18.4.1 Perfectumconstructies
In deze paragraaf bespreken we de groepsvormende werkwoorden
hebben en
zijn in combinatie met een voltooid
deelwoord, zoals in geïllustreerd in (1a-1ab) voor
hebben en in (1c-1d) voor
zijn.
Beide werkwoordconstructies zijn erg frequent en worden voornamelijk ingezet voor de vorming van
de voltooide werkwoordstijden of het perfectum
2.4.2.8. We noemen ze daarom
perfectumconstructies. De twee perfectumconstructies
zijn subjectgeoriënteerd, dat wil zeggen, het onderwerp van het hoofdwerkwoord
in de constructie correspondeert met het onderwerp van de zin. In (1a) is het
onderwerp van de zin de politie ook
degene die de handeling in het voltooid deelwoord
aangehouden uitvoert.
Een bijzondere eigenschap van perfectumconstructies is dat ze in welbepaalde grammaticale
contexten geen voltooid deelwoord selecteren, zoals
gehoord in (2a-2b), maar een infinitief,
zoals horen in (2c). Dat verschijnsel wordt
het infinitivus-pro-participio-effect
18.2.2
genoemd.
We gaan in wat volgt dieper in op de volgende kenmerken van beide werkwoordconstructies:
- Betekenis
- Infinitivus-pro-participio-effect
- Open plek voor werkwoorden
- Groepsvorming
Verder lezen
Betekenis
Perfectumconstructies worden gebruikt voor het vormen van de voltooide werkwoordstijden. We
noemen hebben en
zijn in die functie
traditioneel hulpwerkwoorden van tijd (of meer specifiek
hulpwerkwoord van voltooidheid) en het deelwoord dat
hen vergezelt een voltooid deelwoord. Met de voltooide
werkwoordstijden kunnen we een werking als voltooid voorstellen vóór een bepaald
referentiepunt. 2.4.8.1 We verwijzen naar hoofdstuk 2.4.8 voor een uitvoerige beschrijving van de functie van de
verschillende voltooide werkwoordstijden. We volstaan hier met enkele
voorbeelden van de voltooid tegenwoordige tijd of
perfectum
2.4.8.4 (3a-3b) waar de werking heeft plaatsgevonden vóór het
spreekmoment. 2.3.2.8.
Bijzonder is dat wanneer hebben of
zijn in de verleden tijd staat, en een
zogenaamde voltooid verleden tijd of
plusquamperfectum
2.4.8.8 vormt, de constructie naast een temporele betekenis ook irrealis
kan uitdrukken, zoals in (4a-4b).
Infinitivus-pro-participio-effect
De groepsvormende werkwoorden hebben en zijn, zowel gebruikt om voltooidheid als niet-werkelijkheid uit te drukken, selecteren meestal een voltooid deelwoord. Ze doen dat meer bepaald wanneer ze onmiddellijk bereik hebben over een zelfstandig werkwoord of koppelwerkwoord, zoals geïllustreerd voor het zelfstandige werkwoord horen in zin (5a-5b).
Wanneer hebben of
zijn bereik hebben over een werkwoord dat
zelf óók groepsvormend is, dan zal dat groepsvormend werkwoord als een infinitief
verschijnen – indien de nodige randvoorwaarden hiervoor voldaan zijn. Zin (6) illustreert
hoe hebben bereik heeft over het
groepsvormende werkwoord horen dat hier niet
als een voltooid deelwoord maar een infinitief verschijnt.
Het fenomeen dat groepsvormende werkwoorden in het bereik van
hebben of
zijn niet als voltooid deelwoord maar als
infinitief verschijnen, wordt de vervangende infinitief of
infinitivus-pro-participio (IPP) genoemd. We verwijzen naar paragraaf 18.2.3 voor een meer
uitvoerige discussie van het verschijnsel.
Open plek voor werkwoorden
De perfectumconstructies met hebben en
zijn hebben elk een open plek voor een
voltooid deelwoord. De werkwoorden die in die open plek terecht kunnen komen, zijn niet
gelijk bij beide constructies. Constructies met
zijn komen voor met onovergankelijke
werkwoorden die een verandering uitdrukken van de toestand waarin het onderwerp zich
bevindt, zoals dalen,
worden en halveren
in zin (7a) en komen in (7b).
Constructies met hebben zijn compatibel met alle andere werkwoorden, of, meer in het bijzonder, overgankelijke werkwoorden (8a) en onvergankelijke werkwoorden die geen verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (8b).
Werkwoorden van beweging kunnen zowel in constructies met zijn en hebben voorkomen, zoals (9a-9b) illustreren.
In dat geval drukt de keuze voor de constructie met
zijn dan wel
hebben een subtiel betekenisverschil uit.
We verwijzen naar paragraaf 2.3.2.8.IV voor een uitvoerige behandeling van de werkwoorden waarmee de
constructies met zijn en
hebben met een voltooid deelwoord
voorkomen.
Groepsvorming
Perfectumconstructies zijn verplicht groepsvormend. De groepsvormende werkwoorden hebben en zijn vormen samen met het voltooid deelwoord steeds een werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen (10a-10b) en in hoofzinnen (10c-10d).
De plaatsing van het groepsvormend werkwoord en het voltooid deelwoord is variabel in dergelijke
eindgroepen (zie 18.8). We vinden voorbeelden waar het deelwoord achter het groepsvormend
werkwoord staat (10a-10c), en waar het ervoor staat (10d). De volgordevariant met
achtergeplaatst deelwoord domineert.
De Sutter (2005: 256) rapporteert 80% deelwoord achteraan bij
hebben-perfectum en
zijn-perfectum samen in het
CONDIV-corpus.
Hoewel perfectumconstructies zelf het IPP-effect uitlokken bij andere groepsvormende werkwoorden,
zijn ze zelf niet gevoelig voor het fenomeen, aangezien het enkel op werkwoordconstructies
met een infinitief van toepassing is. Bovendien komen perfectumconstructies in de
standaardtaal niet in de voltooide werkwoordstijden voor. Het is evenwel wel mogelijk om
een zogenaamde dubbele perfectum te vormen in zuidoostelijke
dialecten van het Nederlands (11).
Zie Barbiers et al. (2008: 40) voor een dialectkaart met de beperkte regionale
verspreiding van het verschijnsel.
Het IPP-effect blijft uit in dergelijke gevallen.Literatuur
Kern 1912, Duinhoven 1985, Shannon 1989, 1990, 1993, 1995, Van der Horst 1995, Van der Horst
& Van der Horst 1999, Lieber & Baayen 1997, Janssen 1997, Hoekstra 1999, Van der
Heijden 2001, Draye & Van der Horst 2006, Coussé 2008, 2013, 2014, Coussé & Van de
Velde 2014, Koeneman et al. 2011, Beliën 2012, 2014, 2017, Van Eynde et al. 2016,
Broekhuis 2021, Barbiers et al. (2008)
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.2.1,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/02/01/body.html;2.3.2.8.IV,/data/archief/ans2/e-ans/02/03/02/08/04/body.html: |
