21.5.2 De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de
basisvolgorde
Zoals beschreven in [21.5.1] hebben zowel verplicht als toevallig aanwezige
constituenten een vaste volgorde in het middenstuk. Die vaste volgorde betreft
met name de rechterkant van het middenstuk. De linkerkant van het middenstuk
staat open voor verschillende soorten zinsdelen: het subject (onderwerp) en de
objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et cetera) staan bij voorkeur
links van bijwoordelijke bepalingen als ze bekende informatie vertegenwoordigen.
Die voorkeur is het sterkst bij persoonlijke voornaamwoorden. De plaatsing van
deze zinsdelen is niettemin afhankelijk van andere zinsdelen: een direct object
kan alleen links in het middenstuk staan als ook het indirect object daar staat,
en dat is op zijn beurt weer afhankelijk van het subject:
Verplicht aanwezige zinsdelen links in het middenstuk
| ... |eerste pool| | [subject] | [indirect object] | [direct object] | [zinsbepalingen ...] |
| (Karel zei) |dat| | hij | waarschijnlijk snel een nieuwe auto |zou moeten kopen|. | ||
| (Emma voelde aan) |dat| | hij | haar | natuurlijk weer |zou vragen| om mee te gaan. | |
| (Dat vond ze best,) |mits| | Karel | haar | zijn keuze | niet tegen haar zin |zou opleggen| |
Gereduceerde vormen van (onder andere) persoonlijke voornaamwoorden sluiten in
dit schema rechts aan bij het subject, of, indien dat op de eerste zinsplaats
staat, rechts van de tweede pool. Volle vormen van de voornaamwoorden volgen bij
neutrale beklemtoning direct op gereduceerde vormen en bepaalde constituenten
houden zich tussen de zinsbepalingen op. Objecten kunnen alleen links in het
middenstuk staan als het subject daar ook staat, en voor het direct object en
het indirect object geldt iets soortgelijks. Bij afwijkende beklemtoning kunnen
zinsdelen op plaatsen staan waar ze normaal gesproken niet bij voorkeur staan.
Voor onbepaalde constituenten betekent dat vaak een verschil in interpretatie:
van niet-specifiek naar specifiek of categoriaal.
De onderlinge volgorde van subject en objecten blijft vrijwel altijd intact.
Alleen een niet-handelend subject wordt soms vooraf gegaan door een indirect
object: (het schijnt) |dat| Emma die internetproblemen maar
matig |bevielen|. Daarnaast kan een subject dat
contrastieve nadruk krijgt worden voorafgegaan door één zinsdeel, mits dat
zinsdeel een tweede zinsaccent draagt: (ze zeggen) |dat|
met dít weer {zelfs Kárel} liever binnen
|blijft|.
Verder lezen
Zinnen met neutrale beklemtoning
Voor de beschrijving van de woordvolgorde in de linkerhelft van het middenstuk is
het zinvol onderscheid te maken tussen zinnen met neutrale beklemtoning en
zinnen waarin de accentuering hiervan afwijkt. In zinnen met een neutrale
beklemtoning valt het belangrijkste zinsaccent op het zinsdeel vlak voor of
vlak achter de tweede pool:
In (1a) valt het belangrijkste zinsaccent vlak voor de tweede pool op aan werknemers, een prepositioneel indirect object (hier: meewerkend voorwerp). Als
een zin gebruik maakt van de laatste zinsplaats, zoals in (1b), valt het
belangrijkste zinsaccent achter de tweede pool. Net als elders in dit hoofdstuk
wordt in (1) het zinsdeel met het belangrijkste zinsaccent omsloten door
accolades en voorzien van een accent op de zwaarst beklemtoonde lettergreep.
Hoewel dit niet steeds expliciet zal worden weergegeven, hebben alle
voorbeeldzinnen in deze sectie een neutrale beklemtoning als in (1). De te
bespreken woordvolgorderegels gelden in ieder geval voor deze zinnen. De
volgende sectie beschrijft in welke gevallen van die regels wordt afgeweken in
zinnen met een niet-neutrale beklemtoning.
Verplicht aanwezige zinsdelen zoals subject (onderwerp), direct object (lijdend
voorwerp) en indirect object in de vorm van een gereduceerd
voornaamwoord staan altijd links in het middenstuk. De referent
van zo'n zinsdeel wordt meestal bekend verondersteld bij de hoorder of lezer,
waardoor de plaatsing in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. Zoals reeds beschreven in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit, sluiten
gereduceerde vormen direct aan bij de eerste pool. Als het subject zelf geen
gereduceerde vorm is, moet het in het middenstuk tussen de eerste pool en de
gereduceerde vormen in staan:
De voorbeelden in (2) laten zien dat het subject in aanwezigheid van gereduceerde
objectsvormen als 'm en 'r direct op de eerste pool volgt, tenzij het op de eerste zinsplaats
staat (2c). Anders dan in de nieuwszinnen uit [21.5.1] kan het subject in dit soort zinnen niet in de
rechterhelft van het middenstuk staan, wat neer zou komen op een positie rechts
van een zinsbepaling zoals naar verluidt in (2d). De onderlinge volgorde van de gereduceerde vormen verschilt
overigens van die van subject en objecten in de rechterhelft van het middenstuk.
Bij de gereduceerde vormen gaat het direct object vooraf aan het indirect
object, wat bij alle andere vormen precies omgekeerd is. Dit wordt duidelijk in
de voorbeelden in (3):
Volle voornaamwoorden worden, met uitzondering van onbepaalde vormen zoals iemand en iets, bij voorkeur links in het middenstuk geplaatst. De onderlinge
volgorde van subject, indirect object en direct object is identiek aan die in de
rechterhelft van het middenstuk: haar
die in (3c) heeft dezelfde volgorde als
zijn trouwste werknemer een
helikopter in (3a).
De volgende zinnen demonstreren dat volle voornaamwoorden volgen op
eventuele gereduceerde vormen:
Onderlinge volgorde van volle voornaamwoorden
Verdieping
Onderlinge volgorde van volle voornaamwoorden
Naast het voorbeeld in (3c) kan ook de volgende zin voorkomen:
i(Emma zei
over die helikopter) |dat| Bertus die
haar naar verluidt met lichte tegenzin
|gegeven had|.
Bij volle voornaamwoorden ligt de onderlinge volgorde van indirect en
direct object dus minder vast dan de volgorde tussen enerzijds
subject en anderzijds objecten.
Dit betekent dat een gereduceerd direct object vooraf kan gaan aan een volle vorm
met de functie van indirect object ('m
haar in (4a)). Andersom kan een gereduceerd indirect
object voorafgaan aan een volle vorm met de functie van direct object
('r die in (4b)).
De zinnen in (3) suggereren nog iets anders, namelijk dat het direct object
alleen links in het middenstuk (dus links van een zinsbepaling) staat als ook
het indirect object daar staat (3c), en dat het indirect object alleen links in
het middenstuk staat als ook het subject zich daar ophoudt (3b). De voorbeelden
in (4) bevestigen dit:
De voorbeelden in (5b) en (5e) laten zien dat ook een bepaalde
substantivische constituent als subject of object links in het
middenstuk kan staan. Dit gebeurt wanneer zo'n zinsdeel bekende informatie
vertegenwoordigt:
De voorbeelden in (6a-b) laten zien dat wanneer z'n helikopter tot de informatieve kern van de zin behoort, dat zinsdeel in de
rechterhelft van het middenstuk staat. Het neemt bij voorkeur een positie links
van de gezegdebepaling tijdens een conferentie in (6b). De omgekeerde volgorde (6a) is ook mogelijk, maar alleen met
een contrastief accent op z'n helikopter. Vertegenwoordigt de helikopter juist bekende informatie, zoals in de
context van (6c), dan staat z'n helikopter bij voorkeur tussen de zinsbepalingen gisteren en vermoedelijk. Het object kan ook verder naar links staan, zoals in (6d), maar dat
kan alleen met een (licht) zinsaccent op gisteren. Bij volle voornaamwoorden geldt precies het omgekeerde: de positie
links van gisteren is mogelijk bij neutrale beklemtoning; bij plaatsing rechts van de
zinsbepaling moet het voornaamwoord zelf sterk worden beklemtoond (6d-e).
Onbepaalde substantivische constituenten komen in neutraal
beklemtoonde zinnen niet voor in de linkerhelft van het middenstuk. Wel kunnen
ze, net als de bepaalde constituent in (6b), makkelijk links staan van een
(gezegde)bepaling van plaats of tijd:
De voorbeelden in (7) demonstreren de beide plaatsingsmogelijkheden. Het direct
object is het meest prominente zinsdeel in (7a), en in (7b) is dat de
gezegdebepaling van tijd. Dit correspondeert met het hoofdaccent in de zin, dat
vlak voor de tweede pool valt. De voorbeelden in (7c-d) laten zien dat het
direct object wel links van een plaatsbepaling kan staan, maar dat dit
bijvoorbeeld niet mogelijk is bij een bepaling van volitie. Daar moet de
beklemtoning afwijken om de zin acceptabel te maken: een helikopter krijgt speciale nadruk (zie ook de voorbeelden in (11)).
Op basis van deze voorbeelden kan de linkerhelft van het middenstuk schematisch
als volgt worden weergegeven:
Schema 1: de volgorde van zinsdelen aan de linkerkant van het
middenstuk
| ... |eerste pool| | subject | gereduceerde voornaamwoorden (objectsvormen) | volle voornaamwoorden (objectsvormen) | zinsbepalingen (1) | bepaalde substantivische constituenten (subject, objecten) | zinsbepalingen (2) | rechterhelft van het middenstuk ... |
| gereduceerd voornaamwoord/ vol voornaamwoord/ substantivische constituent | direct/oorzakelijk object - indirect object - voorzetselobject | indirect object - direct/oorzakelijk object - voorzetselobject - aanwijzende bijwoorden | subject - indirect object - direct object | ||||
| (Ik hoorde) |dat| | Emma | afgelopen zomer | Karel | vermoedelijk | tijdens die ene hittegolf ten huwelijk |heeft gevraagd|. | ||
| Vanzelfsprekend |wilde| | hij | haar toen | vanwege de hitte | het antwoord | niet | voorlopig schuldig |blijven|. | |
| Toch |gaat| | ze | 'm er | zo nu en dan | waarschijnlijk | even aan |herinneren|. |
Dit schema gaat uit van een neutrale beklemtoning en geeft aan welke positie
verschillende zinsdelen, afhankelijk van hun verschijningsvorm, links van
eventuele zinsbepalingen innemen. De laatstgenoemde zinsdelen markeren de grens
tussen de linkerkant en de rechterkant van het middenstuk. Ervan uitgaande dat
het subject niet op de eerste zinsplaats staat, staat dat zinsdeel uiterst links
in het middenstuk. Het kan daar alle denkbare vormen aannemen en wordt direct
gevolgd door gereduceerde voornaamwoorden in objectsfunctie, als de zin die
bevat. Eventuele volle voornaamwoorden in objectsfunctie en aanwijzende
bijwoorden zoals toen, volgen hier (bij voorkeur) weer op. Bepaalde substantivische
constituenten in de vorm van subject of objecten staan (bij voorkeur) tussen
eventuele zinsbepalingen in. De onderlinge volgorde van subject en objecten
blijft bij dit alles behouden. Dat houdt bijvoorbeeld in dat de zin geen
voornaamwoordelijke objecten kan bevatten als het subject tussen de
zinsbepalingen staat. Als het indirect object tussen de zinsbepalingen in staat,
kan er wel een gereduceerde subjectsvorm zijn, maar geen gereduceerd direct
object, enzovoort.
In zinnen met een niet-handelend subject en een indirect object, zoals in (8), is
er soms variatie op de onderlinge volgorde van subject en indirect object in de
vorm van volle voornaamwoorden of substantivische nominale constituenten:
Deze voorbeelden laten zien dat een indirect object, Emma of haar, in de linkerhelft van het middenstuk vooraf kan gaan aan het subject
van een werkwoord als bevallen (7a) of van een passiefconstructie (7b). De omgekeerde volgorde,
zoals gedemonstreerd door (7b/d), is uiteraard ook mogelijk. De beklemtoning is
bij beide zinnen neutraal.
Zinnen met afwijkende beklemtoning
Over volle voornaamwoorden is in de voorgaande sectie gezegd dat ze bij
voorkeur links van alle zinsbepalingen staan (zie de voorbeelden
in (3). Dit impliceert dat ze ook elders kunnen staan, bijvoorbeeld
tussen de zinsbepalingen. De volgende zinnen bevestigen dit:
Alle voorbeelden in (8) hebben een afwijkende beklemtoning, opgeroepen door de
contrastieve context. Het hoofdaccent valt niet vlak voor (of vlak na) de tweede
pool, maar steeds op een zinsdeel links van de gezegdebepaling met lichte tegenzin. De voornaamwoorden hij, haar en die kunnen tussen de modale zinsbepaling vermoedelijk/ogenschijnlijk en de gezegdebepaling in staan. Ze moeten daar ofwel zelf beklemtoond
worden, zoals in (8a/b/d), ofwel direct rechts van een ander beklemtoond
zinsdeel staan, zoals in (8c/e). Dat andere zinsdeel kan een bepaalde
niet-voornaamwoordelijke constituent zijn, zoals zijn trouwste werknemer. Het beklemtoonde zinsdeel kan worden gecombineerd met een
focuspartikel zoals zelfs of alleen: (Emma zei) |dat| vermoedelijk de directeur van
een grote multinational {zelfs háár} met lichte
tegenzin een helikopter |gegeven had|, (in plaats van haar
vriendín). Dat de voornaamwoorden in kwestie ook
tussen zinsbepalingen in kunnen staan, wordt bevestigd door varianten van deze
zinnen die een zinsbepaling van perspectief bevatten. Ook het contrastief
beklemtoonde zinsdeel kan dan tussen de twee zinsbepalingen in staan:
Het voorbeeld in (10b) laat zien dat focuspartikels soms op de te beklemtonen
constituent kunnen volgen.
Over onbepaalde constituenten is in (7) gezegd dat ze bij neutrale beklemtoning in ieder geval rechts,
maar in sommige gevallen ook links van een gezegdebepaling kunnen staan. Met
nadruk is dat laatste zeker ook mogelijk, maar dat heeft altijd een semantisch
effect:
De meest voor de hand liggende interpretatie van (10a) is dat er ieder jaar een
andere persoon wordt aangesteld voor het organiseren van de kermis. Het
voorbeeld in (10b), daarentegen, impliceert dat er een specifieke persoon is die
ieder jaar wordt aangesteld. Het onbepaald voornaamwoord iemand draagt in die zin het belangrijkste zinsaccent en staat links van ieder jaar. Hetzelfde effect speelt in (10e-f): in (10e) zullen er om het jaar
twee andere helikopters worden gereviseerd, terwijl er in (10e) twee specifieke
helikopters ieder jaar opnieuw zullen worden gereviseerd. Met andere woorden:
indefiniete constituenten kunnen alleen niet-specifiek zijn als ze op hun
basispositie staan, oftewel rechts van eventuele gezegdebepalingen. Links
daarvan krijgen ze een specifieke interpretatie. Bij deze afwijkende plaatsing
hoort afwijkende beklemtoning. In (10d) krijgt kermiswethouder een categoriale betekenis: tenzij een als één wordt gelezen, lijkt de zin uit te drukken wat er in deze stad met
kermiswethouders in het algemeen gebeurt. Alle voorbeelden in (10) met
afwijkende beklemtoning kunnen overigens ook in contrastieve contexten dienst
doen, bijvoorbeeld wanneer er in plaats van een organisatie een enkele persoon
verantwoordelijk is voor de kermis, of wanneer er eerder sprake was van het
reviseren van één helikopter per jaar in plaats van twee.
De voorbeelden in (12) geven een heel ander voorbeeld van afwijkende
beklemtoning:
Zogenaamde echovragen herhalen een (deel van een) zin en vervangen het zinsdeel
dat niet goed verstaan is of waar de hoorder verbaasd over is door een vragend
(voornaam)woord. Normaliter staan zulke woorden op de eerste zinsplaats, maar met speciale nadruk kunnen ze
dus ook in het middenstuk of op de laatste zinsplaats staan, zoals uit de
voorbeelden in (12) blijkt. Een vragend voornaamwoord heeft, net als andere
voornaamwoorden, wel de neiging verder naar links te staan dan
niet-voornaamwoordelijke constituenten. In (12e) is waar dan ook gesplitst van de adpositie voor verderop in het middenstuk.
Bij alle tot nu toe gegeven voorbeelden bleef de onderlinge volgorde van subject
en objecten grotendeels intact. Bij de volgende zinnen ligt dat anders:
In deze zinnen ligt het belangrijkste zinsaccent op het subject, te weten zelfs jij en alleen een echte taalkundige. Daar waar het subject het direct object volgt, dat wil zeggen in
(9a/c), krijgt dat direct object een tweede zinsaccent (weergegeven met
accenttekens op de beklemtoonde lettergreep). Hiermee wordt de inhoud van de
rest van de zin expliciet betrokken op dit specifieke object, te weten de mijne en dit probleem. Dit accent, en daarmee het expliciet centraal stellen van het direct
object, is afwezig in (9b/d), waar de gebruikelijke onderlinge volgorde van
subject en direct object van toepassing is.
Het hier beschreven effect wordt in
bijvoorbeeld (Broekhuis et al. 2015) omschreven als contrastieve topic en
contrastieve focus. Het subject staat is in deze zinnen contrastief
gefocust, terwijl het zinsdeel dat eraan vooraf gaat als contrastief
topic dienst doet. Los van de accenturering speelt ook intonatie een
rol: beide accenten verschillen van elkaar in zinsmelodie.
Volgens dit patroon kan zowat ieder zinsdeel dat onderwerp van gesprek zou kunnen
zijn voorafgaan aan het subject. Enkele voorbeelden zijn:
in deze voorbeelden wordt het subject voorafgegaan door respectievelijk een
voorzetselobject (14a), een voornaamwoordelijk bijwoord (14b) en een
bijwoordelijke bepaling (14c). De beklemtoonde zinsdelen lijken zich tussen de
zinsbepalingen op te houden, al is moeilijk vast te stellen waar precies:
De voorbeelden in (13a-b) laten zien dat beide beklemtoonde zinsdelen door een
zinsbepaling kunnen worden voorafgegaan. In (13c) staat mogelijk zelfs tussen de beklemtoonde zinsdelen in.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
