21.6.2 Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats
Afhankelijke zinnen kunnen lang niet altijd in het middenstuk voorkomen. Op een
aantal elders beschreven uitzonderingen na kunnen deze zinnen
op de eerste zinsplaats staan. Daarnaast kunnen alle afhankelijke zinnen achter
de tweede pool staan: op de laatste zinsplaats of in de uitloop.
Afhankelijke zinnen die dienst doen als zinsdeel kunnen met
de volgende functies op de laatste zinsplaats staan: subject (onderwerp, zoals
bijvoorbeeld er |wordt| soms |gezegd| [dat Emma
slecht bereikbaar is]), direct
object (lijdend voorwerp, zoals Emma's broertje |gaf|
onmiddellijk toe |Ø| [dat hij met de wifi geknoeid
had]), oorzakelijk object
(oorzakelijk voorwerp, zoals Emma |raakte| het een beetje
beu |Ø| [om haar broertje steeds in de gaten te
houden]) en verschillende gezegdebepalingen (zoals ik |ben|
mijn geduld |verloren| [toen ik Emma niet kon
bereiken]). De vorm die een
afhankelijk zin heeft hangt af van de functie die de zin in de bevattende zin
heeft. Zo kunnen subject en object in de vorm van een bijzin met dat, of of een vragend/uitroepend (voornaam)woord voorkomen. Ook
infinitiefconstructies met (om) te komen voor. Voor bepalingszinnen geldt dat ze meestal met een ander
onderschikkend voegwoord beginnen. Ten slotte staat ook het tweede deel van de
zogeheten balansschikking op de laatste zinsplaats van het eerste deel.
Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats kunnen ook deel van een
zinsdeel zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om bijzinnen van
graadaanduidend gevolg of vergelijking (Emma's broertje
|had| zich nu zodanig |misdragen| [dat
Emma zinde op wraak],
hij |zou| echter vast veel
feller |reageren| [dan ze kon
verdragen]). Dit type zin staat
verplicht op de laatste zinsplaats. Ook diverse beknopte bijzinnen in
constructies met een adjectief of substantief komen voor op de laatste
zinsplaats: het |was| te laat
|geworden| [om er vandaag nog werk van te
maken], er
|zouden| nog voldoende kansen |volgen|
[om wraak te nemen].
Verder kunnen nominale constituenten complementszinnen met een onderschikkend
voegwoord of vragend (voornaam)woord bevatten. Ook dit soort afhankelijke zinnen
kan op de laatste zinsplaats voorkomen: Emma |had| zichzelf
al vaak de vraag |gesteld| [hoe lang ze
zijn gedrag nog wilde tolereren].
Ten slotte staan ook beperkende betrekkelijke bijzinnen regelmatig op de laatste
zinsplaats: Emma's broertje |wil| het liefste
grappen uit|halen| [die de dag van
anderen langdurig ontwrichten].
Een beperking bij betrekkelijke bijzinnen is dat het antecedent in de rechterhelft van het middenstuk staat en dat er niet te
veel afstand tussen antecedent en laatste zinsplaats is. Plaatsing van
betrekkelijke bijzinnen in het middenstuk wordt moeilijker naarmate er minder
elementen op de betrekkelijke bijzin volgen.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen als zinsdeel op de laatste zinsplaats
Afhankelijke zinnen kunnen uiteenlopende functies bekleden. Ze komen hier aan bod
voor zover ze met die functie op de laatste zinsplaats kunnen staan. Het gaat
achtereenvolgens om het subject (onderwerp), het direct object (lijdend
voorwerp), het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) en verschillende
soorten bijwoordelijke bepalingen.
Subjectszinnen worden altijd geïntroduceerd door het
voorlopige subject het of door presentatief er, tenzij ze op de eerste zinsplaats staan. Zo'n subjectszin staat alleen
dan op de laatste zinsplaats wanneer de zin een presentatief er bevat (of zou kunnen bevatten):
Alleen in (1a) staat de afhankelijke subjectszin op de laatste zinsplaats. Deze
zin is verplicht aanwezig, blijkt uit (1b). De subjectszin in (1d) staat niet op
de laatste zinsplaats, maar in de uitloop. Het voorbeeld in (1e) laat zien dat deze afhankelijke zin niet
verplicht aanwezig is. Het verschil tussen deze twee gevallen kan worden
verduidelijkt aan de hand van (1c) en (1f). Presentatief er kan worden gecombineerd met een nominaal subject (iets in (1c)), maar bij het in (1f) is dat niet mogelijk. Dit suggereert dat het in (1d) geen subjectszin op de laatste zinsplaats tolereert, terwijl
er in (1a) juist een subjectszin op de laatste zinsplaats moet staan. In [21.6.1] Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats
staan? is gedemonstreerd dat intonatie kan worden gebruikt om het
verschil tussen laatste zinsplaats en uitloop te demonstreren. Bij complexe
zinnen als deze is dat niet eenvoudig vast te stellen, al is het goed
voorstelbaar dat de subjectszin in (1a) het belangrijkste zinsaccent kan dragen,
wat past bij de laatste zinsplaats. Een andere, bruikbaardere test is
vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord:
Vooropplaatsing van gezegd in (2a-b) kan alleen als de subjectszin ook op de eerste zinsplaats
staat. In (2d) lukt dat niet, tenzij dat iemand zoiets onder het eten kan zeggen als tussenzin fungeert. Wanneer alleen de afhankelijke zin op de
eerste zinsplaats staat, gaat dat samen met er (2c), maar niet met het (2f). Wordt de tweede pool gevolgd door nog een ander zinsdeel, dan
kan de onderlinge volgorde van dat zinsdeel en de subjectszin als tweede test
worden gebruikt:
Onderlinge volgorde van constituenten op de laatste
zinsplaats
Verdieping
Onderlinge volgorde van constituenten op de laatste
zinsplaats
In [21.6.1] is vastgesteld dat de onderlinge
volgorde van constituenten op de laatste zinsplaats tegengesteld is aan
de basisvolgorde in het middenstuk. Deze gespiegelde volgorde ziet er
als volgt uit:
- voorzetselobject > direct object > bijwoordelijke bepaling
Het subject sluit in dit opzicht aan bij het direct object. De
bijwoordelijke bepalingen in de hier gegeven voorbeelden hebben steeds
de vorm van een afhankelijke zin. De reden hiervoor is dat sprekers bij
een bijwoordelijke bepaling in de vorm van een adpositieconstituent de
neiging hebben de subjects- of objectszin verderop te plaatsen, en wel
in de uitloop.
Bij meerdere constituenten op de laatste zinsplaats worden objecten gevolgd door bijwoordelijke bepalingen. Hetzelfde geldt voor
het subject in (3a), dat vanwege het passief een direct object in logische zin
is. Die volgorde is omgekeerd in (3c), wat suggereert dat de subjectszin daar in
de uitloop staat. De volgordes in (3b/d) zijn niet volledig onacceptabel,
aangezien ze kunnen voorkomen als de subjectszinnen met een duidelijke
intonatiebreuk worden gescheiden van de rest van de zin. In zo'n geval staat de
afhankelijke zin in (3b) in de uitloop, en is er in (3d) sprake van een
tussenzin.
Ook voor direct objectszinnen geldt dat ze bij afwezigheid
van het voorlopig direct object het op de laatste zinsplaats kunnen staan:
De direct objectszin in (4a) staat op de laatste zinsplaats. Het voorbeeld in
(4b) laat zien dat deze zin samen met het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats
kan staan. In (4c) staat de afhankelijke zin zelfstandig op de eerste
zinsplaats, en in (4d) wordt hij op de laatste zinsplaats gevolgd door een
bijwoordelijke bepaling, precies zoals in de voorbeelden met subjectszinnen. Bij
direct objectszinnen hangt de aan- of afwezigheid van het af van het hoofdwerkwoord. Bij niet-factieve werkwoorden, zoals stellen in (4), kan de afhankelijke zin zowel waar als onwaar zijn. Dit soort
werkwoorden wordt meestal zonder voorlopig direct object gebruikt. Bij factieve
werkwoorden zoals bijvoorbeeld waarderen is dat anders:
In (5) is steeds het voorlopig direct object het aanwezig. Hierdoor kan de direct objectszin in (5a) alleen in de
uitloop staan. Vooropplaatsing, al dan niet samen met waarderen, is onmogelijk (5b/c). Uit (5d) blijkt dat een bijwoordelijke
bepaling op de laatste zinsplaats voorafgaat aan de afhankelijke zin, in plaats
van erop te volgen. Als het in deze voorbeelden wordt weggelaten, zijn de volgordes in (5b/c) wel
mogelijk en krijgt in (5d) de omgekeerde volgorde de voorkeur:
Emma |kon| totaal niet |waarderen| [dat
de kinderen werden berispt] [omdat het zo onterecht
was].
Oorzakelijk objectszinnen hebben precies dezelfde
mogelijkheden als subjects- en direct objectszinnen: ze kunnen alleen op de
laatste zinsplaats staan bij afwezigheid van een voorlopig oorzakelijk
object:
Voorzetselobjectszinnen wijken af van subjects- en andere
objectszinnen in dat ze nooit op de laatste zinsplaats kunnen staan. Afhankelijk
van het hoofdwerkwoord bevat het middenstuk van de zin een verplicht, dan wel
optioneel voorlopig voorzetselobject, met er als complement van het vaste voorzetsel:
In (7) vervullen er...aan en er...van de functie van voorlopig voorzetselobject. Bij zich ergeren is dit verplicht, maar dat is niet het geval bij overtuigen. Ongeacht dit verschil kan de corresponderende voorzetselobjectszin
nooit op de eerste zinsplaats staan: noch samen met het hoofdwerkwoord (7c-d),
noch zelfstandig (7e-f). Net als bij nominale constituenten achter de tweede pool moet hier
worden aangenomen dat het voorlopig voorzetselobject altijd aanwezig is, ook al
is dat niet altijd expliciet hoorbaar. Een bijwoordelijke bepaling op de laatste
zinsplaats gaat vooraf aan de voorzetselobjectszin, die zelf dus in de uitloop
staat (7g-h).
Er is nog een ander onderscheid tussen voorzetselvoorwerpzinnen enerzijds en
subjects- en andere objectszinnen anderzijds. Dit heeft te maken met het
voorkomen van een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats van de
bevattende zin. Dit kan een zinsdeel zijn van een afhankelijke dat-zin, zoals besproken in [21.4.1] en [21.4.2]. Wanneer deze afhankelijke zin een
voorzetselobjectszin is, ontbreekt deze mogelijkheid:
De zinnen in (8) laten zien dat wat in alle gevallen dienst kan doen als direct object van de
afhankelijke zin, met uitzondering van de voorzetselobjectszin in (8d). Op basis
van dit verschil kan worden geconcludeerd dat de voorzetselobjectszin niet tot
de eigenlijke zin behoort, maar in de uitloop staat. Dit wordt nog eens
bevestigd door de volgende voorbeelden:
De zinnen in (9) bevatten het als voorlopig subject, direct object en oorzakelijk object. Het
vragend voornaamwoord wat kan nu niet het direct object van de afhankelijke zinnen zijn. Ook
hier is de verklaring dat die zinnen niet op de laatste zinsplaats staan, maar
in de uitloop.
De voorbeelden die tot nu toe gegeven zijn bevatten steeds een afhankelijke dat-zin. De laatste zinsplaats kan echter ook worden bezet door of-zinnen en afhankelijke vraagwoordvragen. De volgende voorbeelden
illustreren dat aan de hand van een subject en een direct object:
Oorzakelijk objectszinnen komen niet voor in de vormen van (10), maar wel in de
vorm van een beknopte bijzin met (om) te + infinitief. Deze mogelijkheid bestaat ook bij subject en direct
object:
Bij alle tot nu toe behandelde afhankelijke zinnen geldt dat de laatste
zinsplaats, naast de eerste zinsplaats, de enig mogelijke positie in de
eigenlijke zin is. Plaatsing in het middenstuk is, afgezien van bijzondere
gevallen als directe rede, geen optie. Afhankelijke zinnen
met de functie van bijwoordelijke bepaling, daarentegen, staan
met meer gemak in het middenstuk van de zin:
In deze voorbeelden staan achtereenvolgens een temporele bijzin (12b), een bijzin
van causaliteit (12d) en een locatieve bijzin (12f) op de laatste zinsplaats. Ze
volgen in die positie eventueel aanwezige direct objectszinnen (12b) en
voorzetselobjecten (12d). De bepalingen in kwestie kunnen ook, al dan niet samen
met hoofdwerkwoord en inherent zinsdeel of direct object, op de eerste
zinsplaats staan:
Plaatsing van een bepalingszin in het middenstuk levert niet altijd een soepele
zin op:
Tenzij de bepalingszinnen in (14) als tussenzin worden beschouwd, lopen de zinnen
in deze voorbeelden tamelijk stroef. Zoals eerder besproken kan dit worden
verklaard aan de hand van het complexiteitsprincipe, dat stelt dat complexere
zinsdelen de neiging hebben verder naar rechts te staan. Voor redengevende
bijzinnen als (14a) geldt dat ze zowel op de laatste zinsplaats als in de
uitloop kunnen staan:
De redengevende bijzin in (15a) staat op de laatste zinsplaats. Deze analyse
wordt bevestigd door (15b). Het voorbeeld in (15c) laat zien dat ook plaatsing
in de uitloop een acceptabele zin oplevert. Voor toegevende bijzinnen zoals
(14b) is dat, los van plaatsing op de eerste zinsplaats, dan weer de enige
mogelijkheid:
Zoals reeds beschreven in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in
een mededelende zin? geldt voor bijzinnen van gevolg dat ze altijd
achter de tweede pool staan. Voor zinnen met zodat en waardoor geldt dat ze in de uitloop staan. Bijzinnen van graadaanduidend
gevolg zijn altijd onderdeel van een zinsdeel en komen om die reden pas in de
volgende sectie aan bod. Ook vergelijkende
zinnen die afhankelijk zijn van het werkwoord in de bevattende zin
en die min of meer verplicht aanwezig zijn, staan verplicht achter de tweede
pool. In tegenstelling tot gevolgzinnen staan vergelijkende zinnen met als(of) op de laatste zinsplaats:
Het feit dat de vergelijkende zinnen in (17) verplicht aanwezig zijn impliceert
dat ze deel uitmaken van de eigenlijke zin en dus op de laatste zinsplaats
staan. Vergeleken met andere verplicht aanwezige bepalingen zijn dit overigens
bijzondere gevallen, omdat inherente zinsdelen juist niet op de laatste zinsplaats kunnen staan. Afgezien
van de eerste zinsplaats komen dit soort zinsdelen normaliter alleen in het
middenstuk voor, en wel vlak voor de tweede pool. Dit wordt geïllustreerd aan
de hand van een gezegdezin in (18a-b):
De afhankelijke zinnen in (18) doen dienst als naamwoordelijk deel van het
gezegde. In de vorm van een beknopte bijzin kunnen ze niet op de laatste
zinsplaats staan, maar in de vorm van een betrekkelijke bijzin met ingesloten
antecedent geldt het omgekeerde: achteropplaatsing is daar juist verplicht.
Dergelijke zinnen komen ook voor als bijwoordelijke bepaling van plaats, en ook
daar blijkt plaatsing achter de tweede pool de beste optie:
Emma's moeder |heeft| altijd |willen wonen|
[waar haar dochter ook
woont].
Vergelijkende zinnen die weglaatbaar zijn hebben ruimere plaatsingsmogelijkheden dan de gevallen in
(17). Vergelijkende bijzinnen met zoals kunnen op de eerste zinsplaats, in de aanloop of in de uitloop staan.
In die laatste twee gevallen staat zo als herhaalde of voorlopige bepaling in de eigenlijke zin en is er
een vrij duidelijke intonatiebreuk in de uitspraak. In dat opzicht lijken de
mogelijkheden sterk op die van de hierboven beschreven objectszinnen:
Plaatsing in het middenstuk is doorgaans uitgesloten (19e). Een voorbeeld waarbij
een dergelijke zin toch in het middenstuk staat, is (hou je
maar precies aan de gebruiksaanwijzing:) je |moet| het zoals
het daar staat in elkaar |zetten|.
Wanneer de vergelijkende bijzin betrekking heeft op de hele zin, is de laatste
zinsplaats niet beschikbaar. In dat geval staat de bijzin in de uitloop
20Het |is| gisteren toch
nog mooi weer |geworden|, [zoals ik al
voorspelde].
De vergelijkende bijzinnen in (19) hebben een beperkende betekenis: ze hebben
uitsluitend betrekking op het gezegde van de zin en kunnen daardoor worden
geclassificeerd als gezegdebepalingen. Het voorbeeld in (20) heeft een
uitbreidende betekenis: de vergelijkende bijzin heeft betrekking op de gehele
zin en kan daardoor worden geclassificeerd als zinsbepaling. Dat zulke bepalingszinnen achter de
tweede pool alleen in de uitloop kunnen staan wordt bevestigd door bijzinnen van
voorwaarde, die alleen als zinsbepaling kunnen dienen:
Het voorbeeld in (21b) laat zien dat de bijzin van voorwaarde niet op de laatste
zinsplaats kan staan. De uitloop (21c), eerste zinsplaats (21d) en ook het
middenstuk (21e) zijn allemaal wel beschikbaar.
Ten slotte komen of -zinnen als deelzin in een zogeheten balansschikking uitsluitend op de laatste zinsplaats van een
bevattende zin voor:
22Het |had| niet veel |gescheeld|
[of de auto was
ontploft].
Het is niet duidelijk wat de functie van de tweede deelzin is ten opzichte van de
eerste deelzin, ook al is er sprake van een of-zin met achter-pv. Aangezien beide deelzinnen sterk van elkaar
afhankelijk zijn, is de (voorlopige) conclusie hier dat de tweede deelzin op de
laatste zinsplaats staat (en niet in de uitloop).
Afhankelijke zinnen als deel van een zinsdeel op de laatste
zinsplaats
Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats kunnen deel uitmaken van een
zinsdeel. Zo kunnen ze de functie van complement of bepaling hebben bij een
substantief, adjectief of adverbium in het middenstuk. In dat geval staat er dus
een deel van een nominale, adjectivische of adverbiale constituent op de laatste
zinsplaats. Het deel van die constituent dat in het middenstuk staat, wordt
doorgaans beklemtoond.
Drie categorieën afhankelijke zinnen komen standaard op de laatste zinsplaats:
bijzinnen die een graadaanduidend gevolg of vergelijking uitdrukken en een groep
beknopte bijzinnen die dienst doen als complement of nabepaling van een
adjectief of substantief. De eerste categorie bijzinnen, namelijk die van
graadaanduidend gevolg, bestaat uit dat-zinnen als complement van het bijwoord zo (+ adjectief) of een andersoortige constituent als equivalent
daarvan:
Anders dan de eerder besproken gevolgzinnen, die alleen in de uitloop kunnen
staan, zijn graadaanduidende gevolgzinnen zoals in (23) min of meer verplicht
aanwezige elementen die bij de eigenlijke zin horen. Ze staan derhalve op de
laatste zinsplaats. Hetzelfde geldt voor de tweede categorie bijzinnen, met een
vergelijkende functie, die worden ingeleid door voegwoorden als dan, als en of:
Deze vergelijkende bijzinnen maken deel uit van een adjectivische (24a), nominale
(24b) en adverbiale constituent (24c). Net als de gevolgzinnen in (23) kunnen ze
alleen op de laatste zinsplaats staan. Dat is ook het geval bij beknopte
bijzinnen met (om) te + infinitief na een adjectief, na te + adjectief en na genoeg/voldoende (+ adjectief of substantief). De laatste twee typen duiden ook een
graadaanduidend gevolg aan, zoals de voorbeelden in (23):
Soortgelijke beknopte bijzinnen bij een substantivische kern zonder genoeg/voldoende hebben weliswaar een sterke neiging om de laatste zinsplaats te
bezetten, maar ze kunnen ook direct achter de kern in het middenstuk staan:
Naast de drie besproken soorten afhankelijke zinnen zijn er nog twee categorieën
die een sterke voorkeur hebben voor het bezetten van de laatste zinsplaats,
hoewel dat niet de enige mogelijkheid is: complementszinnen ingeleid door een
onderschikkend voegwoord of vragend (voornaam)woord en nabepalingen in de vorm
van een betrekkelijke bijzin. Beide categorieën maken deel uit van een nominale
constituent. Zo'n constituent kan een complementszin bevatten die ingeleid wordt
door een onderschikkend voegwoord of een vragend (voornaam)woord. Dit soort
complementszinnen kan vaak, net als de infinitiefconstructie in (26), zowel
direct op de kern volgen als los van de kern op de laatste zinsplaats staan:
In sommige gevallen is de keuze voor de laatste zinsplaats vrij dwingend, zoals
in dit alles |had| de vraag |doen
rijzen| [in hoeverre de zittende regering de situatie onder
controle had]. Het lijkt
onmogelijk om de complementszin in dit voorbeeld in het middenstuk te plaatsen,
direct na de kern vraag. Onder welke omstandigheden deze striktere plaatsing precies geldt,
is niet met zekerheid te zeggen. Opvallend is in dit opzicht wel dat het steeds
gaat om uitdrukkingen en min of meer vaste verbindingen van een werkwoord met
een substantivische nominale constituent als direct object, zoals de vraag doen rijzen (of...), de vrees uitspreken (dat...), de mededeling doen (dat...), de vraag stellen (of...), het gevoel krijgen (dat/alsof...), het bewijs leveren (dat...), de beschuldiging uiten (dat...), et cetera.
Ook betrekkelijke bijzinnen kunnen op de laatste zinsplaats staan. Meestal hebben
dit soort zinnen de functie van nabepaling binnen een nominale constituent. Qua betekenis zijn er
twee ondersoorten:
Het voorbeeld in (28a) bevat een betrekkelijke bijzin die een bekend
veronderstelde groep kinderen inperkt: alleen de kinderen die zich misdroegen
werden berispt. Deze beperkende betrekkelijke bijzin kan
los van de rest van de bevattende constituent op de laatste zinsplaats staan,
zoals blijkt uit (28c). De bijzin in (28b) heeft een uitbreidende betekenis: de
(bekend veronderstelde) kinderen werden berispt, en de bijzin voegt daaraan toe
dat de kinderen zich misdroegen. Deze uitbreidende betrekkelijke
bijzin wordt duidelijk hoorbaar gescheiden van de bevattende zin,
en dat is ook het geval als hij de tweede pool volgt, zoals in (28d). Het
belangrijkste zinsaccent kan wel op een beperkende, maar niet op een
uitbreidende betrekkelijke bijzin vallen:
Bij neutrale beklemtoning valt het belangrijkste zinsaccent
op de laatste zinsplaats, of als die positie leeg is, vlak voor de tweede pool.
In (29a) valt dat accent op de beperkende betrekkelijke bijzin. Dit wordt, net
als elders in dit hoofdstuk, weergegeven door middel van accolades en een accent
op de zwaarst beklemtoonde lettergreep. In (29b) valt het belangrijkste
zinsaccent vóór de tweede pool, op het antecedent kinderen. Verder dient te worden opgemerkt dat betrekkelijke bijzinnen alleen
achter de tweede pool kunnen staan als het antecedent in de rechterhelft van het middenstuk staat. De volgende
zinnen illustreren dit voor de beperkende betrekkelijke bijzin uit (29a):
Wanneer het antecedent in de linkerhelft van het middenstuk staat, moet het direct
gevolgd worden door de betrekkelijke bijzin (30a-b). Dit geldt ook voor een
antecedent dat op de eerste zinsplaats staat, al is het contrast daar minder
scherp (30c-d).
Volgens (De
Vries 2002) zijn zinnen als (30c) acceptabel. (Broekhuis et al. 2015) merken echter op dat sommige
sprekers de zin alleen goedkeuren met een duidelijke intonatiebreuk, wat
erop zou wijzen dat de betrekkelijke bijzin in de uitloop staat. Om die
reden houdt de ANS hier een slag om de arm, in afwachting van nader
onderzoek naar deze specifieke constructie.
In de bovenstaande
voorbeelden maakt de betrekkelijke bijzin deel uit van het direct object. Ook
nominale constituenten met andere zinsdeelfuncties kunnen een betrekkelijke
bijzin op de laatste zinsplaats hebben:Hoewel inherente zinsdelen op een enkele uitzondering na nooit op de laatste zinsplaats
staan, kan een betrekkelijke bijzin als onderdeel van zo'n zinsdeel dat wel
(31d). Verder geldt dat de afstand tussen antecedent en betrekkelijke bijzin
niet al te groot mag zijn:
32Volgende week |komt| waarschijnlijk die ene
monteur Karel met zijn airconditioning |helpen|
[die geen voorrijkosten
rekent].twijfelachtig
In (32) staan er, behalve de tweede pool, een indirect object (Karel) en een voorzetselobject (met zijn airconditioning) tussen antecedent en betrekkelijke bijzin. Ten slotte komt ook
dubbele inbedding komt voor bij betrekkelijke bijzinnen op de laatste
zinsplaats:
33Er |komt| volgende week
waarschijnlijk [een monteur [van [het bedrijf]]]
|kijken| [dat op internet het goedkoopst
lijkt].
Het antecedent van de betrekkelijke bijzin in (33) vormt de kern van een nominale
constituent die samen met het voorzetsel van als nabepaling binnen het subject van de zin fungeert.
Het antecedent is een constituent die een hoedanigheid aanduidt
of bestaat uit een (vrijwel) hele zin
Verdieping
Het antecedent is een constituent die een hoedanigheid aanduidt
of bestaat uit een (vrijwel) hele zin
Betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent een constituent is die
een hoedanigheid aanduidt of uit de volledige bevattende zin
bestaat, staan altijd in de uitloop:
De betrekkelijke bijzin in (i-a) heeft het naamwoordelijk deel van
het gezegde (advocaat) als antecedent en valt duidelijk buiten het
intonatiedomein van de eigenlijke zin. Hetzelfde geldt voor de
bijzinnen in (i-b) en (i-c), die de hele bevattende zin (of een deel
daarvan) als antecedent hebben. In alle gevallen hier geldt dat de
bijzinnen van het uitbreidende type zijn en daardoor in de uitloop
staan. Dit kwam eerder aan bod in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats
staan in een mededelende zin? Dit soort zinnen kan ook in
de aanloop staat of als tussenzin het
middenstuk onderbreken intercalatie. Voor de betrekkelijke bijzin
in (i-c) geldt dit niet: die kan alleen in de uitloop staan. Zulke
zinnen worden vanwege hun sequentiële karakter ook wel continuatieve bijzinnen genoemd.
Bij alle gevallen waarin een afhankelijke zin als complement of bepaling binnen
een andere constituent optreedt, lijkt de voorkeur voor de laatste zinsplaats
toe te nemen naarmate de zin in het middenstuk dichter bij de tweede pool zou
staan. Als de afhankelijke zin bij plaatsing in het middenstuk nog maar door één
element gevolgd wordt, komt plaatsing achter de tweede pool zowel de
verstaanbaarheid als de elegantie van de zin ten goede. Dit is bijvoorbeeld het
geval wanneer alleen een achter-pv (persoonsvorm) of alleen het scheidbare deel
van een samengesteld werkwoord volgt op de afhankelijke zin in het
middenstuk:
De zinnen in (34) vertonen nauwelijks stilistisch verschil, al zal in gesproken
taal de voorkeur worden gegeven aan (34b). Deze tendens wordt dwingender
naarmate de afhankelijke zin omvangrijker is. Het volgende paar zinnen
illustreert dit:
Het voorbeeld in (35b) verdient uit het oogpunt van vlotheid en elegantie beslist
de voorkeur boven (35a). Om die reden krijgt het eerste voorbeeld het label
'twijfelachtig', hoewel de volgorde in kwestie niet volledig uitgesloten is. Bij
zinnen die als complement van een substantief fungeren wordt de tendens tot
achteropplaatsing dwingender:
Perifrastische werkwoorden
Verdieping
Perifrastische werkwoorden
In (37) zou ook het feit dat een belofte doen als één geheel kan worden opgevat (te weten beloven) een rol kunnen spelen. In zulke gevallen is de afhankelijke
zin dan eerder zelf een direct object(szin), in plaats van een deel van
het direct object (met belofte als kern). Hetzelfde zou kunnen gelden voor perifrastische
werkwoorden als de vraag stellen of (= vragen) en andere combinaties van substantief en werkwoord die in
verband met (27) genoemd zijn.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
