Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.5.2 De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde
Zoals beschreven in [21.5.1] hebben zowel verplicht als toevallig aanwezige constituenten een vaste volgorde in het middenstuk. Die vaste volgorde betreft met name de rechterkant van het middenstuk. De linkerkant van het middenstuk staat open voor verschillende soorten zinsdelen: het subject (onderwerp) en de objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et cetera) staan bij voorkeur links van bijwoordelijke bepalingen als ze bekende informatie vertegenwoordigen. Die voorkeur is het sterkst bij persoonlijke voornaamwoorden. De plaatsing van deze zinsdelen is niettemin afhankelijk van andere zinsdelen: een direct object kan alleen links in het middenstuk staan als ook het indirect object daar staat, en dat is op zijn beurt weer afhankelijk van het subject:
Verplicht aanwezige zinsdelen links in het middenstuk
... |eerste pool| [subject] [indirect object] [direct object] [zinsbepalingen ...]
(Karel zei) |dat| hij waarschijnlijk snel een nieuwe auto |zou moeten kopen|.
(Emma voelde aan) |dat| hij haar natuurlijk weer |zou vragen| om mee te gaan.
(Dat vond ze best,) |mits| Karel haar zijn keuze niet tegen haar zin |zou opleggen|
Gereduceerde vormen van (onder andere) persoonlijke voornaamwoorden sluiten in dit schema rechts aan bij het subject, of, indien dat op de eerste zinsplaats staat, rechts van de tweede pool. Volle vormen van de voornaamwoorden volgen bij neutrale beklemtoning direct op gereduceerde vormen en bepaalde constituenten houden zich tussen de zinsbepalingen op. Objecten kunnen alleen links in het middenstuk staan als het subject daar ook staat, en voor het direct object en het indirect object geldt iets soortgelijks. Bij afwijkende beklemtoning kunnen zinsdelen op plaatsen staan waar ze normaal gesproken niet bij voorkeur staan. Voor onbepaalde constituenten betekent dat vaak een verschil in interpretatie: van niet-specifiek naar specifiek of categoriaal.
De onderlinge volgorde van subject en objecten blijft vrijwel altijd intact. Alleen een niet-handelend subject wordt soms vooraf gegaan door een indirect object: (het schijnt) |dat| Emma die internetproblemen maar matig |bevielen|. Daarnaast kan een subject dat contrastieve nadruk krijgt worden voorafgegaan door één zinsdeel, mits dat zinsdeel een tweede zinsaccent draagt: (ze zeggen) |dat| met dít weer {zelfs Kárel} liever binnen |blijft|.
Verder lezen
Zinnen met neutrale beklemtoning
Voor de beschrijving van de woordvolgorde in de linkerhelft van het middenstuk is het zinvol onderscheid te maken tussen zinnen met neutrale beklemtoning en zinnen waarin de accentuering hiervan afwijkt. In zinnen met een neutrale beklemtoning valt het belangrijkste zinsaccent op het zinsdeel vlak voor of vlak achter de tweede pool:
1a(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational helikopters {aan wérknemers} uit|deelt|.
b(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational helikopters uit|deelt| {aan wérknemers}.
In (1a) valt het belangrijkste zinsaccent vlak voor de tweede pool op aan werknemers, een prepositioneel indirect object (hier: meewerkend voorwerp). Als een zin gebruik maakt van de laatste zinsplaats, zoals in (1b), valt het belangrijkste zinsaccent achter de tweede pool. Net als elders in dit hoofdstuk wordt in (1) het zinsdeel met het belangrijkste zinsaccent omsloten door accolades en voorzien van een accent op de zwaarst beklemtoonde lettergreep. Hoewel dit niet steeds expliciet zal worden weergegeven, hebben alle voorbeeldzinnen in deze sectie een neutrale beklemtoning als in (1). De te bespreken woordvolgorderegels gelden in ieder geval voor deze zinnen. De volgende sectie beschrijft in welke gevallen van die regels wordt afgeweken in zinnen met een niet-neutrale beklemtoning.
Verplicht aanwezige zinsdelen zoals subject (onderwerp), direct object (lijdend voorwerp) en indirect object in de vorm van een gereduceerd voornaamwoord staan altijd links in het middenstuk. De referent van zo'n zinsdeel wordt meestal bekend verondersteld bij de hoorder of lezer, waardoor de plaatsing in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. Zoals reeds beschreven in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit, sluiten gereduceerde vormen direct aan bij de eerste pool. Als het subject zelf geen gereduceerde vorm is, moet het in het middenstuk tussen de eerste pool en de gereduceerde vormen in staan:
2Gereduceerde voornaamwoorden: (uiterst) links in het middenstuk
a(Emma zei over die helikopter) |dat| de directeur van een grote multinational 'm 'r naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven had|.
b(Emma zei over Bertus en die helikopter) |dat|-ie 'm 'r naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven had|.
cDe directeur van een grote multinational |had| 'm 'r naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven|.
d(Emma zei over die helikopter) |dat| naar verluidt de directeur van een grote multinational 'm 'r met lichte tegenzin |gegeven had|.uitgesloten
De voorbeelden in (2) laten zien dat het subject in aanwezigheid van gereduceerde objectsvormen als 'm en 'r direct op de eerste pool volgt, tenzij het op de eerste zinsplaats staat (2c). Anders dan in de nieuwszinnen uit [21.5.1] kan het subject in dit soort zinnen niet in de rechterhelft van het middenstuk staan, wat neer zou komen op een positie rechts van een zinsbepaling zoals naar verluidt in (2d). De onderlinge volgorde van de gereduceerde vormen verschilt overigens van die van subject en objecten in de rechterhelft van het middenstuk. Bij de gereduceerde vormen gaat het direct object vooraf aan het indirect object, wat bij alle andere vormen precies omgekeerd is. Dit wordt duidelijk in de voorbeelden in (3):
3Volle voornaamwoorden: bij voorkeur links in het middenstuk
a(Bertus zei) |dat| hij naar verluidt met lichte tegenzin zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven had|.
b(Hij vertelde Emma niet) |dat| hij haar naar verluidt met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|.
c(Emma zei over die helikopter) |dat| Bertus haar die naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven had|.
Volle voornaamwoorden worden, met uitzondering van onbepaalde vormen zoals iemand en iets, bij voorkeur links in het middenstuk geplaatst. De onderlinge volgorde van subject, indirect object en direct object is identiek aan die in de rechterhelft van het middenstuk: haar die in (3c) heeft dezelfde volgorde als zijn trouwste werknemer een helikopter in (3a).
Onderlinge volgorde van volle voornaamwoorden
Verdieping
Onderlinge volgorde van volle voornaamwoorden
Naast het voorbeeld in (3c) kan ook de volgende zin voorkomen:
i(Emma zei over die helikopter) |dat| Bertus die haar naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven had|.
Bij volle voornaamwoorden ligt de onderlinge volgorde van indirect en direct object dus minder vast dan de volgorde tussen enerzijds subject en anderzijds objecten.
De volgende zinnen demonstreren dat volle voornaamwoorden volgen op eventuele gereduceerde vormen:
4aDe directeur van een grote multinational |had| 'm haar naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven|(, die helikopter).
bDe directeur van een grote multinational |had| 'r die naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven|(, Emma).
Dit betekent dat een gereduceerd direct object vooraf kan gaan aan een volle vorm met de functie van indirect object ('m haar in (4a)). Andersom kan een gereduceerd indirect object voorafgaan aan een volle vorm met de functie van direct object ('r die in (4b)).
De zinnen in (3) suggereren nog iets anders, namelijk dat het direct object alleen links in het middenstuk (dus links van een zinsbepaling) staat als ook het indirect object daar staat (3c), en dat het indirect object alleen links in het middenstuk staat als ook het subject zich daar ophoudt (3b). De voorbeelden in (4) bevestigen dit:
5Indirect object niet zonder subject, direct object niet zonder indirect object links in het middenstuk
a(Emma zei) |dat| haar naar verluidt de directeur met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|.uitgesloten
b(Emma zei) |dat| de directeur haar naar verluidt met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|.
c(Karel zei over de helikopter) |dat| die naar verluidt de directeur met lichte tegenzin zijn trouwste werknemer |gegeven had|.uitgesloten
d(Karel zei over de helikopter) |dat| zijn trouwste werknemer die naar verluidt de directeur met lichte tegenzin |gegeven had|.uitgesloten
e(Karel zei over de helikopter) |dat| de directeur zijn trouwste werknemer die naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven had|.
De voorbeelden in (5b) en (5e) laten zien dat ook een bepaalde substantivische constituent als subject of object links in het middenstuk kan staan. Dit gebeurt wanneer zo'n zinsdeel bekende informatie vertegenwoordigt:
6Bepaalde, niet-pronominale zinsdelen: bij voorkeur links van bijwoordelijke bepalingen
a(Die directeur, wat heeft die nu gedaan?) Hij |heeft| gisteren vermoedelijk tijdens een conferentie z'n helikopter weg|gegeven|.# unacceptableWithIntendedReading
bHij |heeft| gisteren vermoedelijk z'n helikopter tijdens een conferentie weg|gegeven|.
c(Die helikopter, wat heeft-ie daar nu mee gedaan?) Hij |heeft| gisteren z'n helikopter vermoedelijk tijdens een conferentie weg|gegeven|.
dHij |heeft| z'n helikopter gisteren vermoedelijk tijdens een conferentie weg|gegeven|.# unacceptableWithIntendedReading
eHij |heeft| hem gisteren vermoedelijk tijdens een conferentie weg|gegeven|.
fHij |heeft| gisteren hem vermoedelijk tijdens een conferentie weg|gegeven|.# unacceptableWithIntendedReading
De voorbeelden in (6a-b) laten zien dat wanneer z'n helikopter tot de informatieve kern van de zin behoort, dat zinsdeel in de rechterhelft van het middenstuk staat. Het neemt bij voorkeur een positie links van de gezegdebepaling tijdens een conferentie in (6b). De omgekeerde volgorde (6a) is ook mogelijk, maar alleen met een contrastief accent op z'n helikopter. Vertegenwoordigt de helikopter juist bekende informatie, zoals in de context van (6c), dan staat z'n helikopter bij voorkeur tussen de zinsbepalingen gisteren en vermoedelijk. Het object kan ook verder naar links staan, zoals in (6d), maar dat kan alleen met een (licht) zinsaccent op gisteren. Bij volle voornaamwoorden geldt precies het omgekeerde: de positie links van gisteren is mogelijk bij neutrale beklemtoning; bij plaatsing rechts van de zinsbepaling moet het voornaamwoord zelf sterk worden beklemtoond (6d-e).
Onbepaalde substantivische constituenten komen in neutraal beklemtoonde zinnen niet voor in de linkerhelft van het middenstuk. Wel kunnen ze, net als de bepaalde constituent in (6b), makkelijk links staan van een (gezegde)bepaling van plaats of tijd:
7Onbepaalde constituenten: eventueel links van gezegdebepalingen van plaats of tijd
aHij |heeft| vermoedelijk tijdens een conferentie een helikopter weg|gegeven|.
bHij |heeft| gisteren vermoedelijk een helikopter tijdens een conferentie weg|gegeven|.
cHij |heeft| vermoedelijk een helikopter op televisie weg|gegeven|.
dHij |heeft| vermoedelijk een helikopter met lichte tegenzin weg|gegeven|.# unacceptableWithIntendedReading
De voorbeelden in (7) demonstreren de beide plaatsingsmogelijkheden. Het direct object is het meest prominente zinsdeel in (7a), en in (7b) is dat de gezegdebepaling van tijd. Dit correspondeert met het hoofdaccent in de zin, dat vlak voor de tweede pool valt. De voorbeelden in (7c-d) laten zien dat het direct object wel links van een plaatsbepaling kan staan, maar dat dit bijvoorbeeld niet mogelijk is bij een bepaling van volitie. Daar moet de beklemtoning afwijken om de zin acceptabel te maken: een helikopter krijgt speciale nadruk (zie ook de voorbeelden in (11)).
Op basis van deze voorbeelden kan de linkerhelft van het middenstuk schematisch als volgt worden weergegeven:
Schema 1: de volgorde van zinsdelen aan de linkerkant van het middenstuk
... |eerste pool| subject gereduceerde voornaamwoorden (objectsvormen) volle voornaamwoorden (objectsvormen) zinsbepalingen (1) bepaalde substantivische constituenten (subject, objecten) zinsbepalingen (2) rechterhelft van het middenstuk ...
gereduceerd voornaamwoord/ vol voornaamwoord/ substantivische constituent direct/oorzakelijk object - indirect object - voorzetselobject indirect object - direct/oorzakelijk object - voorzetselobject - aanwijzende bijwoorden subject - indirect object - direct object
(Ik hoorde) |dat| Emma afgelopen zomer Karel vermoedelijk tijdens die ene hittegolf ten huwelijk |heeft gevraagd|.
Vanzelfsprekend |wilde| hij haar toen vanwege de hitte het antwoord niet voorlopig schuldig |blijven|.
Toch |gaat| ze 'm er zo nu en dan waarschijnlijk even aan |herinneren|.
Dit schema gaat uit van een neutrale beklemtoning en geeft aan welke positie verschillende zinsdelen, afhankelijk van hun verschijningsvorm, links van eventuele zinsbepalingen innemen. De laatstgenoemde zinsdelen markeren de grens tussen de linkerkant en de rechterkant van het middenstuk. Ervan uitgaande dat het subject niet op de eerste zinsplaats staat, staat dat zinsdeel uiterst links in het middenstuk. Het kan daar alle denkbare vormen aannemen en wordt direct gevolgd door gereduceerde voornaamwoorden in objectsfunctie, als de zin die bevat. Eventuele volle voornaamwoorden in objectsfunctie en aanwijzende bijwoorden zoals toen, volgen hier (bij voorkeur) weer op. Bepaalde substantivische constituenten in de vorm van subject of objecten staan (bij voorkeur) tussen eventuele zinsbepalingen in. De onderlinge volgorde van subject en objecten blijft bij dit alles behouden. Dat houdt bijvoorbeeld in dat de zin geen voornaamwoordelijke objecten kan bevatten als het subject tussen de zinsbepalingen staat. Als het indirect object tussen de zinsbepalingen in staat, kan er wel een gereduceerde subjectsvorm zijn, maar geen gereduceerd direct object, enzovoort.
In zinnen met een niet-handelend subject en een indirect object, zoals in (8), is er soms variatie op de onderlinge volgorde van subject en indirect object in de vorm van volle voornaamwoorden of substantivische nominale constituenten:
8Variatie in de onderlinge volgorde van subject en indirect object links in het middenstuk
a(Bertus dacht) |dat| Emma dit model helikopter waarschijnlijk zeer goed |zou bevallen|.
b(Bertus dacht) |dat| dit model helikopter Emma waarschijnlijk zeer goed |zou bevallen|.
c(Karel wist niet) |of| haar die vlieglessen misschien door het bedrijf |werden aangeboden|.
(Karel wist niet) |of| die vlieglessen haar misschien door het bedrijf |werden aangeboden|.
Deze voorbeelden laten zien dat een indirect object, Emma of haar, in de linkerhelft van het middenstuk vooraf kan gaan aan het subject van een werkwoord als bevallen (7a) of van een passiefconstructie (7b). De omgekeerde volgorde, zoals gedemonstreerd door (7b/d), is uiteraard ook mogelijk. De beklemtoning is bij beide zinnen neutraal.
Zinnen met afwijkende beklemtoning
Over volle voornaamwoorden is in de voorgaande sectie gezegd dat ze bij voorkeur links van alle zinsbepalingen staan (zie de voorbeelden in (3). Dit impliceert dat ze ook elders kunnen staan, bijvoorbeeld tussen de zinsbepalingen. De volgende zinnen bevestigen dit:
9Volle voornaamwoorden en bepaalde niet-voornaamwoordelijke constituenten rechts van zinsbepalingen
a(Bertus zei) |dat| vermoedelijk {híj} met lichte tegenzin zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven had|, (niet zíj).
b(Emma zei) |dat| vermoedelijk de directeur van een grote multinational {háár} met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|, (in plaats van haar vriendín).
c(Emma zei) |dat| vermoedelijk {de directeur van een grote multinátional} haar met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|, (niet de burgemeester van de stad).
d(Bertus zei over de helikopter) |dat| hij ogenschijnlijk zijn trouwste werknemer {díe} met lichte tegenzin |gegeven had|, (en niet dat vlíegtuig).
e(Bertus zei over de helikopter) |dat| hij ogenschijnlijk {zijn trouwste wérknemer} die met lichte tegenzin |gegeven had|, (dus niet zómaar iemand).
Alle voorbeelden in (8) hebben een afwijkende beklemtoning, opgeroepen door de contrastieve context. Het hoofdaccent valt niet vlak voor (of vlak na) de tweede pool, maar steeds op een zinsdeel links van de gezegdebepaling met lichte tegenzin. De voornaamwoorden hij, haar en die kunnen tussen de modale zinsbepaling vermoedelijk/ogenschijnlijk en de gezegdebepaling in staan. Ze moeten daar ofwel zelf beklemtoond worden, zoals in (8a/b/d), ofwel direct rechts van een ander beklemtoond zinsdeel staan, zoals in (8c/e). Dat andere zinsdeel kan een bepaalde niet-voornaamwoordelijke constituent zijn, zoals zijn trouwste werknemer. Het beklemtoonde zinsdeel kan worden gecombineerd met een focuspartikel zoals zelfs of alleen: (Emma zei) |dat| vermoedelijk de directeur van een grote multinational {zelfs háár} met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|, (in plaats van haar vriendín). Dat de voornaamwoorden in kwestie ook tussen zinsbepalingen in kunnen staan, wordt bevestigd door varianten van deze zinnen die een zinsbepaling van perspectief bevatten. Ook het contrastief beklemtoonde zinsdeel kan dan tussen de twee zinsbepalingen in staan:
10a(Emma zei) |dat| naar verluidt {alleen de directeur van een grote multinátional} haar vermoedelijk met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|, (niet de burgemeester van de stad).
b(Emma zei) |dat| naar verluidt de directeur van een grote multinational {háár zelfs} vermoedelijk met lichte tegenzin een helikopter |gegeven had|, (niet de burgemeester van de stad).
Het voorbeeld in (10b) laat zien dat focuspartikels soms op de te beklemtonen constituent kunnen volgen.
Over onbepaalde constituenten is in (7) gezegd dat ze bij neutrale beklemtoning in ieder geval rechts, maar in sommige gevallen ook links van een gezegdebepaling kunnen staan. Met nadruk is dat laatste zeker ook mogelijk, maar dat heeft altijd een semantisch effect:
11Onbepaalde (voornaamwoordelijke) constituenten links van gezegdebepalingen
aIn deze stad |wordt| kennelijk ieder jaar iemand |aangesteld| om de kermis te organiseren.
bIn deze stad |wordt| kennelijk {íemand} ieder jaar |aangesteld| om de kermis te organiseren.
cIn deze stad |wordt| kennelijk ieder jaar een kermiswethouder |aangesteld|.
dIn deze stad |wordt| kennelijk {een kermiswethouder} ieder jaar |aangesteld|.
eDe directeur |wil| naar verluidt om het jaar twee helikopters |laten reviseren|.
fDe directeur |wil| naar verluidt {twéé helikopters} om het jaar |laten reviseren|.
De meest voor de hand liggende interpretatie van (10a) is dat er ieder jaar een andere persoon wordt aangesteld voor het organiseren van de kermis. Het voorbeeld in (10b), daarentegen, impliceert dat er een specifieke persoon is die ieder jaar wordt aangesteld. Het onbepaald voornaamwoord iemand draagt in die zin het belangrijkste zinsaccent en staat links van ieder jaar. Hetzelfde effect speelt in (10e-f): in (10e) zullen er om het jaar twee andere helikopters worden gereviseerd, terwijl er in (10e) twee specifieke helikopters ieder jaar opnieuw zullen worden gereviseerd. Met andere woorden: indefiniete constituenten kunnen alleen niet-specifiek zijn als ze op hun basispositie staan, oftewel rechts van eventuele gezegdebepalingen. Links daarvan krijgen ze een specifieke interpretatie. Bij deze afwijkende plaatsing hoort afwijkende beklemtoning. In (10d) krijgt kermiswethouder een categoriale betekenis: tenzij een als één wordt gelezen, lijkt de zin uit te drukken wat er in deze stad met kermiswethouders in het algemeen gebeurt. Alle voorbeelden in (10) met afwijkende beklemtoning kunnen overigens ook in contrastieve contexten dienst doen, bijvoorbeeld wanneer er in plaats van een organisatie een enkele persoon verantwoordelijk is voor de kermis, of wanneer er eerder sprake was van het reviseren van één helikopter per jaar in plaats van twee.
De voorbeelden in (12) geven een heel ander voorbeeld van afwijkende beklemtoning:
12Afwijkende beklemtoning in echovragen
aBertus |heeft| naar verluidt Emma kennelijk in de wandelgangen |gepolst| voor die nieuwe functie.
bBertus |heeft| naar verluidt {wíé} kennelijk in de wandelgangen |gepolst| voor die nieuwe functie?
cBertus |heeft| naar verluidt Emma {wáár} kennelijk |gepolst| voor die nieuwe functie?
dBertus |heeft| naar verluidt Emma kennelijk in de wandelgangen |gepolst| {voor wélke nieuwe functie}?
eBertus |heeft| naar verluidt Emma {wáár} kennelijk in de wandelgangen voor |gepolst|?
Zogenaamde echovragen herhalen een (deel van een) zin en vervangen het zinsdeel dat niet goed verstaan is of waar de hoorder verbaasd over is door een vragend (voornaam)woord. Normaliter staan zulke woorden op de eerste zinsplaats, maar met speciale nadruk kunnen ze dus ook in het middenstuk of op de laatste zinsplaats staan, zoals uit de voorbeelden in (12) blijkt. Een vragend voornaamwoord heeft, net als andere voornaamwoorden, wel de neiging verder naar links te staan dan niet-voornaamwoordelijke constituenten. In (12e) is waar dan ook gesplitst van de adpositie voor verderop in het middenstuk.
Bij alle tot nu toe gegeven voorbeelden bleef de onderlinge volgorde van subject en objecten grotendeels intact. Bij de volgende zinnen ligt dat anders:
13Volgordevariatie en een tweede zinsaccent
a(Ben jij zo goed met pubers? Nou, ik vermoed) |dat| de míjne {zelfs jíj} niet in het gareel |zou weten te krijgen|.
b(Ben jij zo goed met pubers? Nou, ik vermoed) |dat| {zelfs jíj} de mijne niet in het gareel |zou weten te krijgen|.
c(Ik geef het op! Ik denk) |dat| dít probleem {alleen een échte taalkundige} misschien naar behoren |kan oplossen|.
d(Ik geef het op! Ik denk) |dat| {alleen een échte taalkundige} dit probleem misschien naar behoren |kan oplossen|.
In deze zinnen ligt het belangrijkste zinsaccent op het subject, te weten zelfs jij en alleen een echte taalkundige. Daar waar het subject het direct object volgt, dat wil zeggen in (9a/c), krijgt dat direct object een tweede zinsaccent (weergegeven met accenttekens op de beklemtoonde lettergreep). Hiermee wordt de inhoud van de rest van de zin expliciet betrokken op dit specifieke object, te weten de mijne en dit probleem. Dit accent, en daarmee het expliciet centraal stellen van het direct object, is afwezig in (9b/d), waar de gebruikelijke onderlinge volgorde van subject en direct object van toepassing is.
Het hier beschreven effect wordt in bijvoorbeeld (Broekhuis et al. 2015) omschreven als contrastieve topic en contrastieve focus. Het subject staat is in deze zinnen contrastief gefocust, terwijl het zinsdeel dat eraan vooraf gaat als contrastief topic dienst doet. Los van de accenturering speelt ook intonatie een rol: beide accenten verschillen van elkaar in zinsmelodie.
Volgens dit patroon kan zowat ieder zinsdeel dat onderwerp van gesprek zou kunnen zijn voorafgaan aan het subject. Enkele voorbeelden zijn:
14a(Slechts weinigen hadden zakelijk inzicht. Bertus merkte) |dat| over het bedríjfsleven {zelfs híj} misschien zijn trouwste werknemer |kon bijpraten|.
b(Slechts weinigen hadden veel kaas gegeten van het bedrijfsleven. Bertus merkte) |dat| dáár {zelfs híj} misschien zijn trouwste werknemer over |kon bijpraten|.
c(Emma vreesde het einde van het boekjaar. Ze had al eerder gemerkt) |dat| in díé periode {zelfs Bértus} stiller |was| dan normaal.
in deze voorbeelden wordt het subject voorafgegaan door respectievelijk een voorzetselobject (14a), een voornaamwoordelijk bijwoord (14b) en een bijwoordelijke bepaling (14c). De beklemtoonde zinsdelen lijken zich tussen de zinsbepalingen op te houden, al is moeilijk vast te stellen waar precies:
15a(Ben jij zo goed met pubers? Nou, ik vermoed) |dat| waarschijnlijk de míjne {zelfs jíj} niet in het gareel |zou weten te krijgen|.
b(Slechts weinigen hadden zakelijk inzicht. Bertus wist) |dat| naar verluidt over het bedríjfsleven {zelfs híj} misschien zijn trouwste werknemer |kon bijpraten|.
c(Emma vreesde het einde van het boekjaar. Ze had al eerder gehoord) |dat| in díé periode mogelijk {zelfs Bértus} stiller |was| dan normaal.
De voorbeelden in (13a-b) laten zien dat beide beklemtoonde zinsdelen door een zinsbepaling kunnen worden voorafgegaan. In (13c) staat mogelijk zelfs tussen de beklemtoonde zinsdelen in.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links