18.5.4.1 Zien,
horen,
voelen met korte infinitief
Perceptiewerkwoorden (ook gekend als waarnemingswerkwoorden of verba sentiendi) worden gebruikt
om een zintuigelijke waarneming uit te drukken. Sommige van de
perceptiewerkwoorden, meer bepaald
horen, zien
en meer zelden ook
voelen, vormen frequent een
objectgeoriënteerde werkwoordconstructie met een korte
infinitief.
Eventueel kan dit rijtje nog aangevuld worden met het perceptiewerkwoord
ruiken maar dit
gebruik lijkt beperkt te zijn tot de vaste uitdrukking
iets ruiken
aanbranden.
Proeven met korte
infinitief lijkt uitgesloten. Zie Holierhoek (1980: 71) voor een
mogelijke verklaring.
De constructie drukt uit dat het onderwerp van de zin de werking in de
infinitief waarneemt, zoals geïllustreerd in (1a-1c).In wat volgt bespreken we enkele eigenschappen van infinitiefconstructies met een
perceptiewerkwoord.
Verder lezen
Betekenis
Perceptiewerkwoorden met korte infinitief drukken uit dat het onderwerp van de zin de werking in
de infinitief waarneemt. Het gaat typisch om perceptie van reëel waarneembare
situaties door middel van de zintuigen, zoals in (2a-2c).
Het gebruik van zien met korte infinitief strekt
zich ook uit tot niet-reële waarneming. Zo kan de constructie ‘waarnemen in de
herinnering of fantasie’ uitdrukken, zoals in (3a-3b). Dergelijk gebruik is vaak
vergezeld van de partikels nog,
weer of
al.
Daarnaast kan zien met korte infinitief ook gebruikt
worden met de betekenis ‘verwachten, voorspellen dat iets zal gebeuren’, zoals
in (4a-4b). De constructie drukt op die manier epistemische modaliteit uit waarbij de spreker de kans dat de gebeurtenis in de toekomst zal
gebeuren als waarschijnlijk inschat.
Ten slotte wordt de constructie gebruikt in contexten waar nog nauwelijks sprake is van echte waarneming, zoals in (5a-5b). De betekenisbijdrage van de constructie is erg verbleekt. Het onderwerp van de zin is op één of andere manier ‘persoonlijk betrokken’ bij de werking in de infinitief, bijvoorbeeld als begunstigde in (5a) of als benadeelde in (5b).
Open plek voor werkwoorden
Tabel 1. Meest frequente infinitieven bij
zien,
horen,
voelen
| Zien | Horen | Voelen | |||
| zitten | 61 | zeggen | 11 | aankomen | 5 |
| staan | 39 | praten | 5 | … | … |
| liggen | 23 | roepen | 3 | ||
| gebeuren | 16 | noemen | 2 | ||
| gaan | 9 | spreken | 2 | ||
| komen | 9 | vertellen | 2 | ||
| lopen | 7 | … | … | ||
| aankomen | 6 | ||||
| … | … | ||||
| Type | 87 | Type | 24 | Type | 9 |
| Token | 266 | Token | 43 | Token | 13 |
Tabel 1 toont dat de open plek in werkwoordconstructies met perceptiewerkwoorden een relatief
beperkte invulling heeft.
De cijfers gelden voor tweeledige
werkwoordgroepen in de dataset van Coussé & Bouma (2022). De
tokenfrequentie geeft het totale aantal werkwoordconstructies weer. De
typefrequentie staat voor het aantal verschillende infinitieven in die
werkwoordconstructies.
Het minder frequente
voelen komt meermaals voor
in de uitdrukking een aanval voelen
aankomen, zoals in (6a).
Horen komt vooral met werkwoorden voor die een vorm van communicatie uitdrukken die door het gehoor waargenomen kan worden, zoals in (7a-7b).
Het frequente zien komt het vaakst voor werkwoorden
van lichaamshouding of beweging, zoals geïllustreerd in (8a-8c).
Daartoe horen ook de vaste uitdrukkingen iets niet/wel zien
zitten in (9a) en iemand
niet zien staan in (9b).
Houdingswerkwoorden leveren geringe betekenisbijdrage
Verdieping
Houdingswerkwoorden leveren geringe betekenisbijdrage
Holierhoek (1980: 67-69) observeert dat de houdingswerkwoorden in combinatie met
zien vaak slechts
een geringe betekenisbijdrage leveren. Dergelijke gevallen kunnen
geïllustreerd worden met de corpuszinnen (ia-id).
Typisch voor dergelijke zinnen is dat de infinitief niet geaccentueerd kan worden in de uitspraak. Het lijdend voorwerp is vaak een onbepaalde nominale constituent.
Zie voor een vergelijkbaar gebruik van hebben met
korte infinitief.
Geïmpliceerd onderwerp
Een bijzondere syntactische eigenschap van werkwoordconstructies met een perceptiewerkwoord is
dat het geïmpliceerd onderwerp van de infinitief niet als het onderwerp van de
zin verschijnt maar als het lijdend voorwerp. Ze zijn met andere woorden
objectgeoriënteerd. We kunnen dat verschijnsel het
beste illustreren met zinnen als (10a-10c) waarbij het geïmpliceerd onderwerp
een voornaamwoord is. Zo krijgt het geïmpliceerd onderwerp bij
grabbelen in (10a) niet de
onderwerpsvorm ik maar de
niet-onderwerpsvorm mij. 5.2.6
Opvallend is dat het geïmpliceerd onderwerp bij horen
soms onuitgedrukt kan blijven, zoals in (11a), of verschijnt als een
door-bepaling in de plaats
van een lijdend voorwerp, zoals in (11b).
Beide verschijnselen lijken beperkt tot infinitieven met een lijdend
voorwerp, zoals in (11a), of infinitieven met een voorzetselvoorwerp,
zoals in (11b).
Accusativus-cum-infinitivo-constructie
Verdieping
Accusativus-cum-infinitivo-constructie
In de literatuur worden werkwoordconstructies met perceptiewerkwoorden vaak
accusativus-cum-infinitivo-constructies (ook
kortweg AcI-constructies) genoemd. Men gaat er in
dat geval vanuit dat het lijdend voorwerp en de infinitief een
syntactisch eenheid vormen die afhankelijk is van het
perceptiewerkwoord. Voor een uitwerking van die analyse in het kader van
de generatieve grammatica verwijzen we naar Bennis (2000: 6.7), Klooster
(2001: 6.3.1.1.2.d) en de SoD (5.2.3.3). Voor een alternatieve
functionele analyse verwijzen we naar de artikelen van Duinhoven (1991)
en Colleman (2007) en het handboek van Vandeweghe (2000: 34.1).
Groepsvorming
De perceptiewerkwoorden met korte infinitief zijn verplicht groepsvormend. Ze vormen een werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen, zoals in (8a-8b), en in hoofdzinnen in het bereik van een ander groepsvormend werkwoord in (8c).
Het perceptiewerkwoord met infinitief vertoont ook het IPP-effect in de voltooide
werkwoordstijden, zoals geïllustreerd voor
zien,
horen en
voelen respectievelijk in
(9a-9c).
Literatuur
Droste 1958-1959, Zajicek 1970, De Geest 1970, 1973, 1975, De Schutter 1974, Zwaan 1971, 1974,
Holierhoek 1980, Taeldeman 1986, Bennis & Hoekstra 1989, Duinhoven 1991, Dik
& Hengeveld 1991, Fischer 1994, Petter 1998, Pardoen 1998, Colleman 2007
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.8,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/08/body.html; |
