21.4.2 De eerste zinsplaats in zinstype 2a (zinnen met een achter-pv)
Zinnen met een persoonsvorm (pv) in de tweede pool, ook wel zinnen met een
achter-pv genoemd, worden aangeduid als zinstype 2. Dit
zinstype valt, evenals zinstype 1, uiteen in twee subtypen:
zinstype 2a, waarbij de eerste zinsplaats gevuld is, en
zinstype 2b, met een lege eerste zinsplaats. In dat
laatste type begint de eigenlijke zin dus met de eerste pool, zoals het geval is
in bijzinnen die met een onderschikkend voegwoord beginnen:
(zij wil niet zeggen) |of| Karel vanavond met ons
mee|eet| en (je bent zeker
chagrijnig) |omdat| Karel vanavond niet met ons
mee|eet|!
Zinstype 2b is dus niet van belang voor het bespreken van
de eerste zinsplaats. Deze deelparagraaf concentreert zich daarom op
zinstype 2a, waarbij de eerste pool voorafgegaan wordt
door een (deel van een) zinsdeel op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn:
Uit deze voorbeelden blijkt dat invulling van de eerste zinsplaats bij
zinstype 2a zich beperkt tot vragende en betrekkelijke
(voornaam)woorden (1a/c) of een zinsdeel dat zo'n woord bevat (1b/d). Ook
uitroepende en onbepaalde voornaamwoorden worden bij dit zinstype op de eerste
zinsplaats aangetroffen: (Emma vertelde) wat een
druk programma |Ø| Karels gezin deze week
|heeft|,
wie |Ø| er vanavond
ook aan tafel |zitten|, (het wordt een gezellig
diner). Evenals bij zinstype 1a kan het element op de eerste zinsplaats
elke denkbare functie in de zin hebben. Het subject (onderwerp), objecten
(lijdend, meewerkend en voorzetselvoorwerp et cetera) en bepalingen hebben
allemaal toegang tot de positie direct voorafgaand aan de eerste pool. Het maakt
daarbij weinig uit of de constituent op de eerste zinsplaats simplex is, oftewel
zonder interne opbouw (zoals [waarom] in (1a)), of juist complex, oftewel met interne opbouw (zoals [wie [van [de buren]]] in (1b)). Het element op de eerste zinsplaats vervult de functie van
hooguit één zinsdeel. In de voorbeelden (1a-c) gaat het respectievelijk om een
bijwoordelijke bepaling van reden (waarom) en het subject (wie van de buren/die). Het voorbeeld in (1d) heeft een deel van het subject op de eerste
zinsplaats (de nabepaling van wie).
Zoals vastgesteld bij de bespreking van de eerste pool blijft deze in formeel Nederlands altijd
leeg in zinstype 2a. In informeel Nederlands, echter, staat
er in sommige gevallen een onderschikkend voegwoord in de eerste pool (en soms
zelfs twee):
Verder lezen
Een constituent op de eerste zinsplaats in zinstype 2a
Zinstype 2, de categorie zinnen met een achter-pv (achter-persoonsvorm), valt
uiteen in zinstype 2a en 2b. Beide typen kunnen grofweg worden aangeduid als
'bijzin'. Aangezien zinstype 2b met de eerste pool begint, waarin meestal een
onderschikkend voegwoord staat, staat hier zinstype 2a centraal: het type zin waar de pv niet zelf het eerste
element is (zie [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit. Dit
houdt in dat er onmiddellijk vóór die pool iets anders staat. In [21.1.1] Het polaire principe is de plaats vlak vóór de
eerste pool aangeduid als de eerste zinsplaats. Een aanloop, die in theorie
voorafgaat aan de eerste zinsplaats, wordt bij zinstype 2 zelden aangetroffen. Het schema met de abstracte
plaatsen van de Nederlandse zin wordt hieronder ingevuld met twee concrete
zinnen:
Schema 1: De eerste zinsplaats in zinstype 2a (zinnen met een lege eerste
pool als tweede element)
| aanloop | eerste zinsplaats | eerste pool | middenstuk | tweede pool | laatste zinsplaats | uitloop |
| |Ø| | |achter-pv (+werkwoordelijke aanvulling)| | |||||
| wie van de buren | er vanavond met ons mee | eten, | eigenlijk. | |||
| met wie | we | hebben geprobeerd | goede afspraken te maken. |
Beide voorbeelden zijn afhankelijke zinnen en moeten worden voorgesteld als deel
van een bevattende zin, zoals (ik vraag me af) wie van de
buren |Ø| er vanavond met ons mee|eten|,
eigenlijk en (daar is de
medewerker) met wie |Ø| we |hebben geprobeerd| goede afspraken te
maken. In beide zinnen is de eerste pool leeg,
althans in formeel taalgebruik. De eerste zinsplaats is toegankelijk voor
verschillende zinsdelen, en wel op een manier die vergelijkbaar is met onafhankelijke vraagwoordvragen bij zinstype
1a. Zinstype 2a omvat twee subtypen:
afhankelijke vraagwoordvragen (het eerste voorbeeld in Schema 1) en afhankelijke
uitroepende zinnen enerzijds, en betrekkelijke bijzinnen (het tweede voorbeeld
in Schema 1) en (toegevende) bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord
anderzijds. Bij het eerste subtype bevat de eerste zinsplaats altijd een vragend
of uitroepend (voornaam)woord; bij het tweede subtype een betrekkelijk of
onbepaald (voornaam)woord.
Een zinsdeel met een vragend of uitroepend (voornaam)woord op de eerste
zinsplaats
In zelfstandige zinnen kan zowat ieder zinsdeel bevraagd worden, en dat is niet
anders bij afhankelijke zinnen van zinstype 2a:
In deze voorbeelden worden achtereenvolgens een subject (onderwerp), direct
object (lijdend voorwerp), indirect object (hier: meewerkend voorwerp),
voorzetselobject ( voorzetselvoorwerp), bijwoordelijke bepaling en een inherente
constituent (hier: noodzakelijke bepaling van plaats in (3f) en naamwoordelijk
deel van het gezegde (3g)) bevraagd. Dit zijn dezelfde mogelijkheden als bij
onafhankelijke vraagwoordvragen. Ook meervoudige vragen komen voor bij zinstype 2a:
Ingebedde uitroepende zinnen hebben dezelfde structuur als de voorbeelden in
(3):
Wanneer de eerste zinsplaats van een ingebedde uitroepende zin bezet wordt door
een adjectivische constituent, wordt het gebruikelijke wat vervangen door hoe (5e). Dit geldt ook voor adverbiale constituenten:
(Karel vertelde me) hoe vaak
|Ø| die kerel al een diner |gegeven heeft|. Dit
soort zinnen kunnen behalve als ingebedde uitroepende zin ook als
vraagwoordvraag worden opgevat. Een verschil met onafhankelijke uitroepende
zinnen is dat uitroepend wat in zinstype 2a nooit gescheiden wordt van de rest van de constituent
waar het deel van uitmaakt:
6(Karel vertelde me) wat |Ø| er vanavond
een hoop gerechten op het menu
|staan|.uitgesloten
Vragende (voornaam)woorden kunnen in zinstype 2a wel worden afgesplitst van de
constituent waar ze deel van uitmaken. Hier gelden dezelfde mogelijkheden als
bij zinstype 1a. De uitgebreide beschrijving van deze verschijnselen staan in de
betreffende deelparagraaf; op deze plaats wordt daarom volstaan met
een korte bespreking van de verschillende opties:
Het eerste voorbeeld demonstreert een vragend voornaamwoord dat gesplitst is van
de nominale constituent waar het deel van uitmaakt (wat voor schokkends). In de tweede zin is er sprake van een vragend voornaamwoordelijk
bijwoord dat gesplitst is van zijn adpositie (waarover). De eerste mogelijkheid tot splitsing is aan dezelfde beperkingen
onderworpen als splitsing van wat voor ... in zinstype 1a:
Splitsing is onmogelijk bij een indirect object (8a) en een handelend subject
(8b). Bij een niet-handelend subject kan wat wel worden afgesplitst van zijn bevattende nominale constituent
(8c-d). Dubbele inbedding van zo'n constituent, zoals in (8e), blokkeert
splitsing van wat. Bij splitsing van een vragend voornaamwoordelijk bijwoord is dubbele
inbedding wel toegestaan:
9(Emma vroeg zich af)
waar |Ø| hij [een groot deel
[van]] op|gegeten
had|.
Vragende (voornaam)woorden kunnen ook bij zinstype 2a deel uitmaken van een
dieper ingebedde afhankelijke zin:
In (10a) is wat het direct object van dat we morgen gaan
doen. Die afhankelijke zin is zelf het direct
object van een bevattende (afhankelijke) zin waarin wat de eerste zinsplaats inneemt. In de overige voorbeelden is het
vragend voornaamwoord respectievelijk subject (10b), indirect object (10c),
bijwoordelijke bepaling (10d) en naamwoordelijk deel van het gezegde (10e). De
diepst ingebedde afhankelijke zin is meestal een objectszin, zoals in (10), maar
kan ook dienst doen als subject of oorzakelijk object van de bevattende zin:
Ten slotte kunnen vragend wat en een vragend voornaamwoordelijk bijwoord ook bij inbedding worden
afgesplitst van hun nominale of adpositionele constituent:
Een zinsdeel met een betrekkelijk of onbepaald (voornaam)woord op de eerste
zinsplaats
Een tweede subtype van zinstype 2a wordt gevormd door betrekkelijke bijzinnen en
(toegevende) bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord. Op de eerste zinsplaats
van een betrekkelijke bijzin staat een betrekkelijk
(voornaam)woord. Dit type zin heeft meestal een expliciet antecedent in de bevattende zin waarop de betrekkelijke
zin inhoudelijk van toepassing is. De functie van het betrekkelijk
(voornaam)woord in de betrekkelijke bijzin is net zo variabel als die van
vragende en uitroepende (voornaam)woorden:
De betrekkelijke bijzin in (13a) heeft soep als antecedent. Het betrekkelijk voornaamwoord die heeft de functie van subject in de betrekkelijke bijzin. In (13b) is
het antecedent mensen en fungeert die als direct object in de betrekkelijke bijzin, enzovoort. Ook bij
betrekkelijke bijzinnen kan het (betrekkelijke) voornaamwoordelijk bijwoord waar worden gescheiden van de adpositie waar het complement bij is. Zo
heeft het voorbeeld in (13d) de volgende variant:
14(Karel vreesde de
onderwerpen) waar |Ø| die avond beslist niet
over |gesproken mocht
worden|.
Het betrekkelijk voornaamwoord kan, net als een vraagwoord, zinsdeel zijn in een
dieper ingebedde zin. Die ingebedde zin kan een dat-zin zijn of een infinitiefconstructie:
De voorbeelden in (15) komen vooral voor in de schrijftaal en doen soms wat
stroef aan (bijvoorbeeld 15c). Ze hebben allemaal een soepeler lopende variant
waarbij de bevattende zin zelf een betrekkelijke bijzin is. Bij deze varianten
staat waarvan of van wie op de eerste zinsplaats: (Karel at de soep)
waarvan |Ø| jij |dacht| [dat
die op het menu stond],
(Karel was nieuwsgierig naar de mensen)
van wie |Ø| hij |hoopte| [dat hij
ze die avond tegen het lijf zou
lopen], et cetera. Beknopte bijzinnen krijgen in
deze variant de vorm van een dat-zin en de oorspronkelijke betrekkelijke bijzin bevat een persoonlijk
of aanwijzend voornaamwoord.
Gekloofde zinnen
Verdieping
Gekloofde zinnen
Een bijzonder gebruik van betrekkelijke bijzinnen wordt aangetroffen
in zogenaamde gekloofde zinnen. De functie van dit soort zinnen, die
met name in de schrijftaal voorkomen, kan worden geïllustreerd aan
de hand van een niet-gekloofde zin, zoals die in (i):
Bij neutrale beklemtoning valt het
belangrijkste zinsaccent in deze zin vlak voor de tweede pool, op een smeuïg verhaal. Indien een spreker een andere constituent benadrukt, zal
de zin een afwijkend klemtoonpatroon vertonen. In dat geval schendt
de zin het links-rechtsprincipe. Een andere manier om
een constituent met speciale nadruk voor het voetlicht te brengen,
is met een gekloofde zin:
De voorbeelden in (ii) zijn andere manieren om de informatie uit (i)
te presenteren. De zinnen bestaan meestal uit een (voorlopig) subject (het), een vorm van zijn en het zinsdeel dat als informatieve kern wordt
voorgesteld. Bij het uitspreken van een gekloofde zin valt het
belangrijkste zinsaccent op de kern van dit zinsdeel, net als elders
in dit hoofdstuk weergegeven met accolades en een accent op de
zwaarst beklemtoonde lettergreep. Het beklemtoonde zinsdeel wordt
bovendien vergezeld door een (beperkende) betrekkelijke bijzin. Die
bijzin bevat meestal reeds bekende informatie. In de hoofdzin kan
inversie worden toegepast:
Als het te benadrukte zinsdeel een persoonlijk voornaamwoord als kern
heeft, is inversie soms de enige mogelijkheid (iii-b-c). Een andere,
soortgelijke constructie die hetzelfde effect bereikt, zijn pseudo-gekloofde zinnen.
Het element op de eerste zinsplaats in een betrekkelijke bijzin kan ook een ingesloten antecedent hebben:
De voorbeelden in (16) demonstreren dat ook betrekkelijke voornaamwoorden met
ingesloten antecedent alle denkbare zinsdeelfuncties op zich kunnen nemen. De
betrekkelijke bijzinnen zelf kunnen, aangezien ze niet als nabepaling bij een
expliciet antecedent dienst doen, verschillende functies in de bevattende zin
bekleden. In (16a/d/e) is de betrekkelijke bijzin het subject van de bevattende
zin, in (16b) direct object, in (16c) indirect object, in (16f-g) bijwoordelijke
bepaling (van plaats) en in (16h) naamwoordelijk deel van het gezegde. Het
voorbeeld in (16e) laat zien dat splitsing van betrekkelijk voornaamwoordelijk
bijwoord en de bijbehorende adpositie, zoals in (14), hier ook weer mogelijk is. Inbedding van de bijzin, zoals in
(15), komt bij dit soort zinnen eveneens voor:
wat |Ø| ze |zeiden| [dat
er op het menu stond] (deed Karel watertanden),
(Karel nam zich voor) wat |Ø|
ze |gezegd hadden| [dat hij zou krijgen] (netjes op te
eten), et cetera.
Pseudo-gekloofde zinnen
Verdieping
Pseudo-gekloofde zinnen
Net als gekloofde zinnen, waarin een betrekkelijke
bijzin met expliciet antecedent wordt gebruikt, gebruiken zogenaamde
pseudo-gekloofde zinnen een betrekkelijke bijzin met ingesloten
antecedent:
iKarel |wilde|
zijn tafelgenote aan de bar een smeuïg verhaal
|vertellen|.
De constructies in (ii) beginnen met een betrekkelijke bijzin met
ingesloten antecedent. Deze bijzin doet dienst als subject in een
constructie met zijn. Het te benadrukken zinsdeel staat aan het eind van de
pseudo-gekloofde zin.
In de tot nu toe behandelde voorbeelden fungeerde de betrekkelijke bijzin steeds
als nabepaling bij het antecedent. In dat geval maakt zo'n zin dus deel uit van
de constituent waarvan het antecedent de kern vormt. Een tweede mogelijkheid is dat (een deel van) de hele zin
het antecedent vormt. In dat geval staat de betrekkelijke bijzin in de uitloop
van de bevattende zin:
17(Karels buurvrouw
googelde de bekende persoon,) wat |Ø| Karel maar
een vreemde reactie |vond|.
De betrekkelijke bijzin in (17) kan van toepassing zijn op de verbale constituent
(het googelen van de bekende persoon), of op de hele zin (het feit dat Karels
buurvrouw de bekende persoon googelde). Bijzinnen met een onbepaald
voornaamwoord op de eerste zinsplaats als in (18) komen bij
uitstek in de aanloop of uitloop van de bevattende zin voor:
De bijzinnen in (18) kunnen verschillende zinsdeelfuncties vervullen, zoals die
van direct object (18b), oorzakelijk object (18c) en bijwoordelijke bepaling
(18g). In de overige voorbeelden staat de bijzin in de aanloop of in de uitloop,
waar het onbepaalde voornaamwoord de bijzin het karakter geeft
van een toegevende bijzin met het voegwoord al: al stond er iets heel simpels op het
menu (in 18a), al schonken
de gastheren een oninteressante gast iets in (in
18d), et cetera.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
