieconstituent (18b/d).
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links