Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21 Woordvolgorde in de zin (ANS3)
[FL dit gaat gelijk de diepte in. Op zich prima, maar het lijkt me beter om er een iets programmatischere opzet van te maken, die alle thema's (en de indeling) van de rest van het hoofdstuk introduceert: (1) woordvolgordeprincipes, (2) de zinsposities, (3) de zinstypen. Ook kijken of de inhoud van de kindtopics hier niet al teveel herhaald wordt.]
[FL: niet beginnen met schema van de posities, maar met de principes eronder, en dan het schema. Dus dezelfde volgorde aanhouden als de inhoudsopgave.]
De Nederlandse zin bestaat uit de volgende posities of velden:
eerste zinsplaats |eerste pool| middenstuk |tweede pool| laatste zinsplaats
De woordvolgorde wordt in het Nederlands grotendeels gekenmerkt door twee algemene principes: het polaire principe en het links-rechtsprincipe. Het polaire principe verwijst naar twee vaste posities in de zin, ook wel eerste pool en tweede pool genoemd. De eerste pool wordt bezet door de persoonsvorm (pv) (in hoofdzinnen, zie (1)), of een onderschikkend voegwoord (in bijzinnen, zie (2)). In de tweede pool staan eventueel andere werkwoorden (in hoofdzinnen) of alle werkwoorden (bijzinnen). In de volgende voorbeelden staan de polen tussen verticale strepen:
1Het polaire principe in hoofdzinnen (zinstype 1)
aKarel |wilde| gisteren een nieuwe auto |kopen|.
bOp welke dag |wilde| Karel een nieuwe auto |kopen|?
c|Wilde| Karel gisteren een nieuwe auto |kopen|?
2Het polaire principe in bijzinnen (zinstype 2)
a(Emma passeerde de showroom) waar |Ø| Karel gisteren een nieuwe auto |wilde kopen|.
b(Emma vroeg me) op welke dag |Ø| Karel een nieuwe auto |wilde kopen|.
c(Emma wil weten) |of| Karel gisteren een nieuwe auto |wilde kopen|.
[FL (1) uitleggen dat er in (2) twee zinnen staan, en de eigenlijke bijzin begint na (). (2) Zin over 'of' of een lege eerste pool hieronder zijn verwarrend geformuleerd.]
Bij de voorbeelden in (1) staat de persoonsvorm wilde in de eerste pool en kopen in de tweede. Bij de zinnen in (2) staan zowel wilde als kopen in de tweede pool, en staat er in de eerste pool een voegwoord: of. De voorbeelden in (2a-b) demonstreren dat de eerste pool ook leeg kan blijven. Een zin als Karel |kocht| gisteren een nieuwe auto |Ø| laat zien dat ook de tweede pool leeg kan zijn. Uit de bovenstaande zinnen blijkt tevens dat de eerste pool soms wel, en soms niet het begin van de zin vormt. Om die reden wordt de verdeling in hoofd- en bijzinnen, grofweg aan te duiden als 'zinstype 1' en 'zinstype 2' verder verfijnd (21.2). Daarnaast moet de gedachte worden genuanceerd dat het bij zinstype 1 alleen om hoofdzinnen gaat, en bij zinstype 2 om bijzinnen (21.9).
Het tweede algemene principe, het links-rechtsprincipe, verwijst naar de volgorde waarin zinsdelen worden uitgesproken of opgeschreven: meer vooraan (dus: links) of juist meer achteraan (dus: rechts) in de zin. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste zinsplaats (de positie voorafgaand aan de eerste pool), het middenstuk (het deel tussen de twee polen in) en de laatste zinsplaats (het deel volgend op de tweede pool). In zinnen met een neutraal klemtoonverloop neemt de nieuwswaarde van zinsdelen toe naarmate ze later in de zin komen: 'oude' of bekende informatie staat typisch 'links' in de zin, of wordt 'vroeg' uitgesproken, terwijl nieuwe informatie typisch 'rechts' staat, oftewel 'laat' wordt uitgesproken. De volgende zinnen illustreren dit principe aan de hand van het direct object (lijdend voorwerp) in het middenstuk. Het belangrijkste zinsaccent ligt, overeenkomstig met het bedoelde neutrale klemtoonverloop, op het zinsdeel vlak voor de tweede pool. Dit wordt hier weergegeven met accolades om het zinsdeel in kwestie en een accent op de beklemtoonde lettergreep:
3Het links-rechtsprincipe
aKarel |wilde| waarschijnlijk met Emma {een nieuwe áuto} |kopen|.
bKarel |wilde| waarschijnlijk de auto {met Émma} |kopen|.
cKarel |wilde| hem waarschijnlijk {met Émma} |kopen|.
De voorbeelden in (3) laten zien dat een niet-specifiek onbepaald direct object zo ver mogelijk naar rechts staat in het middenstuk: een nieuwe áuto in (3a). Zo'n direct object heeft maximale nieuwswaarde omdat het noch voor de hoorder, noch voor de spreker identificeerbaar is. Het direct object in (3b) is specifiek bepaald, en dus voor zowel hoorder als spreker identificeerbaar. Deze geringere nieuwswaarde komt overeen met een positie verder naar links in het middenstuk. Als de nieuwswaarde nog verder afneemt, bijvoorbeeld als een persoonlijk voornaamwoord als direct object fungeert, staat dit nog verder naar links in het middenstuk, zoals (3c) illustreert.
De eerste zinsplaats kan, indien beschikbaar, bezet worden door maximaal één zinsdeel. In zinstype 1, grofweg aan te duiden als 'hoofdzinnen', zijn er zeer veel verschillende zinsdelen die de eerste zinsplaats kunnen bezetten. In de bovenstaande zinnen stond het subject (onderwerp) steeds op die plaats. Wanneer dat niet het geval is, staat het subject in het middenstuk en treedt het bekende verschijnsel inversie op. De volgende zinnen hebben respectievelijk een bepaling van tijd en een direct object op de eerste zinsplaats. De informatiewaarde van zulke zinsdelen kan gering zijn, zoals in (4a). Echter, ook een maximale nieuwswaarde is heel goed mogelijk. In dat geval draagt de constituent op de eerste zinsplaats het belangrijkste zinsaccent, zoals in (4b-c):
4De eerste zinsplaats (in hoofdzinnen / zinstype 1)
a(Wat heeft Karel gisteren gedaan?) Gisteren |wilde| Karel {een nieuwe áuto} |kopen|.
b{Een nieuwe áuto} |wilde| Karel gisteren |kopen|, (geen nieuwe fiets.)
c{Of Karel gisteren een nieuwe áuto wilde kopen}, |kan| Emma niet |weten|. (Verder weet ze letterlijk alles over hem.)
[FL: (1) 'een deel van een zinsdeel' hieronder wordt niet toegelicht. (2) Komt het fenomeen 'inversie' in een ander topic uitgebreid aan bod?]
Al deze zinnen vertonen inversie: de pv wordt gevolgd door het subject. Het maakt voor de eerste zinsplaats niet uit of het zinsdeel op die plaats de vorm van een constituent heeft, zoals in (4a-b), of van een (bij)zin, zoals in (4c). In sommige gevallen staat er slechts een deel van een zinsdeel op de eerste zinsplaats. In bijzinnen (zinstype 2) is de eerste zinsplaats alleen in bepaalde ondersoorten beschikbaar, namelijk betrekkelijke bijzinnen en bijzinnen in de vorm van een vraagwoordvraag. Het zinsdeel op de eerste zinsplaats bevat in zulke zinnen altijd een betrekkelijk of vragend (voornaam)woord, zoals waar in (2a) en op welke dag in (2b). Inversie komt in deze zinnen niet voor, want de pv staat in de tweede pool.
De laatste zinsplaats kan, in tegenstelling tot de eerste zinsplaats, meer dan één constituent bevatten. Wanneer de laatste zinsplaats bezet is, valt het belangrijkste zinsaccent vaak na de tweede pool:
5De laatste zinsplaats
aGisteren |wilde| Karel een auto |kopen| {met lichtmetalen vélgen}.
b|Wilde| Karel nu een auto |kopen| omdat zijn eigen auto {versléten} was?
cGisteren |wilde| Karel een auto |kopen| met lichtmetalen velgen omdat zijn eigen auto {versléten} was.
d(Emma wist niet) wie |Ø| een auto |wilde kopen| {met lichtmetalen vélgen}.
e(Emma wist niet) |dat| Karel een auto |wilde kopen| met lichtmetalen velgen omdat zijn eigen auto {versléten} was.
In deze voorbeelden wordt de tweede pool gevolgd door een voorzetselconstituent (5a/d), een redengevende bijzin (5b), of beide (5c/e). Anders dan bij de eerste zinsplaats, is het zinstype niet bepalend voor de mogelijkheden: zowel hoofd- als bijzinnen kunnen één of meerdere constituenten op de laatste zinsplaats hebben staan. Plaatsing van bijzinnen achter de tweede pool is in veel gevallen verplicht of heeft op zijn minst een sterke voorkeur. Voorzetselconstituenten kunnen daarentegen makkelijk in het middenstuk staan: gisteren |wilde| Karel {een auto met lichtmetalen vélgen} |kopen|.
De twee polen en de hierboven beschreven eerste zinsplaats, middenstuk en laatste zinsplaats vormen de zogenaamde eigenlijke zin. Daarbuiten bevinden zich nog de aanloop en de uitloop: posities die vaak hoorbaar door middel van een pauze gescheiden worden van de eigenlijke zin. In de schrijftaal wordt zo'n pauze meestal weergegeven met een komma:
6De aanloop
aKarel, die |wilde| gisteren een auto |kopen| met lichtmetalen velgen.
bDie auto met lichtmetalen velgen, |wilde| Karel die nu |kopen| omdat zijn eigen auto versleten was?
In deze zinnen wordt duidelijk dat zinsdelen in de aanloop, respectievelijk Karel en die auto met lichtmetalen velgen, voorafgaan aan de eerste zinsplaats. De eigenlijke zin bevat hier een aanwijzend voornaamwoord die, dat (terug)wijst naar de constituent in de aanloop. Dit is niet bij alle soorten aanloop het geval. Verder dient te worden opgemerkt dat zinstype 2 doorgaans geen aanloop heeft, al is dat niet onmogelijk.
De uitloop, daarentegen, die volgt op de eigenlijke zin, is wel beschikbaar in beide zinstypen:
7De uitloop
aKarel |wilde| hem {diréct} |kopen|, die auto met lichtmetalen velgen.
bKarel |wilde| {een auto met lichtmetalen vélgen} |kopen|, gisteren.
c(Emma wist niet) |dat| Karel {een auto met lichtmetalen vélgen} |wilde kopen|, gisteren.
Ook zinnen met een uitloop kunnen een woord bevatten dat (vooruit)wijst naar de constituent in de uitloop (hem in (7a)).
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links