Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.6.2 Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats
Afhankelijke zinnen kunnen lang niet altijd in het middenstuk voorkomen. Op een aantal elders beschreven uitzonderingen na kunnen deze zinnen op de eerste zinsplaats staan. Daarnaast kunnen alle afhankelijke zinnen achter de tweede pool staan: op de laatste zinsplaats of in de uitloop.
Afhankelijke zinnen die dienst doen als zinsdeel kunnen met de volgende functies op de laatste zinsplaats staan: subject (onderwerp, zoals bijvoorbeeld er |wordt| soms |gezegd| [dat Emma slecht bereikbaar is]), direct object (lijdend voorwerp, zoals Emma's broertje |gaf| onmiddellijk toe |Ø| [dat hij met de wifi geknoeid had]), oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp, zoals Emma |raakte| het een beetje beu |Ø| [om haar broertje steeds in de gaten te houden]) en verschillende gezegdebepalingen (zoals ik |ben| mijn geduld |verloren| [toen ik Emma niet kon bereiken]). De vorm die een afhankelijk zin heeft hangt af van de functie die de zin in de bevattende zin heeft. Zo kunnen subject en object in de vorm van een bijzin met dat, of of een vragend/uitroepend (voornaam)woord voorkomen. Ook infinitiefconstructies met (om) te komen voor. Voor bepalingszinnen geldt dat ze meestal met een ander onderschikkend voegwoord beginnen. Ten slotte staat ook het tweede deel van de zogeheten balansschikking op de laatste zinsplaats van het eerste deel.
Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats kunnen ook deel van een zinsdeel zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om bijzinnen van graadaanduidend gevolg of vergelijking (Emma's broertje |had| zich nu zodanig |misdragen| [dat Emma zinde op wraak], hij |zou| echter vast veel feller |reageren| [dan ze kon verdragen]). Dit type zin staat verplicht op de laatste zinsplaats. Ook diverse beknopte bijzinnen in constructies met een adjectief of substantief komen voor op de laatste zinsplaats: het |was| te laat |geworden| [om er vandaag nog werk van te maken], er |zouden| nog voldoende kansen |volgen| [om wraak te nemen]. Verder kunnen nominale constituenten complementszinnen met een onderschikkend voegwoord of vragend (voornaam)woord bevatten. Ook dit soort afhankelijke zinnen kan op de laatste zinsplaats voorkomen: Emma |had| zichzelf al vaak de vraag |gesteld| [hoe lang ze zijn gedrag nog wilde tolereren]. Ten slotte staan ook beperkende betrekkelijke bijzinnen regelmatig op de laatste zinsplaats: Emma's broertje |wil| het liefste grappen uit|halen| [die de dag van anderen langdurig ontwrichten]. Een beperking bij betrekkelijke bijzinnen is dat het antecedent in de rechterhelft van het middenstuk staat en dat er niet te veel afstand tussen antecedent en laatste zinsplaats is. Plaatsing van betrekkelijke bijzinnen in het middenstuk wordt moeilijker naarmate er minder elementen op de betrekkelijke bijzin volgen.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen als zinsdeel op de laatste zinsplaats
Afhankelijke zinnen kunnen uiteenlopende functies bekleden. Ze komen hier aan bod voor zover ze met die functie op de laatste zinsplaats kunnen staan. Het gaat achtereenvolgens om het subject (onderwerp), het direct object (lijdend voorwerp), het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) en verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen.
Subjectszinnen worden altijd geïntroduceerd door het voorlopige subject het of door presentatief er, tenzij ze op de eerste zinsplaats staan. Zo'n subjectszin staat alleen dan op de laatste zinsplaats wanneer de zin een presentatief er bevat (of zou kunnen bevatten):
1Subjectszinnen op de laatste zinsplaats
aEr |werd| tegen het eind van de lunch |gezegd| [dat Emma's kinderen stout waren].
bEr |werd| tegen het eind van de lunch |gezegd|.uitgesloten
cEr |werd| tegen het eind van de lunch iets |gezegd|.
dHet |heeft| haar tot voor kort |verbaasd|, [dat iemand onder het eten zoiets kan zeggen].
eHet |heeft| haar tot voor kort |verbaasd|.
fHet |heeft| dat feit haar tot voor kort |verbaasd|.uitgesloten
Alleen in (1a) staat de afhankelijke subjectszin op de laatste zinsplaats. Deze zin is verplicht aanwezig, blijkt uit (1b). De subjectszin in (1d) staat niet op de laatste zinsplaats, maar in de uitloop. Het voorbeeld in (1e) laat zien dat deze afhankelijke zin niet verplicht aanwezig is. Het verschil tussen deze twee gevallen kan worden verduidelijkt aan de hand van (1c) en (1f). Presentatief er kan worden gecombineerd met een nominaal subject (iets in (1c)), maar bij het in (1f) is dat niet mogelijk. Dit suggereert dat het in (1d) geen subjectszin op de laatste zinsplaats tolereert, terwijl er in (1a) juist een subjectszin op de laatste zinsplaats moet staan. In [21.6.1] Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats staan? is gedemonstreerd dat intonatie kan worden gebruikt om het verschil tussen laatste zinsplaats en uitloop te demonstreren. Bij complexe zinnen als deze is dat niet eenvoudig vast te stellen, al is het goed voorstelbaar dat de subjectszin in (1a) het belangrijkste zinsaccent kan dragen, wat past bij de laatste zinsplaats. Een andere, bruikbaardere test is vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord:
2aGezegd [dat Emma's kinderen stout waren] |werd| er wel vaker | |.
bGezegd |werd| er wel vaker | | [dat Emma's kinderen stout waren] .uitgesloten
c[Dat Emma's kinderen stout waren] |werd| er wel vaker |gezegd|.
dVerbaasd [dat iemand onder het eten zoiets kan zeggen] |heeft| het haar niet echt | |.# unacceptableWithIntendedReading
eVerbaasd |heeft| het haar niet echt | |, [dat iemand onder het eten zoiets kan zeggen].
f[Dat iemand zoiets onder het eten kan zeggen] |heeft| haar niet echt |verbaasd|.
Vooropplaatsing van gezegd in (2a-b) kan alleen als de subjectszin ook op de eerste zinsplaats staat. In (2d) lukt dat niet, tenzij dat iemand zoiets onder het eten kan zeggen als tussenzin fungeert. Wanneer alleen de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats staat, gaat dat samen met er (2c), maar niet met het (2f). Wordt de tweede pool gevolgd door nog een ander zinsdeel, dan kan de onderlinge volgorde van dat zinsdeel en de subjectszin als tweede test worden gebruikt:
Onderlinge volgorde van constituenten op de laatste zinsplaats
Verdieping
Onderlinge volgorde van constituenten op de laatste zinsplaats
In [21.6.1] is vastgesteld dat de onderlinge volgorde van constituenten op de laatste zinsplaats tegengesteld is aan de basisvolgorde in het middenstuk. Deze gespiegelde volgorde ziet er als volgt uit:
  • voorzetselobject > direct object > bijwoordelijke bepaling
Het subject sluit in dit opzicht aan bij het direct object. De bijwoordelijke bepalingen in de hier gegeven voorbeelden hebben steeds de vorm van een afhankelijke zin. De reden hiervoor is dat sprekers bij een bijwoordelijke bepaling in de vorm van een adpositieconstituent de neiging hebben de subjects- of objectszin verderop te plaatsen, en wel in de uitloop.
3aEr |werd| |gezegd| [dat Emma's kinderen stout waren] [terwijl de lunch nog bezig was].
bEr |werd| |gezegd| [terwijl de lunch nog bezig was] [dat Emma's kinderen stout waren].# unacceptableWithIntendedReading
cHet |heeft| haar |verbaasd| [na afloop van de lunch], [dat iemand onder het eten zoiets kan zeggen].
dHet |heeft| haar |verbaasd| [dat iemand onder het eten zoiets kan zeggen] [na afloop van de lunch].# unacceptableWithIntendedReading
Bij meerdere constituenten op de laatste zinsplaats worden objecten gevolgd door bijwoordelijke bepalingen. Hetzelfde geldt voor het subject in (3a), dat vanwege het passief een direct object in logische zin is. Die volgorde is omgekeerd in (3c), wat suggereert dat de subjectszin daar in de uitloop staat. De volgordes in (3b/d) zijn niet volledig onacceptabel, aangezien ze kunnen voorkomen als de subjectszinnen met een duidelijke intonatiebreuk worden gescheiden van de rest van de zin. In zo'n geval staat de afhankelijke zin in (3b) in de uitloop, en is er in (3d) sprake van een tussenzin.
Ook voor direct objectszinnen geldt dat ze bij afwezigheid van het voorlopig direct object het op de laatste zinsplaats kunnen staan:
4Direct objectszinnen op de laatste zinsplaats
aKarel |heeft| misschien per ongeluk |gesteld| [dat Emma's kinderen niet willen deugen].
bGesteld [dat Emma's kinderen niet willen deugen] |heeft| Karel misschien per ongeluk | |.
c[Dat Emma's kinderen niet willen deugen] |heeft| Karel misschien per ongeluk |gesteld|.
dKarel |heeft| misschien per ongeluk |gesteld| [dat Emma's kinderen niet willen deugen] [omdat hij gefrustreerd was] .
De direct objectszin in (4a) staat op de laatste zinsplaats. Het voorbeeld in (4b) laat zien dat deze zin samen met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kan staan. In (4c) staat de afhankelijke zin zelfstandig op de eerste zinsplaats, en in (4d) wordt hij op de laatste zinsplaats gevolgd door een bijwoordelijke bepaling, precies zoals in de voorbeelden met subjectszinnen. Bij direct objectszinnen hangt de aan- of afwezigheid van het af van het hoofdwerkwoord. Bij niet-factieve werkwoorden, zoals stellen in (4), kan de afhankelijke zin zowel waar als onwaar zijn. Dit soort werkwoorden wordt meestal zonder voorlopig direct object gebruikt. Bij factieve werkwoorden zoals bijvoorbeeld waarderen is dat anders:
5aEmma |kon| het totaal niet |waarderen|, [dat de kinderen werden berispt].
bWaarderen [dat de kinderen werden berispt] |kon| Emma het totaal niet | |.# unacceptableWithIntendedReading
c[Dat de kinderen werden berispt] |kon| Emma het totaal niet |waarderen|.uitgesloten
dEmma |kon| het totaal niet |waarderen| [omdat het zo onterecht was], [dat de kinderen werden berispt].
In (5) is steeds het voorlopig direct object het aanwezig. Hierdoor kan de direct objectszin in (5a) alleen in de uitloop staan. Vooropplaatsing, al dan niet samen met waarderen, is onmogelijk (5b/c). Uit (5d) blijkt dat een bijwoordelijke bepaling op de laatste zinsplaats voorafgaat aan de afhankelijke zin, in plaats van erop te volgen. Als het in deze voorbeelden wordt weggelaten, zijn de volgordes in (5b/c) wel mogelijk en krijgt in (5d) de omgekeerde volgorde de voorkeur: Emma |kon| totaal niet |waarderen| [dat de kinderen werden berispt] [omdat het zo onterecht was].
Oorzakelijk objectszinnen hebben precies dezelfde mogelijkheden als subjects- en direct objectszinnen: ze kunnen alleen op de laatste zinsplaats staan bij afwezigheid van een voorlopig oorzakelijk object:
6Oorzakelijk objectszinnen op de laatste zinsplaats
aEmma's kinderen |waren| inmiddels wel |gewend| [dat ze berispt werden].
bEmma's kinderen |waren| het inmiddels wel |gewend|, [dat ze berispt werden].
cGewend [dat ze berispt werden] |waren| Emma's kinderen inmiddels wel | |.
dGewend [dat ze berispt werden] |waren| Emma's kinderen het inmiddels wel | |.# unacceptableWithIntendedReading
e[Dat ze berispt werden] |waren| Emma's kinderen inmiddels wel |gewend|.
f[Dat ze berispt werden] |waren| Emma's kinderen het inmiddels wel |gewend|.uitgesloten
gEmma's kinderen |waren| inmiddels wel |gewend| [dat ze berispt werden] [omdat hun vader dat ook altijd deed].
hEmma's kinderen |waren| het inmiddels wel |gewend| [omdat hun vader dat ook altijd deed], [dat ze berispt werden].
Voorzetselobjectszinnen wijken af van subjects- en andere objectszinnen in dat ze nooit op de laatste zinsplaats kunnen staan. Afhankelijk van het hoofdwerkwoord bevat het middenstuk van de zin een verplicht, dan wel optioneel voorlopig voorzetselobject, met er als complement van het vaste voorzetsel:
7Voorzetselobjectszinnen: niet op de laatste zinsplaats
aEmma |had| zich er behoorlijk aan |geërgerd|, [dat Karel zo kritisch was op haar kinderen]
bZe |had| de kinderen (er) natuurlijk wel (van) |overtuigd|, [dat ze hun excuses moesten maken].
cGeërgerd [dat Karel zo kritisch was op haar kinderen] |had| Emma zich er behoorlijk aan | |.# unacceptableWithIntendedReading
dOvertuigd [dat ze hun excuses moesten maken] |had| ze de kinderen (er) natuurlijk wel (van) | |.# unacceptableWithIntendedReading
e[Dat Karel zo kritisch was op haar kinderen] |had| Emma zich er behoorlijk aan |geërgerd|.uitgesloten
f[Dat ze hun excuses moesten maken] |had| ze de kinderen (er) natuurlijk wel (van) |overtuigd|.uitgesloten
gEmma |had| zich er behoorlijk aan |geërgerd| [toen ze dat verwijt kreeg], [dat Karel zo kritisch was op haar kinderen]
hZe |had| de kinderen (er) natuurlijk wel (van) |overtuigd| [voordat Karel aanbelde], [dat ze hun excuses moesten maken].
In (7) vervullen er...aan en er...van de functie van voorlopig voorzetselobject. Bij zich ergeren is dit verplicht, maar dat is niet het geval bij overtuigen. Ongeacht dit verschil kan de corresponderende voorzetselobjectszin nooit op de eerste zinsplaats staan: noch samen met het hoofdwerkwoord (7c-d), noch zelfstandig (7e-f). Net als bij nominale constituenten achter de tweede pool moet hier worden aangenomen dat het voorlopig voorzetselobject altijd aanwezig is, ook al is dat niet altijd expliciet hoorbaar. Een bijwoordelijke bepaling op de laatste zinsplaats gaat vooraf aan de voorzetselobjectszin, die zelf dus in de uitloop staat (7g-h).
Er is nog een ander onderscheid tussen voorzetselvoorwerpzinnen enerzijds en subjects- en andere objectszinnen anderzijds. Dit heeft te maken met het voorkomen van een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats van de bevattende zin. Dit kan een zinsdeel zijn van een afhankelijke dat-zin, zoals besproken in [21.4.1] en [21.4.2]. Wanneer deze afhankelijke zin een voorzetselobjectszin is, ontbreekt deze mogelijkheid:
8Een vragend (voornaam)woord als zinsdeel van een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende zin
aWat |werd| er na de lunch |gezegd| [dat Emma's kinderen zouden krijgen]?subjectszin
bWat |heeft| Karel onmiddellijk |gedacht| [dat Emma's kinderen hebben gezegd]?direct objectszin
cWat |waren| Emma's kinderen wel gewend |Ø| [dat ze elke avond kregen]?oorzakelijk objectszin
dWat |waren| de kinderen (er) wel (van) |overtuigd|, [dat ze zouden krijgen]?uitgeslotenvoorzetselobjectszin
De zinnen in (8) laten zien dat wat in alle gevallen dienst kan doen als direct object van de afhankelijke zin, met uitzondering van de voorzetselobjectszin in (8d). Op basis van dit verschil kan worden geconcludeerd dat de voorzetselobjectszin niet tot de eigenlijke zin behoort, maar in de uitloop staat. Dit wordt nog eens bevestigd door de volgende voorbeelden:
9aWat |viel| het een beetje tegen |Ø|, [dat Emma's kinderen hadden gezegd]?uitgeslotensubjectszin
bWat |heeft| Karel het onmiddellijk |gedacht|, [dat Emma's kinderen hebben gezegd]?uitgeslotendirect objectszin
cWat |waren| Emma's kinderen het wel gewend |Ø|, [dat ze elke avond kregen]?uitgeslotenoorzakelijk objectszin
De zinnen in (9) bevatten het als voorlopig subject, direct object en oorzakelijk object. Het vragend voornaamwoord wat kan nu niet het direct object van de afhankelijke zinnen zijn. Ook hier is de verklaring dat die zinnen niet op de laatste zinsplaats staan, maar in de uitloop.
De voorbeelden die tot nu toe gegeven zijn bevatten steeds een afhankelijke dat-zin. De laatste zinsplaats kan echter ook worden bezet door of-zinnen en afhankelijke vraagwoordvragen. De volgende voorbeelden illustreren dat aan de hand van een subject en een direct object:
10Of-zinnen en afhankelijke vraagwoordvragen op de laatste zinsplaats
aEr |werd| tegen het eind van de lunch |gevraagd| [of Emma's kinderen erg stout waren].subjectszin
bEr |werd| tegen het eind van de lunch |gevraagd| [hoe stout Emma's kinderen waren].
cKarel |heeft| zich misschien per ongeluk af|gevraagd| [of Emma's kinderen niet willen deugen].direct objectszin
dKarel |heeft| zich misschien per ongeluk af|gevraagd| [waarom Emma's kinderen niet willen deugen].
Oorzakelijk objectszinnen komen niet voor in de vormen van (10), maar wel in de vorm van een beknopte bijzin met (om) te + infinitief. Deze mogelijkheid bestaat ook bij subject en direct object:
11Beknopte bijzinnen op de laatste zinsplaats
aEr |werd| ons tegen het eind van de lunch |verzocht| [de tafel af te ruimen].subjectszin
bKarel |heeft| zich voor|genomen| [(om) Emma's kinderen een standje te geven].direct objectszin
cDe kinderen |waren| wel gewend |Ø| [(om) elke avond wat lekkers te krijgen].oorzakelijk objectszin
Bij alle tot nu toe behandelde afhankelijke zinnen geldt dat de laatste zinsplaats, naast de eerste zinsplaats, de enig mogelijke positie in de eigenlijke zin is. Plaatsing in het middenstuk is, afgezien van bijzondere gevallen als directe rede, geen optie. Afhankelijke zinnen met de functie van bijwoordelijke bepaling, daarentegen, staan met meer gemak in het middenstuk van de zin:
12Bepalingszinnen in het middenstuk en op de laatste zinsplaats
aKarel |wilde| de kinderen [voordat de lunch was afgelopen] duidelijk |maken| dat hun gedrag niet door de beugel kon.bijwoordelijke bepaling van tijd
bKarel |wilde| de kinderen duidelijk |maken| dat hun gedrag niet door de beugel kon [voordat de lunch was afgelopen].
cEmma |heeft| vandaag haar kinderen [door tactisch te opereren] |behoed| voor reputatieschade.bijwoordelijke bepaling van causaliteit
dEmma |heeft| vandaag haar kinderen |behoed| voor reputatieschade [door tactisch te opereren].
eKarel |zal| zeker [waar hij maar kan] uitzonderingen |maken|.bijwoordelijke bepaling van plaats
fKarel |zal| zeker uitzonderingen |maken| [waar hij maar kan].
In deze voorbeelden staan achtereenvolgens een temporele bijzin (12b), een bijzin van causaliteit (12d) en een locatieve bijzin (12f) op de laatste zinsplaats. Ze volgen in die positie eventueel aanwezige direct objectszinnen (12b) en voorzetselobjecten (12d). De bepalingen in kwestie kunnen ook, al dan niet samen met hoofdwerkwoord en inherent zinsdeel of direct object, op de eerste zinsplaats staan:
13aDuidelijk |maken| dat hun gedrag niet door de beugel kon [voordat de lunch was afgelopen] |wilde| Karel de kinderen | |.
b[Voordat de lunch was afgelopen] |wilde| Karel de kinderen duidelijk |maken| dat hun gedrag niet door de beugel kon .
cHaar kinderen behoed voor reputatieschade [door tactisch te opereren] |heeft| Emma vandaag | |.
d[Door tactisch te opereren] |heeft| Emma vandaag haar kinderen |behoed| voor reputatieschade.
eUitzonderingen maken [waar hij maar kan] |zal| Karel zeker | |.
f[Waar hij maar kan] |zal| Karel zeker uitzonderingen |maken|.
Plaatsing van een bepalingszin in het middenstuk levert niet altijd een soepele zin op:
14aHij |had| [omdat er geen borden meer waren] met plezier nog even af|gewassen|.twijfelachtigredengevende bijzin
bHij |had| [hoewel het al erg laat was] gauw nog even af|gewassen|.twijfelachtigtoegevende bijzin
Tenzij de bepalingszinnen in (14) als tussenzin worden beschouwd, lopen de zinnen in deze voorbeelden tamelijk stroef. Zoals eerder besproken kan dit worden verklaard aan de hand van het complexiteitsprincipe, dat stelt dat complexere zinsdelen de neiging hebben verder naar rechts te staan. Voor redengevende bijzinnen als (14a) geldt dat ze zowel op de laatste zinsplaats als in de uitloop kunnen staan:
15Redengevende bijzinnen op de laatste zinsplaats of in de uitloop
aHij |had| met plezier nog even af|gewassen| [omdat er geen borden meer waren].
bNog even afgewassen [omdat er geen borden meer waren] |had| hij met plezier | |.
cNog even afgewassen |had| hij met plezier | |, [omdat er geen borden meer waren].
De redengevende bijzin in (15a) staat op de laatste zinsplaats. Deze analyse wordt bevestigd door (15b). Het voorbeeld in (15c) laat zien dat ook plaatsing in de uitloop een acceptabele zin oplevert. Voor toegevende bijzinnen zoals (14b) is dat, los van plaatsing op de eerste zinsplaats, dan weer de enige mogelijkheid:
16Toegevende bijzinnen alleen in de uitloop
aHij |had| gauw nog even af|gewassen|, [hoewel het al erg laat was].
bAfgewassen [hoewel het al erg laat was] |had| hij gauw nog even | |.# unacceptableWithIntendedReading
cAfgewassen |had| hij gauw nog even | |, [hoewel het al erg laat was].
Zoals reeds beschreven in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in een mededelende zin? geldt voor bijzinnen van gevolg dat ze altijd achter de tweede pool staan. Voor zinnen met zodat en waardoor geldt dat ze in de uitloop staan. Bijzinnen van graadaanduidend gevolg zijn altijd onderdeel van een zinsdeel en komen om die reden pas in de volgende sectie aan bod. Ook vergelijkende zinnen die afhankelijk zijn van het werkwoord in de bevattende zin en die min of meer verplicht aanwezig zijn, staan verplicht achter de tweede pool. In tegenstelling tot gevolgzinnen staan vergelijkende zinnen met als(of) op de laatste zinsplaats:
17Vergelijkende zinnen op de laatste zinsplaats
aWaarom |stelt| die minister zich steeds aan |Ø| als was hij de spil van de regering, en niet de premier?formeel
bJe |moet| nu niet |doen| alsof je mij niet kent.
Het feit dat de vergelijkende zinnen in (17) verplicht aanwezig zijn impliceert dat ze deel uitmaken van de eigenlijke zin en dus op de laatste zinsplaats staan. Vergeleken met andere verplicht aanwezige bepalingen zijn dit overigens bijzondere gevallen, omdat inherente zinsdelen juist niet op de laatste zinsplaats kunnen staan. Afgezien van de eerste zinsplaats komen dit soort zinsdelen normaliter alleen in het middenstuk voor, en wel vlak voor de tweede pool. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van een gezegdezin in (18a-b):
18aEmma's jongste |is| als baby altijd al [om op te vreten] |geweest|.
bEmma's jongste |is| als baby altijd al |geweest| [om op te vreten].uitgesloten
cHaar oudste |is| inmiddels [wat ze altijd al had willen zijn] |geworden|.twijfelachtig
dHaar oudste |is| inmiddels |geworden| [wat ze altijd al had willen zijn].
De afhankelijke zinnen in (18) doen dienst als naamwoordelijk deel van het gezegde. In de vorm van een beknopte bijzin kunnen ze niet op de laatste zinsplaats staan, maar in de vorm van een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent geldt het omgekeerde: achteropplaatsing is daar juist verplicht. Dergelijke zinnen komen ook voor als bijwoordelijke bepaling van plaats, en ook daar blijkt plaatsing achter de tweede pool de beste optie: Emma's moeder |heeft| altijd |willen wonen| [waar haar dochter ook woont].
Vergelijkende zinnen die weglaatbaar zijn hebben ruimere plaatsingsmogelijkheden dan de gevallen in (17). Vergelijkende bijzinnen met zoals kunnen op de eerste zinsplaats, in de aanloop of in de uitloop staan. In die laatste twee gevallen staat zo als herhaalde of voorlopige bepaling in de eigenlijke zin en is er een vrij duidelijke intonatiebreuk in de uitspraak. In dat opzicht lijken de mogelijkheden sterk op die van de hierboven beschreven objectszinnen:
19Weglaatbare vergelijkende bijzinnen met zoals: ruime plaatsingsmogelijkheden
a[Zoals ik het je uitgelegd heb] |moet| je het |doen|.eerste zinsplaats
b[Zoals ik het je uitgelegd heb], zo |moet| je het |doen|.aanloop
cJe |moet| het |doen| [zoals ik het je uitgelegd heb].laatste zinsplaats
dJe |moet| het zo |doen|, [zoals ik het je uitgelegd heb].uitloop
eJe |moet| het [zoals ik het je uitgelegd heb] |doen|.twijfelachtigmiddenstuk
Plaatsing in het middenstuk is doorgaans uitgesloten (19e). Een voorbeeld waarbij een dergelijke zin toch in het middenstuk staat, is (hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing:) je |moet| het zoals het daar staat in elkaar |zetten|. Wanneer de vergelijkende bijzin betrekking heeft op de hele zin, is de laatste zinsplaats niet beschikbaar. In dat geval staat de bijzin in de uitloop
20Het |is| gisteren toch nog mooi weer |geworden|, [zoals ik al voorspelde].
De vergelijkende bijzinnen in (19) hebben een beperkende betekenis: ze hebben uitsluitend betrekking op het gezegde van de zin en kunnen daardoor worden geclassificeerd als gezegdebepalingen. Het voorbeeld in (20) heeft een uitbreidende betekenis: de vergelijkende bijzin heeft betrekking op de gehele zin en kan daardoor worden geclassificeerd als zinsbepaling. Dat zulke bepalingszinnen achter de tweede pool alleen in de uitloop kunnen staan wordt bevestigd door bijzinnen van voorwaarde, die alleen als zinsbepaling kunnen dienen:
21Bijzinnen van voorwaarde alleen in de uitloop
aKarel |moest| die kinderen nu eenmaal aan|spreken|, [als ze luidruchtig waren].
bAanspreken [als ze luidruchtig waren] |moest| Karel die kinderen nu eenmaal | |.# unacceptableWithIntendedReading
cAanspreken |moest| Karel die kinderen nu eenmaal | |, [als ze luidruchtig waren].
d[Als ze luidruchtig waren] |moest| Karel die kinderen nu eenmaal aan|spreken|.
eKarel |moest| die kinderen [als ze luidruchtig waren] nu eenmaal aan|spreken|.
Het voorbeeld in (21b) laat zien dat de bijzin van voorwaarde niet op de laatste zinsplaats kan staan. De uitloop (21c), eerste zinsplaats (21d) en ook het middenstuk (21e) zijn allemaal wel beschikbaar.
Ten slotte komen of -zinnen als deelzin in een zogeheten balansschikking uitsluitend op de laatste zinsplaats van een bevattende zin voor:
22Het |had| niet veel |gescheeld| [of de auto was ontploft].
Het is niet duidelijk wat de functie van de tweede deelzin is ten opzichte van de eerste deelzin, ook al is er sprake van een of-zin met achter-pv. Aangezien beide deelzinnen sterk van elkaar afhankelijk zijn, is de (voorlopige) conclusie hier dat de tweede deelzin op de laatste zinsplaats staat (en niet in de uitloop).
Afhankelijke zinnen als deel van een zinsdeel op de laatste zinsplaats
Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats kunnen deel uitmaken van een zinsdeel. Zo kunnen ze de functie van complement of bepaling hebben bij een substantief, adjectief of adverbium in het middenstuk. In dat geval staat er dus een deel van een nominale, adjectivische of adverbiale constituent op de laatste zinsplaats. Het deel van die constituent dat in het middenstuk staat, wordt doorgaans beklemtoond.
Drie categorieën afhankelijke zinnen komen standaard op de laatste zinsplaats: bijzinnen die een graadaanduidend gevolg of vergelijking uitdrukken en een groep beknopte bijzinnen die dienst doen als complement of nabepaling van een adjectief of substantief. De eerste categorie bijzinnen, namelijk die van graadaanduidend gevolg, bestaat uit dat-zinnen als complement van het bijwoord zo (+ adjectief) of een andersoortige constituent als equivalent daarvan:
23Bijzinnen die een graadaanduidend gevolg uitdrukken: uitsluitend op de laatste zinsplaats
aHij |had| zo hard |gelopen| [dat hij er bijna bij neerviel].
b|Laten| we zo te werk |gaan| [dat niemand last van ons heeft].
cOnze reservering |werd| op dusdanige wijze aan|gepast| [dat we die korting toch nog konden krijgen].
Anders dan de eerder besproken gevolgzinnen, die alleen in de uitloop kunnen staan, zijn graadaanduidende gevolgzinnen zoals in (23) min of meer verplicht aanwezige elementen die bij de eigenlijke zin horen. Ze staan derhalve op de laatste zinsplaats. Hetzelfde geldt voor de tweede categorie bijzinnen, met een vergelijkende functie, die worden ingeleid door voegwoorden als dan, als en of:
24Bijzinnen die een vergelijking uitdrukken: uitsluitend op de laatste zinsplaats
aDeze categorie |is| sterker |vertegenwoordigd| [dan uit de cijfers zou blijken].
b(Het stelt mensen gerust) |als| hun nieuwe werkkring dezelfde dynamiek |heeft| [als ze gewend zijn].
c(Ik zou willen) |dat| ze niet steeds net |deed| [of ze alles al wist].
Deze vergelijkende bijzinnen maken deel uit van een adjectivische (24a), nominale (24b) en adverbiale constituent (24c). Net als de gevolgzinnen in (23) kunnen ze alleen op de laatste zinsplaats staan. Dat is ook het geval bij beknopte bijzinnen met (om) te + infinitief na een adjectief, na te + adjectief en na genoeg/voldoende (+ adjectief of substantief). De laatste twee typen duiden ook een graadaanduidend gevolg aan, zoals de voorbeelden in (23):
25Beknopte bijzinnen met (om) te + infinitief na (te +) adjectief en na genoeg/voldoende (+ adjectief of substantief): uitsluitend op de laatste zinsplaats
aDaarna |zou| iedereen dan weer vrij |zijn| [(om) de middag naar eigen smaak in te delen].
bHaar man |was| te oud |geworden| [om nog lange wandelingen te maken].
cEmma |wilde| dat ze lang genoeg |was| [om als stewardess te kunnen werken].
dEr |zouden| zich nog voldoende gelegenheden |voordoen| [om vogels te observeren].
Soortgelijke beknopte bijzinnen bij een substantivische kern zonder genoeg/voldoende hebben weliswaar een sterke neiging om de laatste zinsplaats te bezetten, maar ze kunnen ook direct achter de kern in het middenstuk staan:
26Beknopte bijzinnen met (om) te + infinitief na een substantief: niet per se op de laatste zinsplaats
aHierbij |was| de mogelijkheid open|gelaten| [(om) de vraag niet te beantwoorden].
bHierbij |was| de mogelijkheid [(om) de vraag niet te beantwoorden] open|gelaten|.
Naast de drie besproken soorten afhankelijke zinnen zijn er nog twee categorieën die een sterke voorkeur hebben voor het bezetten van de laatste zinsplaats, hoewel dat niet de enige mogelijkheid is: complementszinnen ingeleid door een onderschikkend voegwoord of vragend (voornaam)woord en nabepalingen in de vorm van een betrekkelijke bijzin. Beide categorieën maken deel uit van een nominale constituent. Zo'n constituent kan een complementszin bevatten die ingeleid wordt door een onderschikkend voegwoord of een vragend (voornaam)woord. Dit soort complementszinnen kan vaak, net als de infinitiefconstructie in (26), zowel direct op de kern volgen als los van de kern op de laatste zinsplaats staan:
27Complementszinnen ingeleid door een onderschikkend voegwoord of vragend (voornaam)woord: niet per se op de laatste zinsplaats
aDe ambassade |probeerde| de geruchten [als zou er een staatsgreep hebben plaatsgevonden] |te ontzenuwen|.
bDe ambassade |probeerde| de geruchten |te ontzenuwen| [als zou er een staatsgreep hebben plaatsgevonden].
cDe bekende analisten |mochten| de vraag [hoe lang deze crisis nu weer zou gaan duren] |beantwoorden|.
dDe bekende analisten |mochten| de vraag |beantwoorden| [hoe lang deze crisis nu weer zou gaan duren].
In sommige gevallen is de keuze voor de laatste zinsplaats vrij dwingend, zoals in dit alles |had| de vraag |doen rijzen| [in hoeverre de zittende regering de situatie onder controle had]. Het lijkt onmogelijk om de complementszin in dit voorbeeld in het middenstuk te plaatsen, direct na de kern vraag. Onder welke omstandigheden deze striktere plaatsing precies geldt, is niet met zekerheid te zeggen. Opvallend is in dit opzicht wel dat het steeds gaat om uitdrukkingen en min of meer vaste verbindingen van een werkwoord met een substantivische nominale constituent als direct object, zoals de vraag doen rijzen (of...), de vrees uitspreken (dat...), de mededeling doen (dat...), de vraag stellen (of...), het gevoel krijgen (dat/alsof...), het bewijs leveren (dat...), de beschuldiging uiten (dat...), et cetera.
Ook betrekkelijke bijzinnen kunnen op de laatste zinsplaats staan. Meestal hebben dit soort zinnen de functie van nabepaling binnen een nominale constituent. Qua betekenis zijn er twee ondersoorten:
28Betrekkelijke bijzinnen: alleen beperkende op de laatste zinsplaats
aKarel |heeft| gisteren die kinderen [die zich misdroegen] |berispt|.
bKarel |heeft| gisteren die kinderen, [die zich misdroegen], |berispt|.
cKarel |heeft| gisteren die kinderen |berispt| [die zich misdroegen].
dKarel |heeft| gisteren die kinderen |berispt|, [die zich misdroegen].
Het voorbeeld in (28a) bevat een betrekkelijke bijzin die een bekend veronderstelde groep kinderen inperkt: alleen de kinderen die zich misdroegen werden berispt. Deze beperkende betrekkelijke bijzin kan los van de rest van de bevattende constituent op de laatste zinsplaats staan, zoals blijkt uit (28c). De bijzin in (28b) heeft een uitbreidende betekenis: de (bekend veronderstelde) kinderen werden berispt, en de bijzin voegt daaraan toe dat de kinderen zich misdroegen. Deze uitbreidende betrekkelijke bijzin wordt duidelijk hoorbaar gescheiden van de bevattende zin, en dat is ook het geval als hij de tweede pool volgt, zoals in (28d). Het belangrijkste zinsaccent kan wel op een beperkende, maar niet op een uitbreidende betrekkelijke bijzin vallen:
29aKarel |heeft| blijkbaar die kinderen |berispt| {die zich misdróégen}.
bKarel |heeft| blijkbaar {die kínderen} |berispt|, [die zich misdroegen].
Bij neutrale beklemtoning valt het belangrijkste zinsaccent op de laatste zinsplaats, of als die positie leeg is, vlak voor de tweede pool. In (29a) valt dat accent op de beperkende betrekkelijke bijzin. Dit wordt, net als elders in dit hoofdstuk, weergegeven door middel van accolades en een accent op de zwaarst beklemtoonde lettergreep. In (29b) valt het belangrijkste zinsaccent vóór de tweede pool, op het antecedent kinderen. Verder dient te worden opgemerkt dat betrekkelijke bijzinnen alleen achter de tweede pool kunnen staan als het antecedent in de rechterhelft van het middenstuk staat. De volgende zinnen illustreren dit voor de beperkende betrekkelijke bijzin uit (29a):
30aKarel |heeft| die kinderen blijkbaar |berispt| [die zich misdroegen].uitgesloten
bKarel |heeft| die kinderen [die zich misdroegen] blijkbaar |berispt|.
cDie kinderen |heeft| Karel blijkbaar |berispt| [die zich misdroegen].twijfelachtig
dDie kinderen [die zich misdroegen] |heeft| Karel blijkbaar |berispt|.
Wanneer het antecedent in de linkerhelft van het middenstuk staat, moet het direct gevolgd worden door de betrekkelijke bijzin (30a-b). Dit geldt ook voor een antecedent dat op de eerste zinsplaats staat, al is het contrast daar minder scherp (30c-d).
Volgens (De Vries 2002) zijn zinnen als (30c) acceptabel. (Broekhuis et al. 2015) merken echter op dat sommige sprekers de zin alleen goedkeuren met een duidelijke intonatiebreuk, wat erop zou wijzen dat de betrekkelijke bijzin in de uitloop staat. Om die reden houdt de ANS hier een slag om de arm, in afwachting van nader onderzoek naar deze specifieke constructie.
In de bovenstaande voorbeelden maakt de betrekkelijke bijzin deel uit van het direct object. Ook nominale constituenten met andere zinsdeelfuncties kunnen een betrekkelijke bijzin op de laatste zinsplaats hebben:
31aEr |komt| volgende week waarschijnlijk een monteur |kijken| [die geen voorrijkosten rekent].subject
bNa die berisping |zal| Karel Emma wel een etentje schuldig |zijn| [dat de kou uit de lucht haalt].oorzakelijk object
cHij |heeft| gisteren in de showroom een verkoper zijn telefoonnummer |gegeven| [die belangstelling had voor zijn oude auto].indirect object
dEmma |had| voor haar gevoel lang genoeg bij de autodealer rond|gekeken| [die Karels favoriete merken verkocht].bijwoordelijke bepaling
eEmma |is| naar de plek |gegaan| [waar ze Karel voor het eerst ontmoet heeft]inherent zinsdeel
Hoewel inherente zinsdelen op een enkele uitzondering na nooit op de laatste zinsplaats staan, kan een betrekkelijke bijzin als onderdeel van zo'n zinsdeel dat wel (31d). Verder geldt dat de afstand tussen antecedent en betrekkelijke bijzin niet al te groot mag zijn:
32Volgende week |komt| waarschijnlijk die ene monteur Karel met zijn airconditioning |helpen| [die geen voorrijkosten rekent].twijfelachtig
In (32) staan er, behalve de tweede pool, een indirect object (Karel) en een voorzetselobject (met zijn airconditioning) tussen antecedent en betrekkelijke bijzin. Ten slotte komt ook dubbele inbedding komt voor bij betrekkelijke bijzinnen op de laatste zinsplaats:
33Er |komt| volgende week waarschijnlijk [een monteur [van [het bedrijf]]] |kijken| [dat op internet het goedkoopst lijkt].
Het antecedent van de betrekkelijke bijzin in (33) vormt de kern van een nominale constituent die samen met het voorzetsel van als nabepaling binnen het subject van de zin fungeert.
Het antecedent is een constituent die een hoedanigheid aanduidt of bestaat uit een (vrijwel) hele zin
Verdieping
Het antecedent is een constituent die een hoedanigheid aanduidt of bestaat uit een (vrijwel) hele zin
Betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent een constituent is die een hoedanigheid aanduidt of uit de volledige bevattende zin bestaat, staan altijd in de uitloop:
iaHij |is| advocaat |worden|, [wat ik overigens een flutberoep vind].
bUiteindelijk |heeft| hij toch nog zijn excuses aan|geboden|, [wat zeer te prijzen is].
cEmma's kinderen |hadden| al de lunch |bedorven|, [waarop Emma de hele middag niet meer aan werken toekwam].
De betrekkelijke bijzin in (i-a) heeft het naamwoordelijk deel van het gezegde (advocaat) als antecedent en valt duidelijk buiten het intonatiedomein van de eigenlijke zin. Hetzelfde geldt voor de bijzinnen in (i-b) en (i-c), die de hele bevattende zin (of een deel daarvan) als antecedent hebben. In alle gevallen hier geldt dat de bijzinnen van het uitbreidende type zijn en daardoor in de uitloop staan. Dit kwam eerder aan bod in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in een mededelende zin? Dit soort zinnen kan ook in de aanloop staat of als tussenzin het middenstuk onderbreken intercalatie. Voor de betrekkelijke bijzin in (i-c) geldt dit niet: die kan alleen in de uitloop staan. Zulke zinnen worden vanwege hun sequentiële karakter ook wel continuatieve bijzinnen genoemd.
Bij alle gevallen waarin een afhankelijke zin als complement of bepaling binnen een andere constituent optreedt, lijkt de voorkeur voor de laatste zinsplaats toe te nemen naarmate de zin in het middenstuk dichter bij de tweede pool zou staan. Als de afhankelijke zin bij plaatsing in het middenstuk nog maar door één element gevolgd wordt, komt plaatsing achter de tweede pool zowel de verstaanbaarheid als de elegantie van de zin ten goede. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer alleen een achter-pv (persoonsvorm) of alleen het scheidbare deel van een samengesteld werkwoord volgt op de afhankelijke zin in het middenstuk:
34aHij |heeft| gisteravond zijn zus [die in Canada] woont op|gebeld|.
bHij |heeft| gisteravond zijn zus op|gebeld| [die in Canada woont].
De zinnen in (34) vertonen nauwelijks stilistisch verschil, al zal in gesproken taal de voorkeur worden gegeven aan (34b). Deze tendens wordt dwingender naarmate de afhankelijke zin omvangrijker is. Het volgende paar zinnen illustreert dit:
35a(Hij zei) |dat| hij een boek [waarin de geschiedenis van het Romeinse rijk gedetailleerd behandeld wordt] |zocht|.twijfelachtig
b(Hij zei) |dat| hij een boek |zocht| [waarin de geschiedenis van het Romeinse rijk gedetailleerd behandeld wordt].
Het voorbeeld in (35b) verdient uit het oogpunt van vlotheid en elegantie beslist de voorkeur boven (35a). Om die reden krijgt het eerste voorbeeld het label 'twijfelachtig', hoewel de volgorde in kwestie niet volledig uitgesloten is. Bij zinnen die als complement van een substantief fungeren wordt de tendens tot achteropplaatsing dwingender:
36aHij |kan| zich niet van de indruk [dat ze hem al die tijd voor de gek gehouden heeft] |ontdoen.|twijfelachtig
bHij |kan| zich niet van de indruk |ontdoen| [dat ze hem al die tijd voor de gek gehouden heeft].
37aEmma |heeft| me gisteren de stellige belofte [ervoor te zorgen] |gedaan.|uitgesloten
bEmma |heeft| me gisteren de stellige belofte |gedaan| [ervoor te zorgen].
Perifrastische werkwoorden
Verdieping
Perifrastische werkwoorden
In (37) zou ook het feit dat een belofte doen als één geheel kan worden opgevat (te weten beloven) een rol kunnen spelen. In zulke gevallen is de afhankelijke zin dan eerder zelf een direct object(szin), in plaats van een deel van het direct object (met belofte als kern). Hetzelfde zou kunnen gelden voor perifrastische werkwoorden als de vraag stellen of (= vragen) en andere combinaties van substantief en werkwoord die in verband met (27) genoemd zijn.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links