Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
18.5.1.11 Modale constructies zonder infinitief
Sommige van de modale werkwoorden in deze paragraaf kunnen ook zonder infinitief voorkomen. Ze worden in dat geval ook wel autonome of naakte modalen genoemd. Het verschijnsel doet zich vooral voor bij kunnen, mogen, moeten, hoeven en in beperkte mate ook bij horen, willen en zullen. Ook durven sluit zich bij dit autonome gebruik aan. Het patroon komt vaker voor in gesproken dan geschreven taal.
De voorbeelden zijn allemaal uit OpenSonar afkomstig. Veel relevante treffers komen uit de ondertiteling van tv-programma’s zodat veel zinnen een spreektalig, dialogisch karakter hebben.
Voorbeelden
In wat volgt onderscheiden we vier gebruikstypes en een restcategorie voor moeilijke te categoriseren gevallen.
  • Samengetrokken infinitief
  • Impliciete infinitief
  • Lexicaal gebruik
  • Intransitief gebruik
  • Overig gebruik
Hulpwerkwoord of zelfstandig werkwoord?
Verdieping
Hulpwerkwoord of zelfstandig werkwoord?
Taalkundigen zijn het oneens over de status van de infinitief bij autonome modalen. Is die onderliggend aanwezig, maar niet uitgedrukt, of is die niet aanwezig? De discussie tussen Aelbrecht (2014) en Nuyts (2014) illustreert hoe over de kwestie wordt nagedacht vanuit een generatief dan wel functioneel perspectief. Aelbrecht (2014) argumenteert dat de infinitief bij een samengetrokken infinitief wel degelijk aanwezig is in de onderliggende syntactische structuur maar geen fonologische realisatie krijgt. De andere types hebben geen onderliggende infinitief. Nuyts (2014) argumenteert dan weer dat er verschillen zijn in de mate van zelfstandigheid van autonome modalen. Hij beschouwt gevallen van het type ‘samengetrokken infinitief’ als hulpwerkwoorden waarbij het hoofdwerkwoord geëlideerd is. Bij gevallen van het type ‘intransitief gebruik’ is geen sprake meer van een geëlideerd hoofdwerkwoord en geldt bijgevolg het modale werkwoord zelf als hoofdwerkwoord van de zin. Gevallen van het type ‘impliciete infinitief’ beschouwt hij als twijfelgevallen die tussen die twee eerdere types in zitten.
Verder lezen
Samengetrokken infinitief
Soms wordt de infinitief bij een modaal werkwoord weggelaten omdat die in de voorafgaande context al genoemd is. In (2a-2c) wordt de samengetrokken infinitief onderstreept. Dit type autonome modalen kan beschouwd worden als een vorm van samentrekking of ellips. 27.4.2.4
1aDoe wat je wil doen, grijp wat je kan. Leef nu, niet morgen.
bIk kàn ook zingen, maar ik durf niet.
cWeet je waar ik zin in heb? In de tuin werken. Maar ja, ik heb geen tuingerief dus ik kan niet.
Nuyts 2014: 126
Impliciete infinitief
In de meeste gevallen wordt de infinitief echter niet expliciet genoemd in de onmiddellijke context. In dergelijke gevallen is het vaak toch mogelijk een infinitief te bedenken die toegevoegd kan worden aan de zin. Dit type is beperkt tot een vijftal gebruikscontexten waar het modale werkwoord gecombineerd wordt met een bepaald complement en waar een aantal mogelijke infinitieven bij gedacht kunnen worden. Het modale werkwoord wordt in deze contexten typisch gebruikt met dynamische, deontische en directieve betekenissen. De toevoeging van een infinitief is in de praktijk overigens soms heel ongewoon – behalve in de context met een lijdend voorwerp.
Impliciete infinitief – Predicatief adjectief
Het modale werkwoord wordt gecombineerd met predicatieve adjectief van het type kort, open, vol, dood.
Deze adjectieven drukken een waarde uit die op een schaal gerepresenteerd kan worden met een onder- en bovengrens
De impliciete infinitief is een koppelwerkwoord of equivalent daarvan (bijv. wordenzijngaan).
2aEn ja, de prent had makkelijk een half uur korter gekund.
bHet restaurant mag weer open voor de dames vanavond.
cEr moeten nog zoveel tandjes doorkomen, het hele kaakje moet nog vol.
dIk haatte hem en had daar mijn redenen voor, maar hij hoefde niet dood.
Impliciete infinitief – Bepaling van richting
Het modale werkwoord combineert met een bepaling van richting. De impliciete infinitief is een werkwoord van beweging (bijv. gaanreizen).
3aSpreek dus ook af dat er enkel onverwachts vrienden of vriendinnen mogen blijven slapen die echt niet meer naar huis kunnen. Laatste trein gemist, bijvoorbeeld. Maar niet naar huis durven of willen is geen reden.
bJe moet hier weg. Het is niet veilig meer.
cDe vrouw klaagde over pijn aan de hals, maar ze hoefde niet naar het ziekenhuis.
Impliciete infinitief – Kledingstuk
Het modale werkwoord komt voor met een lijdend voorwerp dat een kledingstuk aanduidt, gevolgd door aan, op of om. De impliciete infinitief is hebben of doen in de betekenis ‘aan het lichaam dragen’.
4aSerieuze vrouwen mogen nu ook een jurk aan.
bHoef je geen jurkje aan?
cIk wil ook geen muts op.
dDie vinden waarschijnlijk ook dat ze die hoofddoek op moeten.
e(Je hebt nog zo'n lekkere warme sjaal.) Moet je die niet om?
ANS2
Impliciete infinitief – Lijdend voorwerp
Het modale werkwoord wordt gecombineerd met een willekeurig lijdend voorwerp. De impliciete infinitief is hebben in de betekenis ‘krijgen’. Toevoeging van een infinitief is hier goed mogelijk. Het gebruik zonder infinitief komt vooral in gesproken taal voor.
5aMag ik van u een hotdog met alles erop en een ginger ale?
bWil je nog meer thee?
cWie moet er allemaal een glas champagne? in BN
dIk was het kraambed nog niet uit of ik moest en zou een vierde kindje.
eA: Zal ik nog iets voor jou halen? B: Nee. Ik hoef niets meer.
Impliciete infinitief – Vragend of onbepaald voornaamwoord
Het modale werkwoord komt voor met een vragend of onbepaald voornaamwoord als lijdend voorwerp. De impliciete infinitief is doen in de betekenis ‘verrichten, uitvoeren’.
6aHier komen werken? Dat is niet gemakkelijk. Wat kan je zoal?
bIedereen kan wel iets. Sommigen durven niets. Dat zijn dan wel watjes.
cIk ben hetero, man en blank. Ik mag nooit wat.
dEn wat dan? Wat moet hij dan alleen op de wereld? 
eHun overtolligheid is een martelend probleem. Ze hoeven toch niets meer? 
fA: Wat wilt u precies? B: Gewoon even praten, meer niet.
Lexicaal gebruik
In combinatie met een lijdend voorwerp worden mogen en moeten soms met de lexicale betekenissen ‘sympathiek vinden’, ‘lusten’ of ‘schuldig zijn’ gebruikt. Het is moeilijk om bij deze gevallen een infinitief te bedenken. Het gaat om een begrensd aantal gevallen, waarvan er enkele uitgesproken negatief-polair zijn. Opvallend is dat mogen en moeten hier verschillend ingezet worden in het Nederlandse Nederlands en het Belgisch-Nederlands, zoals de betekenissen tussen aanhalingstekens in voorbeelden (7a-7d) laten zien.
7aVirgilio Fusarri, die sluwe oude vos. Ik mag hem wel. vooral in NN
‘sympathiek vinden’
bIk mag haar niet. Zij is degene die me altijd van lopen probeert te weerhouden. vooral in NN
‘niet sympathiek vinden’
cHij mag geen thee. Hij drinkt liever koffie. in BN
‘niet lusten’
dWe moeten hem niet, dat bravouremannetje.   in BN
‘niet sympathiek vinden’ 
eOh, ik moest hem nog geld. Een lening. Ik ging het meebrengen, maar ik ben het vergeten. in BN
‘schuldig zijn’
Intransitief gebruik
Relatief vaak wordt het modale werkwoord intransitief gebruikt (dus zonder lijdend voorwerp) met het voornaamwoord het, dat of zoiets als onderwerp. Dat voornaamwoord verwijst doorgaans naar de inhoud van de voorafgaande zin. De impliciete infinitief is soms zijn, maar toevoeging van een infinitief is hier hoogst ongebruikelijk. Wat dit type van de voorgaande types onderscheidt, is dat hier ook epistemische modaliteit mogelijk is.
8aIk begrijp niet hoe zoiets kan.
bIk praat met mijn moeder, mag dat niet?
cHij Frank helpen? Dat zal wel. Wat kent hij nu van loodgieterij?
dMoet dat echt? Al dat gepraat...
eKunnen jullie het met elkaar vinden? Dat moet haast wel, zoals jullie hier gemoedelijk bij elkaar zitten.
fIk denk dat ik van mijn kunst zou kunnen leven, maar dat hoeft niet.
gDoping in de sport is niet op zijn plaats en hoort niet.
Overig
In een groot aantal gevallen komt geen (systematische) uitbreiding voor van de types die hierboven vermeld zijn. Welke infinitief eventueel kan worden toegevoegd, moet uit de context worden opgemaakt. Vaak is in de praktijk de toevoeging van een infinitief ook hier weer ongewoon of (vrijwel) onmogelijk. We volstaan hier met enkele mogelijke voorbeelden.
De voorbeelden zijn overgenomen uit ANS2.
9aMijn benen willen niet meer zo goed.
bDe motor wil niet.
cDubbelparkeren mag niet.
dEen paspoort moet natuurlijk wel, maar een visum hoeft niet.
eIk moet nog drie regels.
fHij moest plotseling heel erg nodig. (namelijk 'naar de wc')
gHij kan gewoon niet buiten zijn agenda.
hIk kan morgen wel.
i'Jullie bent' kan wel, maar 'jullie zijn' is gewoner.
jJe zal, of je wilt of niet.
kZullen we dan maar?
De context kan uiteraard een groot aantal verschillende infinitieven mogelijk maken. Zo bepaalt de omstandigheid wat de spreker van zin (9e) aan het doen is, of die zin moet worden aangevuld met schrijvenintypenlezenonderstrepencorrigerenuitvlakkenvan buiten leren, enzovoort.
Literatuur
De Rooij 1975, Goossens 1983, Barbiers 1996, Hoeksma 1997, Diepeveen et al. 2006, Aelbrecht 2010, 2014, Nuyts 2014, Nuyts et al. 2019, Caers 2020, Nuyts & Caers 2020
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Evie Coussé juli 2022
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997 18.5.4.4.iv,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/04/body.html;
    Interessante links