21.4.1 De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een voor-pv)
Zinnen met een persoonsvorm (pv) in de eerste pool, ook wel zinnen met een
voor-pv genoemd, worden aangeduid als zinstype 1. Dit
zinstype valt (net als zinstype 2) uiteen in twee subtypen:
zinstype 1a, waarbij de eerste zinsplaats gevuld is, en
zinstype 1b, waarbij de eerste zinsplaats leeg blijft.
Bij dat laatste type begint de eigenlijke zin dus met de eerste pool, zoals
bijvoorbeeld het geval is bij imperatiefzinnen als |loop|
eens even door |Ø| en ja/nee-vragen als
|eet| Karel vanavond met ons mee
|Ø|?
Zinstype 1b is dus niet van belang voor het bespreken van
de eerste zinsplaats. Deze deelparagraaf concentreert zich daarom op
zinstype 1a, waarbij de eerste pool voorafgegaan wordt
door een (deel van een) zinsdeel op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn:
De eerste zinsplaats kan in zinstype 1a door verschillende
soorten zinsdelen worden bezet. Het subject (onderwerp), objecten (lijdend,
meewerkend, voorzetselvoorwerp et cetera) en bepalingen hebben allemaal toegang
tot de positie direct voorafgaand aan de eerste pool. Het maakt daarbij weinig
uit of de constituent op de eerste zinsplaats simplex is, oftewel zonder interne
opbouw (zoals [vanavond] in (1a)), of juist complex, oftewel met interne opbouw (zoals [wie [van [de buren]]] in (1b)). Het kan om een compleet zinsdeel gaan of juist om een deel
van een zinsdeel, zoals de voorzetselconstituent van Emma uit het subject alleen de oudste zoon van Emma in (1c). Ook kan er een volledige afhankelijke zin op de eerste
zinsplaats staan, zoals (1d) illustreert. De belangrijkste voorwaarde is dat de
woordgroep op de eerste zinsplaats als geheel de functie van hooguit één
zinsdeel vervult.
Het gezegde van een zin staat, althans wat het werkwoordelijk deel betreft, in
zinstype 1 per definitie in de polen van de zin: de pv in de eerste pool en de
werkwoordelijke aanvulling in de tweede. Niettemin staat de werkwoordelijke
aanvulling, of een deel daarvan, soms ook op de eerste zinsplaats. Daarbij valt
op dat zo'n gezegdedeel kan worden vergezeld door één of zelfs meerdere andere
zinsdelen:
In (2a) staat het voltooid deelwoord gegeten op de eerste zinsplaats, en niet, zoals gebruikelijk, in de tweede
pool. In (2b) wordt deze werkwoordelijke aanvulling vergezeld door de bepaling
van plaats thuis. Datzelfde is het geval in (2c), maar daar bevat de eerste zinsplaats
ook nog een direct object. Hier staan dus verschillende delen van de verbale
constituent op de eerste zinsplaats. Dit soort gevallen komt aan de orde in
[21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste
zinsplaats.
Wélk zinsdeel (of deel daarvan) een spreker of schrijver op de eerste zinsplaats
zet, hangt meestal samen met de informatieve geleding van de zin. Het zogeheten
links-rechtsprincipe speelt hierbij een cruciale rol.
Het informatieve belang van het element op de eerste zinsplaats kan minimaal
zijn. In dat geval kan de zin het links-rechtsprincipe volgen. Is het element op
de eerste zinsplaats juist informatief belangrijk (of zelfs het belangrijkst),
dan schendt de zin dat principe juist.
Vraagwoordvragen en uitroepende zinnen vallen hier als het ware buiten doordat
vragende en uitroepende (voornaam)woorden verplicht op de eerste zinsplaats
staan, ongeacht de informatiestructuur van de zin
(Wat |heeft| hij thuis
|gegeten|?
Wat een slechte maaltijden |eet| hij
thuis |Ø|! ). Deze deelparagraaf begint met een
beschrijving van dit soort zinnen. Vragende en uitroepende (voornaam)woorden
kunnen met vrijwel elk zinsdeel worden geassocieerd, zelfs wanneer dat zinsdeel
onderdeel is van een ingebedde afhankelijke zin. Daarnaast is het in veel
gevallen mogelijk om het uitroepende wat te scheiden van de constituent waarmee het wordt geassocieerd
(Wat |eet| hij thuis
een slechte maaltijden
|Ø|!). Hetzelfde geldt voor vragend wat in de wat voor (een)-constructie en voor het voornaamwoordelijk bijwoord waar (Wat |eet| hij thuis
voor maaltijden |Ø|?,
Waar |heb| jij het
over |Ø|?).
Verder lezen
Een vragend of uitroepend voornaamwoord op de eerste zinsplaats
In [21.1.1] Het polaire principe is de plaats vlak vóór de
voor-pv, maar na een eventuele aanloop, aangeduid als de eerste zinsplaats. Het
schema met de abstracte plaatsen van de Nederlandse zin wordt hieronder ingevuld
met twee concrete zinnen:
Schema 1: De eerste zinsplaats in zinstype 1a (zinnen met een voor-pv als
tweede element)
| aanloop | eerste zinsplaats | 1ste pool | middenstuk | 2de pool | laatste zinsplaats | uitloop |
| |voor-pv| | |(werkwoordelijke aanvulling)| | |||||
| Vanavond | staat | er biryani op het menu | Ø. | |||
| Biryani, | hoe | maak | je dat eigenlijk | Ø? |
Zinnen van zinstype 1a hebben twee vaste kenmerken: de
persoonsvorm (pv) staat in de eerste pool en de eerste zinsplaats wordt bezet
door een (deel van een) zinsdeel. Grofweg zijn er twee subtypen: mededelende
zinnen (het eerste voorbeeld in het schema) en vraagwoordvragen (het tweede
voorbeeld). Mededelende zinnen vertonen de meeste variatie met betrekking tot de
eerste zinsplaats: vrijwel ieder denkbaar zinsdeel kan die plaats bezetten. Zo
heeft het voorbeeld uit het schema varianten als er |staat|
vanavond biryani op het menu |Ø|,
op het menu |staat| vanavond biryani
|Ø| en biryani |staat| (er)
vanavond op het menu |Ø|. Deze variatie wordt
besproken in de volgende deelparagrafen. In vraagwoordvragen ontbreekt
dergelijke variatie: in het tweede voorbeeld moet het vraagwoord hoe de eerste zinsplaats innemen. De huidige sectie richt zich volledig
op dit subtype.
Vragende
(voornaam)woorden staan, evenals uitroepende
voornaamwoorden, verplicht op de eerste zinsplaats. Vragende
(voornaam)woorden bijna elk denkbaar zinsdeel vertegenwoordigen:
Deze voorbeelden bevragen achtereenvolgens het subject (onderwerp, (3a)), direct
object (lijdend voorwerp, (3b)), indirect object (meewerkend voorwerp et cetera,
(3c)), voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, (3d)), een bijwoordelijke bepaling
(3e) en enkele inherente zinsdelen (4f-g). Het zinsdeel op de eerste zinsplaats
kan uit een vragend (voornaam)woord bestaan of uit een constituent die zo'n
woord bevat. Zo wordt in (3c) de determinator van vriendin bevraagd en gaat het in (3d) zelfs om de determinator van gast, wat een nabepaling is bij problemen, wat op zijn beurt weer complement is van het voorzetsel naar. In alle gevallen geeft de plaatsing van het te bevragen zinsdeel,
samen met een bepaalde zinsintonatie, uitdrukking aan het feit dat de spreker
(of schrijver) een vraag stelt over de identiteit van het zinsdeel op de eerste
zinsplaats, of van onderdeel binnen dat zinsdeel.
Echovragen
Verdieping
Echovragen
Ondanks de strikte regel om een te bevragen zinsdeel in het
Nederlands op de eerste zinsplaats te zetten, staan vraagwoorden
soms toch in het middenstuk van een zin:
Het gaat hier om zogenaamde echovragen die een uitspraak van de
vorige spreker letterlijk herhalen om duidelijk te maken dat
bepaalde informatie niet duidelijk was (zoals in i-a) of om
ongeloof, verbazing, et cetera uit te drukken (zoals in i-b). Dit
soort vragen hebben dus een zeer specifieke context nodig en kunnen
om die reden alleen worden uitgesproken met een sterke nadruk op het
vragend (voornaam)woord. In deze sectie worden echovragen buiten
beschouwing gelaten.
Een taalgebruiker kan meer dan één zinsdeel willen bevragen. In dat geval is er
sprake van een meervoudige vraag:
De eerste zinsplaats biedt slechts ruimte aan één constituent met een vragend
(voornaam)woord. De voorbeelden suggereren dat bij keuze tussen subject en
direct object, het subject op de eerste zinsplaats staat (4a). Een bevraagd
indirect object kan op de eerste zinsplaats staan ten koste van een bevraagd
direct object (4b), tenzij het om een prepositioneel indirect object gaat (4c).
Een direct object krijgt de voorkeur krijgt boven een voorzetselobject (4d).
Deze voorkeuren weerspiegelen de basisvolgorde van de zinsdelen in het middenstuk. Die
basisvolgorde kan onder bepaalde omstandigheden worden doorbroken, wat waarschijnlijk verklaart dat
bijwoordelijke bepalingen zowel door een object kunnen worden gepasseerd (5e)
als dat ze zelf een object kunnen passeren, zoals in
wanneer |wil| je
wat op tafel
|zetten|?
(Broekhuis et al. 2015) merken op dat sprekers soms
verschillende oordelen hebben over de superioriteit van zinsdelen bij
meervoudige vragen. Zo zouden de beschreven tendenzen minder duidelijk
worden bij morfologisch complexe zinsdelen (welke gast in plaats van wie, et cetera). Meer onderzoek is nodig om hier definitievere
uitspraken over te kunnen doen.
Zinnen met een uitroepend voornaamwoord zijn uitroepende zinnen. Deze zinnen
hebben met vraagwoordvragen gemeen dat het element op de eerste zinsplaats
altijd een uitroepend voornaamwoord is of een zinsdeel dat zo'n woord bevat. Ook
hier komen vrijwel alle zinsdelen in aanmerking, al komt inbedding van het type wiens vriendin of over de problemen van welke gast, zoals besproken in (3) hier niet voor:
In deze voorbeelden is te zien dat het uitroepend voornaamwoord steeds deel
uitmaakt van een adjectivische of nominale constituent. De betekenis kan de
hoeveelheid of het aantal van het substantief benadrukken (gerechten in (5a)). In andere gevallen wordt de intensiviteit van een adjectief
benadrukt (voortreffelijk in (5e)) of een bepaalde eigenschap van een substantief (de overige
voorbeelden in (5)). Een enkele keer lijkt de intensiteit van het hoofdwerkwoord
te worden uitgelicht:
Bij dit soort zinnen valt op dat het hoofdwerkwoord niet samen met het uitroepend
voornaamwoord op de eerste zinsplaats kan staan (6b). Het vraag-antwoordpaar in
(6c-d) laat zien dat een hoofdwerkwoord bevraagd kan worden en op de eerste
zinsplaats kan worden gezet. Het is daarom voorstelbaar dat wat in (6a) eerder deel is van een adjectivische constituent (zoals
bijvoorbeeld wat lekker), waarvan het hoofd (lekker) niet wordt uitgedrukt.
De bovenstaande voorbeelden laten zien dat het element op de eerste zinsplaats
een deel van een zinsdeel kan zijn. Hieronder worden de
volgende gevallen besproken: afsplitsing van vragend en uitroepend wat, afsplitsing van het voornaamwoordelijk bijwoord waar en vragende/uitroepende (voornaam)woorden als onderdeel van een
afhankelijke zin.
Vragend en uitroepend
wat kunnen van een bevattende adjectivische of nominale constituent
worden afgesplitst. Wat staat daarbij op de eerste zinsplaats, terwijl de rest van de
adjectivische of nominale constituent in het middenstuk staat:
De adjectivische constituent wat gezellig worden gesplitst in (8b). Idem dito voor de nominale constituenten wat voor zinnigs in (7a), wat voor jongen in (7d) en wat een vervelende jongen in (8d). De zinsdelen in kwestie hebben verschillende functies:
direct object (wat voor zinnigs, wat voor jongen), bepaling van gesteldheid (wat gezellig) en naamwoordelijk deel van het gezegde (wat een vervelende jongen). Bij een indirect object blijkt afsplitsing van vragend wat onmogelijk:
Deze beperking geldt niet voor uitroepend wat, zoals blijkt uit (9d). Als de bevattende constituent de functie van
subject heeft, is afsplitsing van wat alleen mogelijk bij een niet-handelend subject:
Het handelende subject wat voor mensen in (10a-b) kan niet worden gesplitst. Het subject van de passieve
zinnen in (10c-d) is een logisch object en dus niet-handelend. Het subject in
(10e-f) is evenmin handelend. Extra vereisten voor splitsing lijken te zijn dat
het werkwoord onovergankelijk is en dat presentatief er aanwezig is:
De voorbeelden in (11a-b) zijn zowel met als zonder presentatief er onacceptabel, hoewel een zin als wat
een hoop studenten |beheersen| (er) computervaardigheden
|Ø| wel mogelijk is. De zinnen in (11c-d) worden
beter met presentatief er, als in wat |liep| er voor
menigte voorbij? Ten slotte kan nog worden
vermeld dat splitsing van wat niet mogelijk is bij dubbele inbedding. Dat is het geval indien de
bevattende nominale of adjectivische constituent zelf onderdeel is van een
andere constituent:
Het vragend/uitroepend voornaamwoord is in deze voorbeelden niet te isoleren van
de adpositieconstituent in wat voor/een cafés.
Ook het vragend voornaamwoordelijk bijwoord
waar maakt altijd deel uit van een adpositieconstituent. Het fungeert als
complement van de adpositie en kan ofwel samen met die adpositie, ofwel
zelfstandig op de eerste zinsplaats staan:
In (13b) staat waar gescheiden van de adpositie over op de eerste zinsplaats. In deze zin vervult waarover de functie van voorzetselobject. In (13d) is het voornaamwoordelijk
bijwoord gescheiden van op, waarmee het de functie van naamwoordelijk deel van het gezegde
vervult. Splitsing is in deze voorbeelden volledig facultatief, maar bij sommige
adposities is het min of meer verplicht. Het gaat daarbij om de combinaties met naartoe, heen, langs en vandaan:
Anders dan bij vragend/uitroepend wat is splitsing bij dubbele inbedding van het voornaamwoordelijk
bijwoord wel mogelijk:
Ten slotte is een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats soms
een onderdeel van een afhankelijke zin. Die
afhankelijke zin is zelf meestal het direct object zijn in een bevattende
zin:
Het direct object in deze zinnen is een afhankelijke vraagwoordvraag. De vraag
verlangt in (6a-b) geen antwoord van de aangesprokene, maar stelt dat de hoorder
het antwoord op die vraag zou kennen als hij of zij gehoord had wat 'ze' net
gezegd heeft. In (6c) staat het vragend voornaamwoord wat los van de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende
zin. De bevattende zin is nu een vraag naar de inhoud van wat 'we' volgens
'haar' morgen gaan doen. Enkele andere voorbeelden zijn:
Een beperking op dit soort constructies is dat de afhankelijke zin met dat moet beginnen. Het hoofdwerkwoord van het bevattende gezegde geeft
bovendien altijd een mening, verwachting, wens, gevoel en dergelijke te kennen.
Het gaat hier om zogeheten niet-factieve gezegdes, dat wil zeggen, gezegdes die
de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit vooronderstellen. Aangezien in
principe zowat elk denkbaar zinsdeel bevraagd kan worden, is het ook in dit
soort zinnen mogelijk verschillende zinsdelen te isoleren van de afhankelijke
zin. Zo gaat het in (7a) om het subject, in (7b) om het direct object, in (7c)
om een bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid en in (17d) om het
naamwoordelijk deel van het gezegde van de afhankelijke zin. De afhankelijke zin
zelf kan, behalve direct object, soms ook het subject of oorzakelijk object van
de bevattende zin zijn:
De afhankelijke zin wie |Ø| we echt eens moeten
uitnodigen is hier het grammaticale subject van
de bevattende zin, maar het is ook het logisch object. Het volgende voorbeeld
laat zien dat de afhankelijke zin ook zelf weer kan zijn ingebed in een andere
afhankelijke zin:
19Waarmee |zei| je
|Ø| [dat je laatst gehoord had [dat ze de demonstranten te lijf
gingen]]?
De bijwoordelijke bepaling van middel waarmee is in dit voorbeeld een zinsdeel van de afhankelijke vraag
waarmee |Ø| ze de demonstranten te lijf
|gingen|. Deze zin is zelf het direct object van
de afhankelijke zin |dat| je laatst |gehoord had|
..., die op zijn beurt weer het direct object is
van een onafhankelijke zin van zinstype 1a.
Uitroepend wat als zinsdeel van een afhankelijke zin
Verdieping
Uitroepend wat als zinsdeel van een afhankelijke zin
Ook bij uitroepende zinnen staat er soms een zinsdeel van een ingebedde
afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende zin:
Deze zinnen zijn niet heel erg natuurlijk, maar ze lijken ook niet
helemaal onacceptabel. Om die reden wordt hun status hier aangemerkt als
'twijfelachtig'.
(Broekhuis et al. 2015) bevat een uitgebreide
bespreking van dit fenomeen, onder verwijzing naar (Krijgsman 1983), (Corver 1990) en (Bennis 1998).
Van het vragende wat voor (een) als deel van een nominale of adjectivische constituent kan wat apart vooraan in de bevattende zin staan:
Ook een voornaamwoordelijk bijwoord kan zelfstandig op de eerste zinsplaats staan
terwijl de bijbehorende adpositie zich in een ingebedde afhankelijke zin
ophoudt:
De eerste zinsplaats in mededelende zinnen
Invulling van de eerste zinsplaats in mededelende zinnen is vrijer dan in
vragende en uitroepende zinnen. De volgende deelparagrafen behandelen de
verschillende mogelijkheden:
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
