Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.4.1 De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een voor-pv)
Zinnen met een persoonsvorm (pv) in de eerste pool, ook wel zinnen met een voor-pv genoemd, worden aangeduid als zinstype 1. Dit zinstype valt (net als zinstype 2) uiteen in twee subtypen: zinstype 1a, waarbij de eerste zinsplaats gevuld is, en zinstype 1b, waarbij de eerste zinsplaats leeg blijft. Bij dat laatste type begint de eigenlijke zin dus met de eerste pool, zoals bijvoorbeeld het geval is bij imperatiefzinnen als |loop| eens even door |Ø| en ja/nee-vragen als |eet| Karel vanavond met ons mee |Ø|? Zinstype 1b is dus niet van belang voor het bespreken van de eerste zinsplaats. Deze deelparagraaf concentreert zich daarom op zinstype 1a, waarbij de eerste pool voorafgegaan wordt door een (deel van een) zinsdeel op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn:
1De eerste zinsplaats in zinstype 1a
aVanavond |eet| Karels gezin niet met ons mee |Ø|.
bWie van de buren |eten| er vanavond wel met ons mee |Ø|?
cVan Emma |eet| vanavond misschien alleen de oudste zoon met ons mee |Ø|.
dAls je vanavond iets lekkers klaarmaakt, |eet| die zoon van Emma beslist met ons mee |Ø|.
De eerste zinsplaats kan in zinstype 1a door verschillende soorten zinsdelen worden bezet. Het subject (onderwerp), objecten (lijdend, meewerkend, voorzetselvoorwerp et cetera) en bepalingen hebben allemaal toegang tot de positie direct voorafgaand aan de eerste pool. Het maakt daarbij weinig uit of de constituent op de eerste zinsplaats simplex is, oftewel zonder interne opbouw (zoals [vanavond] in (1a)), of juist complex, oftewel met interne opbouw (zoals [wie [van [de buren]]] in (1b)). Het kan om een compleet zinsdeel gaan of juist om een deel van een zinsdeel, zoals de voorzetselconstituent van Emma uit het subject alleen de oudste zoon van Emma in (1c). Ook kan er een volledige afhankelijke zin op de eerste zinsplaats staan, zoals (1d) illustreert. De belangrijkste voorwaarde is dat de woordgroep op de eerste zinsplaats als geheel de functie van hooguit één zinsdeel vervult.
Het gezegde van een zin staat, althans wat het werkwoordelijk deel betreft, in zinstype 1 per definitie in de polen van de zin: de pv in de eerste pool en de werkwoordelijke aanvulling in de tweede. Niettemin staat de werkwoordelijke aanvulling, of een deel daarvan, soms ook op de eerste zinsplaats. Daarbij valt op dat zo'n gezegdedeel kan worden vergezeld door één of zelfs meerdere andere zinsdelen:
2aGegeten |heeft| hij thuis vast nog niet | |.
bThuis gegeten |heeft| hij vast nog niet | |.
cThuis een warme maaltijd gegeten |heeft| hij vast nog niet | |.
In (2a) staat het voltooid deelwoord gegeten op de eerste zinsplaats, en niet, zoals gebruikelijk, in de tweede pool. In (2b) wordt deze werkwoordelijke aanvulling vergezeld door de bepaling van plaats thuis. Datzelfde is het geval in (2c), maar daar bevat de eerste zinsplaats ook nog een direct object. Hier staan dus verschillende delen van de verbale constituent op de eerste zinsplaats. Dit soort gevallen komt aan de orde in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats.
Wélk zinsdeel (of deel daarvan) een spreker of schrijver op de eerste zinsplaats zet, hangt meestal samen met de informatieve geleding van de zin. Het zogeheten links-rechtsprincipe speelt hierbij een cruciale rol. Het informatieve belang van het element op de eerste zinsplaats kan minimaal zijn. In dat geval kan de zin het links-rechtsprincipe volgen. Is het element op de eerste zinsplaats juist informatief belangrijk (of zelfs het belangrijkst), dan schendt de zin dat principe juist.
Vraagwoordvragen en uitroepende zinnen vallen hier als het ware buiten doordat vragende en uitroepende (voornaam)woorden verplicht op de eerste zinsplaats staan, ongeacht de informatiestructuur van de zin (Wat |heeft| hij thuis |gegeten|? Wat een slechte maaltijden |eet| hij thuis |Ø|! ). Deze deelparagraaf begint met een beschrijving van dit soort zinnen. Vragende en uitroepende (voornaam)woorden kunnen met vrijwel elk zinsdeel worden geassocieerd, zelfs wanneer dat zinsdeel onderdeel is van een ingebedde afhankelijke zin. Daarnaast is het in veel gevallen mogelijk om het uitroepende wat te scheiden van de constituent waarmee het wordt geassocieerd (Wat |eet| hij thuis een slechte maaltijden |Ø|!). Hetzelfde geldt voor vragend wat in de wat voor (een)-constructie en voor het voornaamwoordelijk bijwoord waar (Wat |eet| hij thuis voor maaltijden |Ø|?, Waar |heb| jij het over |Ø|?).
Verder lezen
Een vragend of uitroepend voornaamwoord op de eerste zinsplaats
In [21.1.1] Het polaire principe is de plaats vlak vóór de voor-pv, maar na een eventuele aanloop, aangeduid als de eerste zinsplaats. Het schema met de abstracte plaatsen van de Nederlandse zin wordt hieronder ingevuld met twee concrete zinnen:
Schema 1: De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een voor-pv als tweede element)
aanloop eerste zinsplaats 1ste pool middenstuk 2de pool laatste zinsplaats uitloop
|voor-pv| |(werkwoordelijke aanvulling)|
Vanavond staat er biryani op het menu Ø.
Biryani, hoe maak je dat eigenlijk Ø?
Zinnen van zinstype 1a hebben twee vaste kenmerken: de persoonsvorm (pv) staat in de eerste pool en de eerste zinsplaats wordt bezet door een (deel van een) zinsdeel. Grofweg zijn er twee subtypen: mededelende zinnen (het eerste voorbeeld in het schema) en vraagwoordvragen (het tweede voorbeeld). Mededelende zinnen vertonen de meeste variatie met betrekking tot de eerste zinsplaats: vrijwel ieder denkbaar zinsdeel kan die plaats bezetten. Zo heeft het voorbeeld uit het schema varianten als er |staat| vanavond biryani op het menu |Ø|, op het menu |staat| vanavond biryani |Ø| en biryani |staat| (er) vanavond op het menu |Ø|. Deze variatie wordt besproken in de volgende deelparagrafen. In vraagwoordvragen ontbreekt dergelijke variatie: in het tweede voorbeeld moet het vraagwoord hoe de eerste zinsplaats innemen. De huidige sectie richt zich volledig op dit subtype.
Vragende (voornaam)woorden staan, evenals uitroepende voornaamwoorden, verplicht op de eerste zinsplaats. Vragende (voornaam)woorden bijna elk denkbaar zinsdeel vertegenwoordigen:
3Een zinsdeel met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats
aWat |staat| er vanavond op het menu |Ø|?subject
bWie |kan| Karel vanavond zoal tegen het lijf |lopen|?direct object
cWiens vriendin |had| hij |moeten laten weten| dat hij wat later komt?indirect object
dNaar de problemen van welke gast |mag| er beslist niet |worden gehengeld|?voorzetselobject
eWaarom |zijn| juist die onderwerpen taboe |Ø|?bijwoordelijke bepaling
fWaar |heeft| zijn buurvrouw in haar jeugd |gewoond|?noodzakelijke bepaling van plaats
gWat |had| zij liever willen |zijn|: Vlaamse of Nederlandse?naamwoordelijk deel van het gezegde
Deze voorbeelden bevragen achtereenvolgens het subject (onderwerp, (3a)), direct object (lijdend voorwerp, (3b)), indirect object (meewerkend voorwerp et cetera, (3c)), voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, (3d)), een bijwoordelijke bepaling (3e) en enkele inherente zinsdelen (4f-g). Het zinsdeel op de eerste zinsplaats kan uit een vragend (voornaam)woord bestaan of uit een constituent die zo'n woord bevat. Zo wordt in (3c) de determinator van vriendin bevraagd en gaat het in (3d) zelfs om de determinator van gast, wat een nabepaling is bij problemen, wat op zijn beurt weer complement is van het voorzetsel naar. In alle gevallen geeft de plaatsing van het te bevragen zinsdeel, samen met een bepaalde zinsintonatie, uitdrukking aan het feit dat de spreker (of schrijver) een vraag stelt over de identiteit van het zinsdeel op de eerste zinsplaats, of van onderdeel binnen dat zinsdeel.
Echovragen
Verdieping
Echovragen
Ondanks de strikte regel om een te bevragen zinsdeel in het Nederlands op de eerste zinsplaats te zetten, staan vraagwoorden soms toch in het middenstuk van een zin:
ia(Vanavond staat er biryani op het menu.) Vanavond |staat| er wát op het menu?
b(Ik wil Karel ook uitnodigen.) Je |wil| wíé ook uit|nodigen|?!
Het gaat hier om zogenaamde echovragen die een uitspraak van de vorige spreker letterlijk herhalen om duidelijk te maken dat bepaalde informatie niet duidelijk was (zoals in i-a) of om ongeloof, verbazing, et cetera uit te drukken (zoals in i-b). Dit soort vragen hebben dus een zeer specifieke context nodig en kunnen om die reden alleen worden uitgesproken met een sterke nadruk op het vragend (voornaam)woord. In deze sectie worden echovragen buiten beschouwing gelaten.
Een taalgebruiker kan meer dan één zinsdeel willen bevragen. In dat geval is er sprake van een meervoudige vraag:
4Een zinsdeel met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats in een meervoudige vraag
aWie |bereidt| er welke gang voor|Ø|?
bWie |ga| je wat |vragen|?
cWat |ga| je aan wie |vragen|?
dWat |wil| je over welk onderwerp |vertellen|?
eWat |wil| je wanneer op tafel |zetten|?
De eerste zinsplaats biedt slechts ruimte aan één constituent met een vragend (voornaam)woord. De voorbeelden suggereren dat bij keuze tussen subject en direct object, het subject op de eerste zinsplaats staat (4a). Een bevraagd indirect object kan op de eerste zinsplaats staan ten koste van een bevraagd direct object (4b), tenzij het om een prepositioneel indirect object gaat (4c). Een direct object krijgt de voorkeur krijgt boven een voorzetselobject (4d). Deze voorkeuren weerspiegelen de basisvolgorde van de zinsdelen in het middenstuk. Die basisvolgorde kan onder bepaalde omstandigheden worden doorbroken, wat waarschijnlijk verklaart dat bijwoordelijke bepalingen zowel door een object kunnen worden gepasseerd (5e) als dat ze zelf een object kunnen passeren, zoals in wanneer |wil| je wat op tafel |zetten|?
(Broekhuis et al. 2015) merken op dat sprekers soms verschillende oordelen hebben over de superioriteit van zinsdelen bij meervoudige vragen. Zo zouden de beschreven tendenzen minder duidelijk worden bij morfologisch complexe zinsdelen (welke gast in plaats van wie, et cetera). Meer onderzoek is nodig om hier definitievere uitspraken over te kunnen doen.
Zinnen met een uitroepend voornaamwoord zijn uitroepende zinnen. Deze zinnen hebben met vraagwoordvragen gemeen dat het element op de eerste zinsplaats altijd een uitroepend voornaamwoord is of een zinsdeel dat zo'n woord bevat. Ook hier komen vrijwel alle zinsdelen in aanmerking, al komt inbedding van het type wiens vriendin of over de problemen van welke gast, zoals besproken in (3) hier niet voor:
5Een zinsdeel met een uitroepend voornaamwoord op de eerste zinsplaats
aWat een hoop gerechten |staan| er vanavond op het menu |Ø|!subject
bWat een dessert |heeft| de gastheer |gemaakt|!direct object
cWat een gewichtige disgenoten |ben| jij straks een verklaring schuldig |Ø|!indirect object
dOp wat een geweldig diner |kijken| wij straks terug|Ø|!voorzetselobject
eWat voortreffelijk |heeft| die kerel vanavond |gekookt|!bijwoordelijke bepaling
fWat een ingewikkeld recept |is| dit |Ø|, zeg!naamwoordelijk deel van het gezegde
In deze voorbeelden is te zien dat het uitroepend voornaamwoord steeds deel uitmaakt van een adjectivische of nominale constituent. De betekenis kan de hoeveelheid of het aantal van het substantief benadrukken (gerechten in (5a)). In andere gevallen wordt de intensiviteit van een adjectief benadrukt (voortreffelijk in (5e)) of een bepaalde eigenschap van een substantief (de overige voorbeelden in (5)). Een enkele keer lijkt de intensiteit van het hoofdwerkwoord te worden uitgelicht:
6aWat |kun| jij |genieten|, zeg!
bWat genieten |kun| jij | |, zeg!uitgesloten
cWat |kan|-ie | |?
dGenieten (|kan|-ie | |)!
Bij dit soort zinnen valt op dat het hoofdwerkwoord niet samen met het uitroepend voornaamwoord op de eerste zinsplaats kan staan (6b). Het vraag-antwoordpaar in (6c-d) laat zien dat een hoofdwerkwoord bevraagd kan worden en op de eerste zinsplaats kan worden gezet. Het is daarom voorstelbaar dat wat in (6a) eerder deel is van een adjectivische constituent (zoals bijvoorbeeld wat lekker), waarvan het hoofd (lekker) niet wordt uitgedrukt.
De bovenstaande voorbeelden laten zien dat het element op de eerste zinsplaats een deel van een zinsdeel kan zijn. Hieronder worden de volgende gevallen besproken: afsplitsing van vragend en uitroepend wat, afsplitsing van het voornaamwoordelijk bijwoord waar en vragende/uitroepende (voornaam)woorden als onderdeel van een afhankelijke zin.
Vragend en uitroepend wat kunnen van een bevattende adjectivische of nominale constituent worden afgesplitst. Wat staat daarbij op de eerste zinsplaats, terwijl de rest van de adjectivische of nominale constituent in het middenstuk staat:
7Het vragend voornaamwoord wat als deel van een nominale constituent op de eerste zinsplaats
aWat voor zinnigs |kun| je daar nu over |vertellen|?
bWat |kun| je daar nu voor zinnigs over |vertellen|?
cWat voor jongen |heb| je gisteren |ontmoet|?
dWat |heb| je gisteren voor jongen |ontmoet|?
8Het uitroepend voornaamwoord wat als deel van een adjectivische of nominale constituent op de eerste zinsplaats
aWat gezellig |hebben| jullie het hier |gemaakt|!
bWat |hebben| jullie het hier gezellig |gemaakt|!
cWat een vervelende jongen |ben| je toch |Ø|!
dWat |ben| je toch een vervelende jongen |Ø|!
De adjectivische constituent wat gezellig worden gesplitst in (8b). Idem dito voor de nominale constituenten wat voor zinnigs in (7a), wat voor jongen in (7d) en wat een vervelende jongen in (8d). De zinsdelen in kwestie hebben verschillende functies: direct object (wat voor zinnigs, wat voor jongen), bepaling van gesteldheid (wat gezellig) en naamwoordelijk deel van het gezegde (wat een vervelende jongen). Bij een indirect object blijkt afsplitsing van vragend wat onmogelijk:
9Indirect object: afsplitsing vragend wat onmogelijk
aWat voor mensen |zullen| we straks een uitnodiging voor de vergadering |sturen|?
bWat |zullen| we straks voor mensen een uitnodiging voor de vergadering |sturen|?uitgesloten
cWat een enorm aantal bedrijven |ben| jij straks geld schuldig |Ø|!
dWat |ben| jij straks een enorm aantal bedrijven geld schuldig |Ø|!
Deze beperking geldt niet voor uitroepend wat, zoals blijkt uit (9d). Als de bevattende constituent de functie van subject heeft, is afsplitsing van wat alleen mogelijk bij een niet-handelend subject:
10Subject: splitsing alleen mogelijk bij een niet-handelend subject
aWat |hebben| voor mensen jouw proefschrift |gekocht|?uitgesloten
bWat |hebben| een mensen jouw proefschrift |gekocht|!uitgesloten
cWat |zijn| er dit jaar zoal voor boeken |gelezen|?
dWat |zijn| er dit jaar toch een boeken |gelezen|!
eWat |ligt| er hier toch voor troep |Ø|?
fWat |ligt| er hier toch een troep |Ø|!
Het handelende subject wat voor mensen in (10a-b) kan niet worden gesplitst. Het subject van de passieve zinnen in (10c-d) is een logisch object en dus niet-handelend. Het subject in (10e-f) is evenmin handelend. Extra vereisten voor splitsing lijken te zijn dat het werkwoord onovergankelijk is en dat presentatief er aanwezig is:
11aWat |beheersen| (er) voor studenten computervaardigheden |Ø|?uitgesloten
bWat |beheersen| (er) een hoop studenten computervaardigheden |Ø|!uitgesloten
cWat |liep| voor menigte voorbij |Ø|?uitgesloten
dWat |liep| een menigte voorbij |Ø|!uitgesloten
De voorbeelden in (11a-b) zijn zowel met als zonder presentatief er onacceptabel, hoewel een zin als wat een hoop studenten |beheersen| (er) computervaardigheden |Ø| wel mogelijk is. De zinnen in (11c-d) worden beter met presentatief er, als in wat |liep| er voor menigte voorbij? Ten slotte kan nog worden vermeld dat splitsing van wat niet mogelijk is bij dubbele inbedding. Dat is het geval indien de bevattende nominale of adjectivische constituent zelf onderdeel is van een andere constituent:
12a[In [wat voor cafés]] |kom| jij zoal |Ø|?
b[In [wat]] |kom| jij zoal voor cafés |Ø|?uitgesloten
c[In [wat een cafés]] |kom| jij allemaal |Ø|, zeg!
d[In [wat]] |kom| jij allemaal een cafés |Ø|, zeg!uitgesloten
Het vragend/uitroepend voornaamwoord is in deze voorbeelden niet te isoleren van de adpositieconstituent in wat voor/een cafés.
Ook het vragend voornaamwoordelijk bijwoord waar maakt altijd deel uit van een adpositieconstituent. Het fungeert als complement van de adpositie en kan ofwel samen met die adpositie, ofwel zelfstandig op de eerste zinsplaats staan:
13Het voornaamwoordelijk bijwoord waar op de eerste zinsplaats
aWaarover |had| hij het toch de hele tijd |Ø|?
bWaar |had| hij het toch de hele tijd over |Ø|?
cWaarop |was| jouw moeder ook alweer zo dol |Ø|?
dWaar |was| jouw moeder ook alweer zo dol op |Ø|?
In (13b) staat waar gescheiden van de adpositie over op de eerste zinsplaats. In deze zin vervult waarover de functie van voorzetselobject. In (13d) is het voornaamwoordelijk bijwoord gescheiden van op, waarmee het de functie van naamwoordelijk deel van het gezegde vervult. Splitsing is in deze voorbeelden volledig facultatief, maar bij sommige adposities is het min of meer verplicht. Het gaat daarbij om de combinaties met naartoe, heen, langs en vandaan:
14aWaarnaartoe |zal| ik dat |sturen?|twijfelachtig
bWaar |zal| ik dat naartoe |sturen|?
Anders dan bij vragend/uitroepend wat is splitsing bij dubbele inbedding van het voornaamwoordelijk bijwoord wel mogelijk:
15aWaarvan |heeft| hij [een groot deel [ ]] op|gegeten|?
bWaar |heeft| hij [een groot deel [van]] op|gegeten|?
Ten slotte is een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats soms een onderdeel van een afhankelijke zin. Die afhankelijke zin is zelf meestal het direct object zijn in een bevattende zin:
16Een constituent met een vragend (voornaam)woord als zinsdeel van een afhankelijke zin
aZe |heeft| net |gezegd| [wat we morgen gaan doen].
b[Wat we morgen gaan doen] |heeft| ze net |gezegd|.
cWat |heeft| ze net |gezegd| [dat we morgen gaan doen]?
Het direct object in deze zinnen is een afhankelijke vraagwoordvraag. De vraag verlangt in (6a-b) geen antwoord van de aangesprokene, maar stelt dat de hoorder het antwoord op die vraag zou kennen als hij of zij gehoord had wat 'ze' net gezegd heeft. In (6c) staat het vragend voornaamwoord wat los van de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende zin. De bevattende zin is nu een vraag naar de inhoud van wat 'we' volgens 'haar' morgen gaan doen. Enkele andere voorbeelden zijn:
17aWie |gelooft| hij |Ø| [dat de langste van ons vieren is]?
bWie |dacht| je nu |Ø| [dat ze een cadeau had gegeven]?
cHoe |denk| je |Ø| [dat ik gisteren thuisgekomen ben]?
dWat |verwacht| je |Ø| [dat zij later zal willen worden]?
Een beperking op dit soort constructies is dat de afhankelijke zin met dat moet beginnen. Het hoofdwerkwoord van het bevattende gezegde geeft bovendien altijd een mening, verwachting, wens, gevoel en dergelijke te kennen. Het gaat hier om zogeheten niet-factieve gezegdes, dat wil zeggen, gezegdes die de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit vooronderstellen. Aangezien in principe zowat elk denkbaar zinsdeel bevraagd kan worden, is het ook in dit soort zinnen mogelijk verschillende zinsdelen te isoleren van de afhankelijke zin. Zo gaat het in (7a) om het subject, in (7b) om het direct object, in (7c) om een bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid en in (17d) om het naamwoordelijk deel van het gezegde van de afhankelijke zin. De afhankelijke zin zelf kan, behalve direct object, soms ook het subject of oorzakelijk object van de bevattende zin zijn:
18aWie |werd| er |gesuggereerd| [dat we echt eens moeten uitnodigen]?subjectszin
bWat |waren| de kinderen gewend |Ø| [dat ze elke avond kregen]?oorzakelijk objectszin
De afhankelijke zin wie |Ø| we echt eens moeten uitnodigen is hier het grammaticale subject van de bevattende zin, maar het is ook het logisch object. Het volgende voorbeeld laat zien dat de afhankelijke zin ook zelf weer kan zijn ingebed in een andere afhankelijke zin:
19Waarmee |zei| je |Ø| [dat je laatst gehoord had [dat ze de demonstranten te lijf gingen]]?
De bijwoordelijke bepaling van middel waarmee is in dit voorbeeld een zinsdeel van de afhankelijke vraag waarmee |Ø| ze de demonstranten te lijf |gingen|. Deze zin is zelf het direct object van de afhankelijke zin |dat| je laatst |gehoord had| ..., die op zijn beurt weer het direct object is van een onafhankelijke zin van zinstype 1a.
Uitroepend wat als zinsdeel van een afhankelijke zin
Verdieping
Uitroepend wat als zinsdeel van een afhankelijke zin
Ook bij uitroepende zinnen staat er soms een zinsdeel van een ingebedde afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende zin:
iEen constituent met een uitroepend voornaamwoord als zinsdeel van een afhankelijke zin
aWat een leuke activiteiten |heeft| ze net |gezegd| [dat we morgen gaan doen]!twijfelachtig
bWat een gasten |belooft| hij |Ø| [dat er morgen komen]!twijfelachtig
cWat aardig |zei| ze |Ø| [dat zijn zus was]!twijfelachtig
Deze zinnen zijn niet heel erg natuurlijk, maar ze lijken ook niet helemaal onacceptabel. Om die reden wordt hun status hier aangemerkt als 'twijfelachtig'.
(Broekhuis et al. 2015) bevat een uitgebreide bespreking van dit fenomeen, onder verwijzing naar (Krijgsman 1983), (Corver 1990) en (Bennis 1998).
Van het vragende wat voor (een) als deel van een nominale of adjectivische constituent kan wat apart vooraan in de bevattende zin staan:
20aWat |zei| je |Ø| [dat er voor man op straat rondhangt]?
bWat |denk| je |Ø| [dat daar voor leuks aan is]?
Ook een voornaamwoordelijk bijwoord kan zelfstandig op de eerste zinsplaats staan terwijl de bijbehorende adpositie zich in een ingebedde afhankelijke zin ophoudt:
21aWaar |hoop| je |Ø| [dat hij het met je over zal gaan hebben]?
bWaar |dacht| je |Ø| [dat ze dat vandaan gehaald hadden]?
De eerste zinsplaats in mededelende zinnen
Invulling van de eerste zinsplaats in mededelende zinnen is vrijer dan in vragende en uitroepende zinnen. De volgende deelparagrafen behandelen de verschillende mogelijkheden:
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links