21.4.1.4 Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats
In plaats van een volledig zinsdeel kan de eerste zinsplaats ook een deel van een
zinsdeel bevatten. Dit element kan een onderdeel zijn van het werkwoordelijk
gezegde, zoals een deelwoord, een infinitief (of twee) die normaal gesproken in
de tweede pool verschijnen: gesproken
|heb| ik Emma vandaag nog niet | |,
spreken |wil| ik haar in
ieder geval | |. Van een nominale constituent kan
in bepaalde gevallen alles behalve de determinator op de eerste zinsplaats
staan: problemen met de verbinding
|waren| er wel een paar |Ø|.
In deze voorbeelden staat er steeds een incomplete constituent op de eerste
zinsplaats.
Ook complete constituenten kunnen deel van een ander zinsdeel zijn en als zodanig
zelfstandig de eerste zinsplaats bezetten. Zo staat het complement van een
adpositie vaak in de vorm van een voornaamwoordelijk bijwoord op de eerste
zinsplaats: daar |wil| ik haar
dus over |spreken|. In
informele zinnen gebeurt dit ook met complementen in de vorm van een
substantivische nominale constituent: internetproblemen |hebben| we het
nog niet over |gehad|. Een
tweede mogelijkheid betreft een zinsdeel van een afhankelijke zin die zelf de
functie van direct object (lijdend voorwerp) vervult in de bevattende zin:
Emma |zei| ik |Ø| [dat ik
vandaag nog niet |gesproken heb|]. Deze
mogelijkheid bestaat alleen in gesproken Nederlands. Beide mogelijkheden zijn
sterk verwant met die van vragende (voornaam)woorden in vraagwoordvragen.
In een aantal gevallen lijkt de eerste zinsplaats door meer dan één zinsdeel te
worden bevolkt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het hoofdwerkwoord samen
met een aantal zinsdelen uit de rechterhelft van het middenstuk vlak voor de eerste
pool zijn opwachting maakt: [Emma] [gesproken]
[over haar internetproblemen] |heb| ik helaas nog niet |
|. De mogelijkheden van welke elementen hier
gecombineerd worden zijn niet willekeurig, en aangenomen wordt dan ook dat ook
hier een deel van een zinsdeel, namelijk de verbale constituent, op de eerste
zinsplaats staat. Iets soortgelijks lijkt zich voor te doen wanneer een inherent
zinsdeel en een bepaling voorop worden geplaatst, of twee bepalingen die samen
een kader in ruimte en/of tijd scheppen: [lekker]
[hierbij] |is| een Duitse witte wijn uit de Moezel
|Ø|, [aan de
Moezel], [in januari], |zijn| veel hotels nu eenmaal
gesloten |Ø|. Hier is steeds sprake van een soort
eenheid, ook al is niet duidelijk wat de aard van die eenheid is en of het om
een constituent gaat. In deze en andere gevallen zijn er goede redenen om aan te
nemen dat ook hier de eerste zinsplaats toegang biedt tot slechts één zinsdeel
of een deel daarvan.
In alle gevallen kan het element op de eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven of
juist extra nadruk krijgen, waardoor de zin het links-rechtsprincipe volgt of juist schendt. Hierin
lijken de mogelijkheden op die van het subject (onderwerp) en die van de meeste overige zinsdelen. Vooropplaatsing van een incomplete
constituent lijkt daarbij het meest op vooropplaatsing van inherente zinsdelen,
waarbij de resulterende volgorde altijd enigszins bijzonder is vergeleken met
een volgorde waarbij het betreffende element in het middenstuk of de tweede pool
staat.
Verder lezen
Delen van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats
In inversiezinnen met een werkwoordelijk gezegde kunnen delen van dat gezegde op
de eerste zinsplaats staan. In zinstype 1a staat de persoonsvorm (pv) per
definitie in de eerste pool. In de tweede pool staat de zogeheten
werkwoordelijke aanvulling, bestaande uit een of
meerdere infinitieven, een deelwoord of een combinatie daarvan (zie [21.1.1] Het polaire principe). Zo'n werkwoordelijke
aanvulling (of een deel ervan) kan de tweede pool verruilen voor de eerste
zinsplaats, zoals het voltooid deelwoord in (1):
Geen Ø in de lege tweede pool
Verdieping
Geen Ø in de lege tweede pool
De voorbeeldzinnen in dit hoofdstuk bevatten het symbool Ø om aan te
geven dat een pool leeg is. Bij de tweede pool is dit is het geval
als een zin geen werkwoordelijke aanvulling bevat. Bij de eerste
pool is dit het geval bij zinstype 2a, die per definitie een lege
eerste pool hebben. Gevallen zoals (1b) zijn anders: er is wel
degelijk een werkwoordelijke aanvulling en die kan probleemloos in
de tweede pool staan, zoals in (1a). Om dit verschil duidelijk te
maken gebruikt de ANS de aanduiding | | voor zinnen als die in (1a).
De volgende zinnen bevatten nog twee voorbeelden van een voltooid deelwoord op de
eerste zinsplaats:
Indien hersteld in (2b) geen speciale nadruk krijgt, kan die zin worden beschouwd als
een stilistische variant van (1a) met als effect dat z'n eigen fiets net iets prominenter uit de verf komt dan in (1a). In sommige
gevallen speelt dat effect geen rol doordat het informatief belangrijkste
zinsdeel zich op de laatste zinsplaats bevindt en dus al uiterst rechts in de
zin staat. Dit is het geval bij door bijvoorbeeld mossel- en oestertelers in (2c-d). Bij dit soort zinnen is er geen wezenlijk communicatief
verschil tussen de variant met het deelwoord in de tweede pool en die met het
deelwoord op de eerste zinsplaats.
Beperkte toegang tot de laatste zinsplaats
Verdieping
Beperkte toegang tot de laatste zinsplaats
Zoals beschreven wordt in paragraaf [21.6] De laatste zinsplaats is de laatste
zinsplaats nauwelijks toegankelijk voor nominale constituenten. Om
die reden kan z'n eigen fiets niet op de laatste zinsplaats staan:
iHij |heeft| natuurlijk alleen
|hersteld| z'n eigen
fiets.uitgesloten
De constructie met een deelwoord op de eerste zinsplaats kan ook nog gebruikt
worden als het hulpwerkwoord in de eerste pool als informatief belangrijk
element voorgesteld moet worden. In dat geval krijgt het hulpwerkwoord in de
eerste pool een sterk zinsaccent:
3Gelogen |héb| je | |, (dat weet ik
wel zeker.)
De tot nu toe besproken voorbeelden bevatten een voltooid
deelwoord. In journalistiek taalgebruik komen vaak zinnen voor met een
passief deelwoord op de eerste zinsplaats. Die zinnen
hebben vaak een afhankelijke dat-zin als subject, die verderop in de zin staat:
Dit soort zinnen heeft steeds een tegenhanger met een presentatief er, zoals er |wordt|
aan|genomen| dat de oud-politica vermoord is,
er |werd| |gewezen| op de eis tot onmiddellijke
intrekking van het besluit en
er |wordt| |verwacht| dat
de prijzen van tablets en laptops eind deze maand verder zullen
dalen. Beide constructies bereiken hetzelfde
effect, namelijk dat het subject, of zoals in de b-zin, een andere relatief
complexe constituent, aan het eind van de zin staat. Dit is in overeenstemming
met het zogeheten complexiteitsprincipe. Ook het links-rechts-principe
kan de constituent in kwestie naar rechts drijven als hij een hoge nieuwswaarde
heeft. De laatste zinsplaats is dan de aangewezen locatie, zoals uit de
voorbeelden in (4) blijkt. Als de zin geen andere zinsdelen bevat, is het
passief deelwoord het enige element dat de eerste zinsplaats kan bezetten.
Hoewel infinitieven minder vaak op de eerste zinsplaats staan dan deelwoorden,
zijn de mogelijkheden vergelijkbaar. Enkele voorbeelden zijn:
Ook hier geldt weer dat een infinitief op de eerste zinsplaats het effect heeft
dat een andere constituent het laatste zinsdeel wordt, en daardoor prominenter
voor het voetlicht wordt gebracht. Met speciale nadruk kan de infinitief zelf
deel uitmaken van de informatieve kern. Een ander effect kan weer zijn dat het
hulpwerkwoord in de eerste pool meer prominentie krijgt:
Bij hulpwerkwoorden (groepsvormende werkwoorden) die een infinitief met te als aanvulling vereisen is vooropplaatsing van de
infinitief nagenoeg beperkt tot durven en hoeven. Vooropplaatsing gaat meestal gepaard met het wegvallen van te. Dit wordt gedemonstreerd in de volgende voorbeelden:
Een bijzonder geval is het toevoegen van een vorm van omschrijvend doen in de tweede pool. Dit 'steunwerkwoord' verschijnt in de
standaardtaal alleen wanneer er een infinitief op de eerste zinsplaats
staat:
De voorbeelden in (8b/d) hebben een vorm van doen in de eerste pool, met als effect dat het hoofdwerkwoord op de eerste
zinsplaats kan staan. De voorbeelden in (8a/c), met doen in de eerste pool en het hoofdwerkwoord in de tweede pool, komen
alleen in Nederland in de informele taal voor. De enige standaardtalige
tegenhangers van deze informele zinnen zijn varianten zonder doen: die jongen |stal| echt nooit
|Ø| en hij |bijt| niet |Ø|,
hoor, mijn hondje!
Indien de werkwoordelijke aanvulling uit twee infinitieven bestaat, kunnen in
sommige gevallen die beide infinitieven op de eerste zinsplaats staan. De
volgende twee zinnen illustreren dit:
In de eerste zin is zien een zogeheten vervangende infinitief, de andere twee zinnen demonstreren
andersoortige combinaties. Het is vooralsnog niet duidelijk hoever de
mogelijkheden om twee infinitieven samen op de eerste zinsplaats aan te treffen,
reiken.
Één van beide infinitieven op de eerste zinsplaats, deelwoord in
plaats van vervangende infinitief
Verdieping
Één van beide infinitieven op de eerste zinsplaats, deelwoord in
plaats van vervangende infinitief
Een andere mogelijkheid bij sommige combinatietypes, maar niet bij de
voorbeelden in (9), is het voorkomen van slechts één van beide
infinitieven op de eerste zinsplaats. Bij die mogelijkheid staat het
hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn zingen in (i-b) en samenwerken in (ii-c):
Als het hoofdwerkwoord gecombineerd wordt met een vervangende
infinitief heeft vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord het effect
dat de die infinitief in de tweede pool als voltooid deelwoord
verschijnt. Dit wordt gedemonstreerd door gewild in de laatste zin.
Een nominale constituent zonder determinerend element op de eerste
zinsplaats
Als een zinsdeel de vorm heeft van een naamwoordelijke constituent, kan van die
constituent alles behalve het determinerende element op de eerste zinsplaats
voorkomen. De volgende zinnen illustreren dit:
Deze constructie klinkt los van een context niet bijzonder natuurlijk, maar kan
heel adequaat zijn in een gesprek dat over appels of pinguïns met jongen gaat. Als deze referenten prominent aanwezig zijn, kan de gesplitste
variant ervoor zorgen dat de zin naadloos aansluit bij het onderwerp, waarbij de
hoeveelheid appels of het aantal pinguïns met jongen speciale nadruk krijgt. Ook
hier geldt weer dat het deel van de nominale constituent op de eerste zinsplaats
onbeklemtoond kan blijven of juist voorzien kan worden van een zinsaccent.
Een adjectivische constituent zonder voorbepaling op de eerste
zinsplaats
Verdieping
Een adjectivische constituent zonder voorbepaling op de eerste
zinsplaats
Soortgelijke gevallen komen voor bij adjectivische constituenten
waarvan de voorbepaling in het middenstuk staat:
Het complement van een adpositie op de eerste zinsplaats
Nominale constituenten kunnen optreden als complement van een adpositie. Ze maken
daarbij deel uit van een adpositionele constituent. Elders is beschreven dat het
complement in de vorm van een vragend voornaamwoordelijk bijwoord zelfstandig op de
eerste zinsplaats kan staan, evenals een aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord:
De gegeven voorbeelden zijn varianten van de zin
waartegen/daartegen |is|
destijds veel protest |geweest|, waarin
voornaamwoordelijk bijwoord en adpositie gezamenlijk op de eerste zinsplaats
staan. Een aanwijzende voornaamwoordelijk bijwoord kan, behalve op de eerste
zinsplaats, ook in het middenstuk gesplitst van zijn adpositie voorkomen:
destijds |is| daar veel
protest tegen |geweest|.
Net als bij het vragende voornaamwoordelijk bijwoord komt bij dit soort gevallen
ook dubbele inbedding voor. Dit betekent dat het
voornaamwoordelijk bijwoord deel uitmaakt van een constituent die zelf weer een
onderdeel van een zinsdeel is:
12Hier |heeft|
hij [een groot deel [van]]
op|gegeten|.
In (12) is de adpositieconstituent hiervan geen zelfstandig zinsdeel. In plaats daarvan maakt hij deel uit van
het direct object (lijdend voorwerp) een groot deel hiervan. Niettemin is splitsing van de adpositieconstituent mogelijk.
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (3)
Verdieping
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (3)
Zoals reeds elders in deze paragraaf besproken blijft de eerste
zinsplaats in zinstype 1a soms leeg. Dit gebeurt alleen in informeel
taalgebruik. Een dergelijke zin kan alleen begrepen worden onder de
aanname dat er wel een element op de eerste zinsplaats staat. Dat
element ligt zo voor de hand dat het verzwegen wordt. Het verzwegen
element kan de functie van subject hebben of een ander zinsdeel dat normaliter de vorm zou
krijgen van een aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend
voornaamwoordelijk bijwoord of een bijwoord als dan/toen. Enkele voorbeelden met een aanwijzend voornaamwoordelijk
bijwoord zijn:
De voorbeelden in (i) worden begrepen met verwijzingen naar
respectievelijk dat, wiskunde en zijn kittens op de eerste zinsplaats. Deze zinsdelen kunnen worden
afgeleid uit de talige context. Indien ze wel worden vermeld,
krijgen ze de vorm van het aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord daar: daar |dacht|
je eigenlijk niet over,
daar |heb| ik
erg veel nut van |gehad|,
daar |is| hij
altijd al dol op |geweest|.
Ook in gevallen met dubbele inbedding zoals in (13) is het mogelijk
het voornaamwoordelijk bijwoord weg te laten:
ii(Heb je die taart gezien?) (...) |heeft|-ie na
ons vertrek [een groot deel [van]]
op|gegeten|.informeel
Ook als het complement van de adpositie een substantivische nominale constituent
is, kan die in sommige gevallen zelfstandig op de eerste zinsplaats staan. Dit
verschijnsel beperkt zich tot informeel taalgebruik:
Deze voorbeelden laten zien dat de bedoelde constructie voorkomt met
voorzetselobjecten (voorzetselvoorwerpen, (13b)), indirecte objecten (meewerkend
voorwerp et cetera, (13d)) en bijwoordelijke bepalingen (van plaats) (13f). Dat
niet alle bijwoordelijke bepalingen de constructie toelaten, bewijst een
onmogelijke zin als zondag |kun| je
toch niet op |gaan
dansen|.
Tot en met
Verdieping
Tot en met
Het voorzetsel met verschijnt bij dergelijke splitsingen in de vorm mee, tot treedt op als toe. De volgende zinsparen illustreren dit:
Een zinsdeel uit een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats
Een zinsdeel kan de vorm hebben van een afhankelijke zin. Behalve dat die zin als
geheel op de eerste zinsplaats kan staan, is het in spreektaal ook mogelijk een
constituent uit de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende
zin te plaatsen:
De afhankelijke zin dat we pas morgen naar Amsterdam
gaan is direct object in de bevattende zin. In
die hoedanigheid kan de zin als geheel op de eerste zinsplaats van die
bevattende zin staan (15b). Ook de constituent naar Amsterdam kan, los van de afhankelijke zin, de eerste zinsplaats van de
bevattende zin bezetten (15c). Ook dat roept hetzelfde contrast op, maar dan nog
specifieker gericht op de locatie waarvan de spreker gelooft dat die morgen niet
bereikt gaat worden. Bij dit soort constructies gelden de beperkingen zoals
besproken bij soortgelijke constructies met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats: de
afhankelijke zin begint met dat en heeft de functie van direct object. Het hoofdwerkwoord van de
bevattende zin geeft bovendien altijd een mening, verwachting, wens, gevoel en
dergelijke te kennen. Het gezegde is, met andere woorden, non-factief: het
presenteert de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit.
In (16) zijn Karel, tegen hem en de was respectievelijk indirect object, voorzetselobject en direct object
van de afhankelijke dat-zinnen, getuige de equivalenten ze |wist| niet
meer |Ø| dat ze Karel gisteren gemaild had en
ik |vind| |Ø| dat je zoiets gerust tegen hem kunt
zeggen. Zowat elke denkbare constituent binnen de
afhankelijke zin kan op deze manier apart van die zin vooraan in de bevattende
zin staan. Ook wanneer de afhankelijke zin zelf onderdeel is van een andere
afhankelijke zin, kan een zinsdeel uit de diepst ingebedde zin de eerste
zinsplaats van de hoogste bevattende zin bezetten:
Net zoals het geval is bij een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats kan
Emma in (17b) onderdeel zijn van de afhankelijke zin |dat|
hij Emma niet |wilde uitnodigen|, die op zijn
beurt weer bevat is in de afhankelijke zin |dat| je zei |Ø|
....
Subjectszin met dat
Verdieping
Subjectszin met dat
Een enkele keer kan een dergelijke constructie voorkomen bij een dat-zin die als subject fungeert, bijv. in het volgende geval
met een aanwijzend voornaamwoord op de eerste zinsplaats:
Meer dan één zinsdeel op de eerste zinsplaats?
In het algemeen wordt aangenomen dat de eerste zinsplaats hooguit één zinsdeel
kan bevatten. De voorbeelden in deze sectie lijken juist meer dan één zinsdeel
te bevatten. Zo kunnen verschillende zinsdelen een deel van het gezegde op de
eerste zinsplaats vergezellen:
In (17b) vergezelt het direct object drie boze e-mails het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats. Hierdoor komt de gezegdebepaling
uit frustratie als laatste zinsdeel prominenter naar voren. Dit zinsdeel kan ook mee
vooropgeplaatst worden, zoals in (17c), waar juist de complete handeling lijkt
te worden benadrukt. Hoewel de combinatiemogelijkheden hier op het eerste
gezicht misschien willekeurig lijken, blijkt dat niet zo te zijn:
Het voorbeeld in (18a) laat zien dat de gezegdebepaling niet samen met het
hoofdwerkwoord voorop kan staan als het direct object in het middenstuk staat.
In het voorbeeld in (18b) blijkt dit weer wel te kunnen. Dit heeft te maken met
het feit dat het direct object in dat voorbeeld niet aan de rechterkant van het middenstuk staat, maar aan de linkerkant, dat wil zeggen, links van de zinsbepaling
vermoedelijk. Die zinsbepaling kan zelf overigens niet mee vooropgeplaatst worden,
blijkens (18c). Zinsbepalingen vormen namelijk de overgang tussen de linkerhelft
en de rechterhelft van het middenstuk. Het indirect object Emma staat in (17) en (18) links van vermoedelijk en kan daardoor het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats niet
vergezellen. Dat dat wel mogelijk is wanneer het indirect object rechts van de
zinsbepaling staat, blijkt uit de volgende voorbeelden:
Het indirect object Emma's broertje staat in (19c-d) op de eerste zinsplaats, samen met andere elementen.
De volgorde waarin die elementen op de eerste zinsplaats staan is identiek aan
de volgorde van die elementen in de rechterhelft van het middenstuk (19a).
Hoewel het er sterk op lijkt dat de eerste zinsplaats in dit soort zinnen
verschillende zinsdelen bevat, is er ook hier sprake van een deel van een
zinsdeel. Dat zinsdeel is de verbale constituent, die elders
in de ANS immers gedefinieerd is als alle zinsdelen met uitzondering
van het subject. De voorbeelden suggereren dat het rechterdeel van het
middenstuk op de eerste zinsplaats kan staan. Van dat rechterdeel kunnen alleen
gezegdebepalingen eventueel in het middenstuk achterblijven.
Bij een gevulde laatste zinsplaats vergezelt het element dat rechts van
de tweede pool staat het hoofdwerkwoord, indien dat vooropgeplaatst
wordt:
De laatse zinsplaats bevat in (20a) een voorzetselobject (naar een nieuwe baan) en in (20b) een bijwoordelijke bepaling van plaats (binnen dit bedrijf). In beide gevallen moet dit zinsdeel het hoofdwerkwoord op de eerste
zinsplaats vergezellen. Dat de volgorde in (20f) niet volledig kan worden
uitgesloten ligt aan het feit dat de bepaling van plaats ook in de uitloop
kan staan. In dat geval maakt die constituent geen deel uit van de eigenlijke
zin en daarmee ook niet van de verbale constituent.
De voorbeelden in (20) demonstreren en passant dat het eerste deel van een
scheidbaar samengesteld (hoofd)werkwoord (hier het partikel uit) mee vooropgeplaatst moet worden. Hetzelfde geldt voor inherente
zinsdelen zoals carrière, hier een deel van een vaste verbinding. Inherente zinsdelen staan,
evenals bepaalde losstaande adposities zoals het genoemde partikel, in het
middenstuk verplicht vlak voor de tweede pool:
Een noodzakelijke bepaling (van maat, zie (21a)) en het niet-verbale deel van een
vaste verbinding (kandidaat in (21d)) zijn voorbeelden van inherente zinsdelen. Ze vergezellen
het hoofdwerkwoord verplicht bij vooropplaatsing. Bij verplicht wederkerende
werkwoorden blijkt dat het wederkerend voornaamwoord (zich in (21f)) ook meegaat naar de eerste zinsplaats, ook al staat het
normaliter niet in de rechterhelft van het middenstuk.
Een bijzondere vermelding waard is de bepaling van ontkenning niet, die in het middenstuk direct links van eventuele gezegdebepalingen
staat. Deze zinsbepaling kan, anders dan de overige zinsbepalingen, een
deelwoord op de eerste zinsplaats vergezellen. Dit gebeurt vaak in passieve
constructies van het volgende type:
Zoals reeds elders beschreven kan een inherent zinsdeel ook
zelfstandig op de eerste zinsplaats staan. Soms wordt zo'n zinsdeel vergezeld
door een bepaling:
In (23a) vormt hierbij een nadere bepaling van nieuw, in (23b-c) vormt het eerste element (respectievelijk het meest en gretig) een nadere bepaling bij het volgende element, zodat er telkens
sprake is van een soort eenheid. Wat de aard van die eenheid zou moeten zijn, is
vooralsnog niet duidelijk. Het lijkt ook hier iets te maken te hebben met de
verbale constituent of, in het geval van een naamwoordelijk gezegde, een
andersoortige eenheid die 'alle zinsdelen met uitzondering van het subject'
omvat. Het is dan ook geen toeval dat in dit soort zinnen het hoofdwerkwoord bij
voorkeur in de eerste pool staat.
In andere zinnen lijkt de eenheid die de zinsdelen op de eerste zinsplaats
vertonen van een andere aard te zijn. Zo komt het soms voor dat verschillende
bijwoordelijke bepalingen op de eerste zinsplaats dienst doen als kaderscheppend element. Zulke bepalingen kunnen samen
een algemeen kader in ruimte en/of tijd scheppen, waarin het in de rest van de
zin meegedeelde gesitueerd kan worden:
De elementen die samen op de eerste zinsplaats staan, kunnen respectievelijk
omschreven worden als 'vijf jaar geleden, toen hij in Saoedi-Arabië verbleef',
'morgen, als je aan de Zwarte Zee bent' en 'straks, als het zomer is'. De eerste
bepaling wordt daarbij nader gespecifieerd door de tweede, die als een soort
predicatieve nabepaling dienst lijkt te doen. Een dergelijke
analogie met nominale constituenten bevestigt de aanname dat de eerste
zinsplaats ruimte biedt aan hooguit één zinsdeel.
Met name in literaire teksten komen wel zinnen voor zoals in (25):
Het kader dat hier wordt geschapen gaat verder dan louter tijd- of
plaatsaanduidingen. Er wordt in dit soort constructies veelvuldig gebruik
gemaakt van bepalingen van gesteldheid, die worden toegevoegd aan een andere
bepaling (25a-c). In andere gevallen wordt er juist een bepaling toegevoegd aan
het subject (25d). Dat laatste wordt ook gedemonstreerd in de volgende
zinnen:
Dit soort zinnen wordt wel als anglicisme gezien en is daarom niet voor iedere
taalgebruiker acceptabel. De eenheid die de verschillende elementen op de eerste
zinsplaats in (24) vormen lijkt in (25) en (26) niet (altijd) aanwezig, hoewel
de combinatie van subject en bepaling opnieuw veel verwantschap vertoont met
naamwoordelijke constituenten die een predicatieve nabepaling bevatten. Een
andere mogelijke analyse is gebaseerd op intercalatie: het verschijnsel dat een zin onderbroken
wordt door een element zoals een tussenzin. Hierbij wordt de zin na de eerste
zinsplaats onderbroken voor één of meerdere terzijdes in de vorm van bepaling,
waarna de zin hernomen wordt met de eerste pool. Een dergelijke analyse lijkt in
het bijzonder van toepassing op de volgende gevallen:
In deze zinnen wordt het zinsdeel op de eerste plaats schijnbaar vergezeld door
een voegwoordelijk bijwoord zoals echter, immers, et cetera. De voegwoorden in dit type zin kunnen vaak niet zelfstandig op de eerste zinsplaats staan, althans
niet in de formele schrijftaal. Plaatsing in de aanloop of het middenstuk levert geen problemen op. In
voorbeelden zoals (27) kunnen ze als intercalatie worden gezien: een element dat
de zin onderbreekt tussen de eerste zinsplaats en de eerste pool. Die
onderbreking wordt niet per se door de bekende komma-intonatie uitgedrukt, al is
er wel een ander prosodisch effect: het zinsdeel op de eerste zinsplaats krijgt
nadruk. Dit blijkt uit het feit dat gereduceerde vormen van het persoonlijk
voornaamwoord niet op de eerste zinsplaats kunnen staan wanneer ze gevolgd
worden door een voegwoordelijk bijwoord:
De voorbeelden in deze sectie suggereren dat de hooguit-één-zinsdeeleis
geschonden kan worden. Er zijn echter goede redenen om aan te nemen dat dit niet
het geval is. Enerzijds dient rekening te worden gehouden met het feit dat alle
zinsdelen met uitzondering van het subject deel uitmaken van een verbale
constituent. Een deel van deze constituent kan op de eerste zinsplaats staan,
namelijk de elementen die in een alternatieve woordvolgorde rechts van de
zinsbepalingen in het middenstuk of op de laatste zinsplaats staan. Voor zinnen
met een naamwoordelijk gezegde dient dan een soortgelijke constituent te worden
verondersteld. Andere gevallen kunnen worden verklaard door aan te nemen dat de
eerste zinsplaats wordt bezet door een zinsdeel dat extra bepalingen als
predicatieve bepaling bevat. Ten slotte is er een verklaring denkbaar in termen
van intercalatie, waarbij de zin wordt onderbroken tussen de eerste zinsplaats
en de eerste pool. Definitieve beantwoording van de vraag in kwestie is
onderwerp van toekomstig onderzoek.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
