Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.4.2 De eerste zinsplaats in zinstype 2a (zinnen met een achter-pv)
Zinnen met een persoonsvorm (pv) in de tweede pool, ook wel zinnen met een achter-pv genoemd, worden aangeduid als zinstype 2. Dit zinstype valt, evenals zinstype 1, uiteen in twee subtypen: zinstype 2a, waarbij de eerste zinsplaats gevuld is, en zinstype 2b, met een lege eerste zinsplaats. In dat laatste type begint de eigenlijke zin dus met de eerste pool, zoals het geval is in bijzinnen die met een onderschikkend voegwoord beginnen: (zij wil niet zeggen) |of| Karel vanavond met ons mee|eet| en (je bent zeker chagrijnig) |omdat| Karel vanavond niet met ons mee|eet|! Zinstype 2b is dus niet van belang voor het bespreken van de eerste zinsplaats. Deze deelparagraaf concentreert zich daarom op zinstype 2a, waarbij de eerste pool voorafgegaan wordt door een (deel van een) zinsdeel op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn:
1De eerste zinsplaats in zinstype 2a
a(Het is mij niet duidelijk) waarom |Ø| Karels gezin vanavond niet met ons mee|eet|.
b(Heb je al gehoord) wie van de buren |Ø| er vanavond met ons mee|eten|?
c(Daar heb je de buurman) die |Ø| vanavond misschien met ons mee|eet|.
d(Dat is toch die kerel) van wie |Ø| de buren de laatste tijd zo |lopen te klagen|?
Uit deze voorbeelden blijkt dat invulling van de eerste zinsplaats bij zinstype 2a zich beperkt tot vragende en betrekkelijke (voornaam)woorden (1a/c) of een zinsdeel dat zo'n woord bevat (1b/d). Ook uitroepende en onbepaalde voornaamwoorden worden bij dit zinstype op de eerste zinsplaats aangetroffen: (Emma vertelde) wat een druk programma |Ø| Karels gezin deze week |heeft|, wie |Ø| er vanavond ook aan tafel |zitten|, (het wordt een gezellig diner). Evenals bij zinstype 1a kan het element op de eerste zinsplaats elke denkbare functie in de zin hebben. Het subject (onderwerp), objecten (lijdend, meewerkend en voorzetselvoorwerp et cetera) en bepalingen hebben allemaal toegang tot de positie direct voorafgaand aan de eerste pool. Het maakt daarbij weinig uit of de constituent op de eerste zinsplaats simplex is, oftewel zonder interne opbouw (zoals [waarom] in (1a)), of juist complex, oftewel met interne opbouw (zoals [wie [van [de buren]]] in (1b)). Het element op de eerste zinsplaats vervult de functie van hooguit één zinsdeel. In de voorbeelden (1a-c) gaat het respectievelijk om een bijwoordelijke bepaling van reden (waarom) en het subject (wie van de buren/die). Het voorbeeld in (1d) heeft een deel van het subject op de eerste zinsplaats (de nabepaling van wie).
Zoals vastgesteld bij de bespreking van de eerste pool blijft deze in formeel Nederlands altijd leeg in zinstype 2a. In informeel Nederlands, echter, staat er in sommige gevallen een onderschikkend voegwoord in de eerste pool (en soms zelfs twee):
2Gevulde eerste pool in zinstype 2a: alleen bij informeel taalgebruik
a(Het is mij niet duidelijk) waarom |dat| Karels gezin vanavond niet met ons mee|eet|.Belgisch Nederlands, informeel
b(Is dat die kerel) die |dat| vanavond met ons mee|eet|?Belgisch Nederlands, informeel
c(Het is mij niet duidelijk) waarom |of (dat)| Karels gezin vanavond niet met ons mee|eet|.Nederlands-Nederlands, informeel
d(Is dat die kerel) die |of| vanavond met ons mee|eet|?Nederlands-Nederlands, informeel
Verder lezen
Een constituent op de eerste zinsplaats in zinstype 2a
Zinstype 2, de categorie zinnen met een achter-pv (achter-persoonsvorm), valt uiteen in zinstype 2a en 2b. Beide typen kunnen grofweg worden aangeduid als 'bijzin'. Aangezien zinstype 2b met de eerste pool begint, waarin meestal een onderschikkend voegwoord staat, staat hier zinstype 2a centraal: het type zin waar de pv niet zelf het eerste element is (zie [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit. Dit houdt in dat er onmiddellijk vóór die pool iets anders staat. In [21.1.1] Het polaire principe is de plaats vlak vóór de eerste pool aangeduid als de eerste zinsplaats. Een aanloop, die in theorie voorafgaat aan de eerste zinsplaats, wordt bij zinstype 2 zelden aangetroffen. Het schema met de abstracte plaatsen van de Nederlandse zin wordt hieronder ingevuld met twee concrete zinnen:
Schema 1: De eerste zinsplaats in zinstype 2a (zinnen met een lege eerste pool als tweede element)
aanloop eerste zinsplaats eerste pool middenstuk tweede pool laatste zinsplaats uitloop
|Ø| |achter-pv (+werkwoordelijke aanvulling)|
wie van de buren er vanavond met ons mee eten, eigenlijk.
met wie we hebben geprobeerd goede afspraken te maken.
Beide voorbeelden zijn afhankelijke zinnen en moeten worden voorgesteld als deel van een bevattende zin, zoals (ik vraag me af) wie van de buren |Ø| er vanavond met ons mee|eten|, eigenlijk en (daar is de medewerker) met wie |Ø| we |hebben geprobeerd| goede afspraken te maken. In beide zinnen is de eerste pool leeg, althans in formeel taalgebruik. De eerste zinsplaats is toegankelijk voor verschillende zinsdelen, en wel op een manier die vergelijkbaar is met onafhankelijke vraagwoordvragen bij zinstype 1a. Zinstype 2a omvat twee subtypen: afhankelijke vraagwoordvragen (het eerste voorbeeld in Schema 1) en afhankelijke uitroepende zinnen enerzijds, en betrekkelijke bijzinnen (het tweede voorbeeld in Schema 1) en (toegevende) bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord anderzijds. Bij het eerste subtype bevat de eerste zinsplaats altijd een vragend of uitroepend (voornaam)woord; bij het tweede subtype een betrekkelijk of onbepaald (voornaam)woord.
Een zinsdeel met een vragend of uitroepend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
In zelfstandige zinnen kan zowat ieder zinsdeel bevraagd worden, en dat is niet anders bij afhankelijke zinnen van zinstype 2a:
3Een zinsdeel met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
a(Karel wilde graag weten) wat |Ø| er op het menu |stond|.subject
b(Karel wilde graag weten) wie |Ø| hij die avond tegen het lijf |kon lopen|.direct object
c(Karel wilde graag weten) wie |Ø| hij |kon laten weten| dat hij wat later kwam.indirect object
d(Karel wilde graag weten) over welke onderwerpen |Ø| er die avond beslist niet |gesproken mocht worden|.voorzetselobject
e(Karel wilde graag weten) waarom |Ø| die onderwerpen taboe |waren|.bijwoordelijke bepaling
f(Karel wilde graag weten) waar |Ø| zijn buurvrouw in haar jeugd |gewoond had|.noodzakelijke bepaling van plaats
g(Karel wilde graag weten) wie |Ø| zijn buurvrouw liever |had willen zijn|: zichzelf of hem.naamwoordelijk deel van het gezegde
In deze voorbeelden worden achtereenvolgens een subject (onderwerp), direct object (lijdend voorwerp), indirect object (hier: meewerkend voorwerp), voorzetselobject ( voorzetselvoorwerp), bijwoordelijke bepaling en een inherente constituent (hier: noodzakelijke bepaling van plaats in (3f) en naamwoordelijk deel van het gezegde (3g)) bevraagd. Dit zijn dezelfde mogelijkheden als bij onafhankelijke vraagwoordvragen. Ook meervoudige vragen komen voor bij zinstype 2a:
4Een zinsdeel met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats in een meervoudige vraag
a(De gastheer bepaalt) wie |Ø| er welke gang voor|bereidt|.
b(De gastheer bepaalt) wie |Ø| je wat |kunt vragen|.
c(De gastheer bepaalt) wat |Ø| je aan wie |kunt vragen|.
d(De gastheer bepaalt) wat |Ø| je over welk onderwerp |mag vertellen|.
e(De gastheer bepaalt) wat |Ø| je wanneer op tafel |mag zetten|.
Ingebedde uitroepende zinnen hebben dezelfde structuur als de voorbeelden in (3):
5Een zinsdeel met een uitroepend voornaamwoord op de eerste zinsplaats
a(Karel vertelde me) wat een hoop gerechten |Ø| er vanavond op het menu |staan|.subject
b(Karel vertelde me) wat een dessert |Ø| de gastheer |gemaakt heeft|.direct object
c(Karel vertelde me) wat een gewichtige disgenoten |Ø| jij straks een verklaring schuldig |bent|.indirect object
d(Karel vertelde me) op wat een geweldig diner |Ø| jullie straks terug|kijken|.voorzetselobject
e(Karel vertelde me) hoe voortreffelijk |Ø| die kerel vanavond |gekookt heeft|.bijwoordelijke bepaling
f(Karel vertelde me) wat een ingewikkeld recept |Ø| dit |is|.naamwoordelijk deel van het gezegde
Wanneer de eerste zinsplaats van een ingebedde uitroepende zin bezet wordt door een adjectivische constituent, wordt het gebruikelijke wat vervangen door hoe (5e). Dit geldt ook voor adverbiale constituenten: (Karel vertelde me) hoe vaak |Ø| die kerel al een diner |gegeven heeft|. Dit soort zinnen kunnen behalve als ingebedde uitroepende zin ook als vraagwoordvraag worden opgevat. Een verschil met onafhankelijke uitroepende zinnen is dat uitroepend wat in zinstype 2a nooit gescheiden wordt van de rest van de constituent waar het deel van uitmaakt:
6(Karel vertelde me) wat |Ø| er vanavond een hoop gerechten op het menu |staan|.uitgesloten
Vragende (voornaam)woorden kunnen in zinstype 2a wel worden afgesplitst van de constituent waar ze deel van uitmaken. Hier gelden dezelfde mogelijkheden als bij zinstype 1a. De uitgebreide beschrijving van deze verschijnselen staan in de betreffende deelparagraaf; op deze plaats wordt daarom volstaan met een korte bespreking van de verschillende opties:
7Een deel van een constituent met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
a(Karel wilde graag weten) wat |Ø| zijn buurvrouw in haar jeugd [voor schokkends] |had meegemaakt|.
b(Karel begreep niet helemaal) waar |Ø| zijn buurvrouw het [over] |had|.
Het eerste voorbeeld demonstreert een vragend voornaamwoord dat gesplitst is van de nominale constituent waar het deel van uitmaakt (wat voor schokkends). In de tweede zin is er sprake van een vragend voornaamwoordelijk bijwoord dat gesplitst is van zijn adpositie (waarover). De eerste mogelijkheid tot splitsing is aan dezelfde beperkingen onderworpen als splitsing van wat voor ... in zinstype 1a:
8a(Karel wilde graag weten) wat |Ø| we straks voor mensen een uitnodiging voor de vergadering |gaan sturen|.uitgesloten
b(Karel wilde graag weten) wat |Ø| er voor mensen mijn proefschrift |gekocht hebben|.uitgesloten
c(Karel wilde graag weten) wat |Ø| er dit jaar zoal voor boeken |gelezen zijn|.
d(Karel wilde graag weten) wat |Ø| er hier toch voor troep |ligt|.
e(Karel wilde graag weten) [in [wat]] |Ø| jij zoal voor cafés |komt|.uitgesloten
Splitsing is onmogelijk bij een indirect object (8a) en een handelend subject (8b). Bij een niet-handelend subject kan wat wel worden afgesplitst van zijn bevattende nominale constituent (8c-d). Dubbele inbedding van zo'n constituent, zoals in (8e), blokkeert splitsing van wat. Bij splitsing van een vragend voornaamwoordelijk bijwoord is dubbele inbedding wel toegestaan:
9(Emma vroeg zich af) waar |Ø| hij [een groot deel [van]] op|gegeten had|.
Vragende (voornaam)woorden kunnen ook bij zinstype 2a deel uitmaken van een dieper ingebedde afhankelijke zin:
10Een constituent met een vragend (voornaam)woord als zinsdeel van een afhankelijke zin
a(Karel vraagt je) wat |Ø| ze net |gezegd heeft| [dat we morgen gaan doen].
b(Emma vraagt je) wie |Ø| hij |gelooft| [dat de langste van ons vieren is].
c(Karel vraagt je) wie |Ø| zij |dacht| [dat ze een cadeau had gegeven].
d(Karel vraagt je) hoe |Ø| je |denkt| [dat ik gisteren thuisgekomen ben].
e(Karel vraagt je) wat |Ø| je |verwacht| [dat zij later zal willen worden].
In (10a) is wat het direct object van dat we morgen gaan doen. Die afhankelijke zin is zelf het direct object van een bevattende (afhankelijke) zin waarin wat de eerste zinsplaats inneemt. In de overige voorbeelden is het vragend voornaamwoord respectievelijk subject (10b), indirect object (10c), bijwoordelijke bepaling (10d) en naamwoordelijk deel van het gezegde (10e). De diepst ingebedde afhankelijke zin is meestal een objectszin, zoals in (10), maar kan ook dienst doen als subject of oorzakelijk object van de bevattende zin:
11a(Karel vraagt je) wie |Ø| er |gesuggereerd werd| [dat we echt eens moeten uitnodigen].subjectszin
b(Emma vroeg) wat |Ø| de kinderen gewend |waren| [dat ze elke avond kregen].oorzakelijk objectszin
Ten slotte kunnen vragend wat en een vragend voornaamwoordelijk bijwoord ook bij inbedding worden afgesplitst van hun nominale of adpositionele constituent:
12a(Karel vraagt) wat |Ø| je |zei| [dat er voor man op straat rondhangt].
b(Karel vraagt) waar |Ø| je |hoopt| [dat hij het met je over zal gaan hebben].
Een zinsdeel met een betrekkelijk of onbepaald (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
Een tweede subtype van zinstype 2a wordt gevormd door betrekkelijke bijzinnen en (toegevende) bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord. Op de eerste zinsplaats van een betrekkelijke bijzin staat een betrekkelijk (voornaam)woord. Dit type zin heeft meestal een expliciet antecedent in de bevattende zin waarop de betrekkelijke zin inhoudelijk van toepassing is. De functie van het betrekkelijk (voornaam)woord in de betrekkelijke bijzin is net zo variabel als die van vragende en uitroepende (voornaam)woorden:
13Een constituent met een betrekkelijk (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
a(Karel at de soep) die |Ø| op het menu |stond|.subject
b(Karel was nieuwsgierig naar de mensen) die |Ø| hij die avond tegen het lijf |kon lopen|.direct object
c(Karel kon er zo een paar opnoemen) die |Ø| hij binnen vijf minuten beu |zou zijn|.oorzakelijk object
d(Karel kende de dame) die |Ø| hij kon |laten weten| dat hij wat later kwam.indirect object
e(Karel vreesde de onderwerpen) waarover |Ø| die avond beslist niet |gesproken mocht worden|.voorzetselobject
f(Karel kende de reden) waarom |Ø| die onderwerpen taboe |waren|.bijwoordelijke bepaling
g(Karel was benieuwd naar de plek) waar |Ø| zijn buurvrouw in haar jeugd |gewoond had|.noodzakelijke bepaling van plaats
h(Karels buurvrouw ging op zoek naar een bekende persoon) die |Ø| ze graag |had willen zijn|.naamwoordelijk deel van het gezegde
De betrekkelijke bijzin in (13a) heeft soep als antecedent. Het betrekkelijk voornaamwoord die heeft de functie van subject in de betrekkelijke bijzin. In (13b) is het antecedent mensen en fungeert die als direct object in de betrekkelijke bijzin, enzovoort. Ook bij betrekkelijke bijzinnen kan het (betrekkelijke) voornaamwoordelijk bijwoord waar worden gescheiden van de adpositie waar het complement bij is. Zo heeft het voorbeeld in (13d) de volgende variant:
14(Karel vreesde de onderwerpen) waar |Ø| die avond beslist niet over |gesproken mocht worden|.
Het betrekkelijk voornaamwoord kan, net als een vraagwoord, zinsdeel zijn in een dieper ingebedde zin. Die ingebedde zin kan een dat-zin zijn of een infinitiefconstructie:
15Een constituent met een betrekkelijk (voornaam)woord als zinsdeel van een afhankelijke zin
a(Karel at de soep) die |Ø| jij |dacht| [dat op het menu stond].
b(Karel was nieuwsgierig naar de mensen) die |Ø| hij |hoopte| [die avond tegen het lijf te zullen lopen].
c(Karel kon er zo een paar opnoemen) die |Ø| hij |wist| [dat hij binnen vijf minuten beu zou zijn].
d(Karel kende de dame) die |Ø| hij |verwachtte| [te moeten laten weten dat hij wat later kwam].
e(Karel vreesde de onderwerpen) waarover |Ø| hij |wist| [dat die avond beslist niet gesproken mocht worden].
f(Karel kende het tijdstip) waarop |Ø| ze |geacht werden| [van tafel te gaan].
g(Karel was benieuwd naar de plek) waar |Ø| zijn buurvrouw |dacht| [dat hij in zijn jeugd gewoond had].
h(Karels buurvrouw googelde de bekende persoon) die |Ø| Karel |dacht| [dat zij graag had willen zijn].
De voorbeelden in (15) komen vooral voor in de schrijftaal en doen soms wat stroef aan (bijvoorbeeld 15c). Ze hebben allemaal een soepeler lopende variant waarbij de bevattende zin zelf een betrekkelijke bijzin is. Bij deze varianten staat waarvan of van wie op de eerste zinsplaats: (Karel at de soep) waarvan |Ø| jij |dacht| [dat die op het menu stond], (Karel was nieuwsgierig naar de mensen) van wie |Ø| hij |hoopte| [dat hij ze die avond tegen het lijf zou lopen], et cetera. Beknopte bijzinnen krijgen in deze variant de vorm van een dat-zin en de oorspronkelijke betrekkelijke bijzin bevat een persoonlijk of aanwijzend voornaamwoord.
Gekloofde zinnen
Verdieping
Gekloofde zinnen
Een bijzonder gebruik van betrekkelijke bijzinnen wordt aangetroffen in zogenaamde gekloofde zinnen. De functie van dit soort zinnen, die met name in de schrijftaal voorkomen, kan worden geïllustreerd aan de hand van een niet-gekloofde zin, zoals die in (i):
iaKarel |wilde| zijn tafelgenote vanavond een smeuïg verhaal |vertellen|.
Bij neutrale beklemtoning valt het belangrijkste zinsaccent in deze zin vlak voor de tweede pool, op een smeuïg verhaal. Indien een spreker een andere constituent benadrukt, zal de zin een afwijkend klemtoonpatroon vertonen. In dat geval schendt de zin het links-rechtsprincipe. Een andere manier om een constituent met speciale nadruk voor het voetlicht te brengen, is met een gekloofde zin:
iia(Het was {Kárel}) die |Ø| zijn tafelgenote vanavond een smeuïg verhaal |wilde vertellen|.
b(Het was {zijn táfelgenote}) aan wie |Ø| Karel vanavond een smeuïg verhaal |wilde vertellen|.
c(Het was {vanávond}) dat |Ø| Karel zijn tafelgenote een smeuïg verhaal |wilde vertellen|.
d(Het was {een smeuïg verháál}) wat |Ø| Karel zijn tafelgenote vanavond |wilde vertellen|.
De voorbeelden in (ii) zijn andere manieren om de informatie uit (i) te presenteren. De zinnen bestaan meestal uit een (voorlopig) subject (het), een vorm van zijn en het zinsdeel dat als informatieve kern wordt voorgesteld. Bij het uitspreken van een gekloofde zin valt het belangrijkste zinsaccent op de kern van dit zinsdeel, net als elders in dit hoofdstuk weergegeven met accolades en een accent op de zwaarst beklemtoonde lettergreep. Het beklemtoonde zinsdeel wordt bovendien vergezeld door een (beperkende) betrekkelijke bijzin. Die bijzin bevat meestal reeds bekende informatie. In de hoofdzin kan inversie worden toegepast:
iiia({Kárel} was het) die |Ø| zijn tafelgenote vanavond een smeuïg verhaal |wilde vertellen|.
b({Ík} ben het) die |Ø| jou een smeuïg verhaal |wil vertellen|.
c(Het is/ben {ík}) die |Ø| jou een smeuïg verhaal |wil vertellen|.uitgesloten
Als het te benadrukte zinsdeel een persoonlijk voornaamwoord als kern heeft, is inversie soms de enige mogelijkheid (iii-b-c). Een andere, soortgelijke constructie die hetzelfde effect bereikt, zijn pseudo-gekloofde zinnen.
Het element op de eerste zinsplaats in een betrekkelijke bijzin kan ook een ingesloten antecedent hebben:
16aWat |Ø| er op het menu |stond| (deed Karel watertanden).subject
b(Karel nam zich voor) wat |Ø| hij gekregen |had| (netjes op te eten).direct object
cWie |Ø| Karel na vijf minuten beu |was| (zou hij flink de waarheid zeggen).oorzakelijk object
dWie |Ø| de gastheren iets lekkers in|schonken| (kon rekenen op hun onverdeelde aandacht).indirect object
eWaar |Ø| Karels tafelgenote zoal aan |zat te denken| (beviel Karel maar matig).voorzetselobject
fWaar |Ø| zij |had gewerkt| (was het landelijke karakter tegenwoordig totaal verdwenen).bijwoordelijke bepaling
g(Karel woonde een kilometer van) waar |Ø| zij |wilde gaan wonen|.noodzakelijke bepaling van plaats
hWat |Ø| zijn vader al jaren |was| (wilde Karel op een dag ook worden).naamwoordelijk deel van het gezegde
De voorbeelden in (16) demonstreren dat ook betrekkelijke voornaamwoorden met ingesloten antecedent alle denkbare zinsdeelfuncties op zich kunnen nemen. De betrekkelijke bijzinnen zelf kunnen, aangezien ze niet als nabepaling bij een expliciet antecedent dienst doen, verschillende functies in de bevattende zin bekleden. In (16a/d/e) is de betrekkelijke bijzin het subject van de bevattende zin, in (16b) direct object, in (16c) indirect object, in (16f-g) bijwoordelijke bepaling (van plaats) en in (16h) naamwoordelijk deel van het gezegde. Het voorbeeld in (16e) laat zien dat splitsing van betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord en de bijbehorende adpositie, zoals in (14), hier ook weer mogelijk is. Inbedding van de bijzin, zoals in (15), komt bij dit soort zinnen eveneens voor: wat |Ø| ze |zeiden| [dat er op het menu stond] (deed Karel watertanden), (Karel nam zich voor) wat |Ø| ze |gezegd hadden| [dat hij zou krijgen] (netjes op te eten), et cetera.
Pseudo-gekloofde zinnen
Verdieping
Pseudo-gekloofde zinnen
Net als gekloofde zinnen, waarin een betrekkelijke bijzin met expliciet antecedent wordt gebruikt, gebruiken zogenaamde pseudo-gekloofde zinnen een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent:
iKarel |wilde| zijn tafelgenote aan de bar een smeuïg verhaal |vertellen|.
iiaWie |Ø| zijn tafelgenote aan de bar een smeuïg verhaal |wilde vertellen| (was {Kárel}).
bWie |Ø| Karel aan de bar een smeuïg verhaal |wilde vertellen| (was {zijn táfelgenote}).
cWaar |Ø| Karel zijn tafelgenote een smeuïg verhaal |wilde vertellen| (was {aan de bár}).
dWat |Ø| Karel zijn tafelgenote aan de bar |wilde vertellen| (was {een smeuïg verháál}).
De constructies in (ii) beginnen met een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent. Deze bijzin doet dienst als subject in een constructie met zijn. Het te benadrukken zinsdeel staat aan het eind van de pseudo-gekloofde zin.
In de tot nu toe behandelde voorbeelden fungeerde de betrekkelijke bijzin steeds als nabepaling bij het antecedent. In dat geval maakt zo'n zin dus deel uit van de constituent waarvan het antecedent de kern vormt. Een tweede mogelijkheid is dat (een deel van) de hele zin het antecedent vormt. In dat geval staat de betrekkelijke bijzin in de uitloop van de bevattende zin:
17(Karels buurvrouw googelde de bekende persoon,) wat |Ø| Karel maar een vreemde reactie |vond|.
De betrekkelijke bijzin in (17) kan van toepassing zijn op de verbale constituent (het googelen van de bekende persoon), of op de hele zin (het feit dat Karels buurvrouw de bekende persoon googelde). Bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord op de eerste zinsplaats als in (18) komen bij uitstek in de aanloop of uitloop van de bevattende zin voor:
18Een constituent met een onbepaald voornaamwoord op de eerste zinsplaats
aWat |Ø| er ook op het menu |stond|, (het deed Karel allemaal watertanden).
b(Karel nam zich voor) onverschillig welke gerechten |Ø| hij |voorgeschoteld zou krijgen| (netjes op te eten).
cOm het even wie |Ø| Karel na vijf minuten beu |was| (zou hij flink de waarheid zeggen).
dWie |Ø| de gastheren ook iets lekkers in|schonken|, (hij kon rekenen op hun onverdeelde aandacht).
eOm het even waar |Ø| Karels tafelgenote ook zoal aan |zat te denken|, (het beviel Karel maar matig).
fWaar |Ø| zij ook |had gewerkt|, (daar was het landelijke karakter tegenwoordig totaal verdwenen).
g(Karel was bereid te verhuizen naar) waar |Ø| zij ook maar |wilde gaan wonen|.
hWat |Ø| zijn vader ook maar was |geweest|, (Karel zou het op een dag ook allemaal zijn).
De bijzinnen in (18) kunnen verschillende zinsdeelfuncties vervullen, zoals die van direct object (18b), oorzakelijk object (18c) en bijwoordelijke bepaling (18g). In de overige voorbeelden staat de bijzin in de aanloop of in de uitloop, waar het onbepaalde voornaamwoord de bijzin het karakter geeft van een toegevende bijzin met het voegwoord al: al stond er iets heel simpels op het menu (in 18a), al schonken de gastheren een oninteressante gast iets in (in 18d), et cetera.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links