Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.4.1.4 Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats
In plaats van een volledig zinsdeel kan de eerste zinsplaats ook een deel van een zinsdeel bevatten. Dit element kan een onderdeel zijn van het werkwoordelijk gezegde, zoals een deelwoord, een infinitief (of twee) die normaal gesproken in de tweede pool verschijnen: gesproken |heb| ik Emma vandaag nog niet | |, spreken |wil| ik haar in ieder geval | |. Van een nominale constituent kan in bepaalde gevallen alles behalve de determinator op de eerste zinsplaats staan: problemen met de verbinding |waren| er wel een paar |Ø|. In deze voorbeelden staat er steeds een incomplete constituent op de eerste zinsplaats.
Ook complete constituenten kunnen deel van een ander zinsdeel zijn en als zodanig zelfstandig de eerste zinsplaats bezetten. Zo staat het complement van een adpositie vaak in de vorm van een voornaamwoordelijk bijwoord op de eerste zinsplaats: daar |wil| ik haar dus over |spreken|. In informele zinnen gebeurt dit ook met complementen in de vorm van een substantivische nominale constituent: internetproblemen |hebben| we het nog niet over |gehad|. Een tweede mogelijkheid betreft een zinsdeel van een afhankelijke zin die zelf de functie van direct object (lijdend voorwerp) vervult in de bevattende zin: Emma |zei| ik |Ø| [dat ik vandaag nog niet |gesproken heb|]. Deze mogelijkheid bestaat alleen in gesproken Nederlands. Beide mogelijkheden zijn sterk verwant met die van vragende (voornaam)woorden in vraagwoordvragen.
In een aantal gevallen lijkt de eerste zinsplaats door meer dan één zinsdeel te worden bevolkt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het hoofdwerkwoord samen met een aantal zinsdelen uit de rechterhelft van het middenstuk vlak voor de eerste pool zijn opwachting maakt: [Emma] [gesproken] [over haar internetproblemen] |heb| ik helaas nog niet | |. De mogelijkheden van welke elementen hier gecombineerd worden zijn niet willekeurig, en aangenomen wordt dan ook dat ook hier een deel van een zinsdeel, namelijk de verbale constituent, op de eerste zinsplaats staat. Iets soortgelijks lijkt zich voor te doen wanneer een inherent zinsdeel en een bepaling voorop worden geplaatst, of twee bepalingen die samen een kader in ruimte en/of tijd scheppen: [lekker] [hierbij] |is| een Duitse witte wijn uit de Moezel |Ø|, [aan de Moezel], [in januari], |zijn| veel hotels nu eenmaal gesloten |Ø|. Hier is steeds sprake van een soort eenheid, ook al is niet duidelijk wat de aard van die eenheid is en of het om een constituent gaat. In deze en andere gevallen zijn er goede redenen om aan te nemen dat ook hier de eerste zinsplaats toegang biedt tot slechts één zinsdeel of een deel daarvan.
In alle gevallen kan het element op de eerste zinsplaats onbeklemtoond blijven of juist extra nadruk krijgen, waardoor de zin het links-rechtsprincipe volgt of juist schendt. Hierin lijken de mogelijkheden op die van het subject (onderwerp) en die van de meeste overige zinsdelen. Vooropplaatsing van een incomplete constituent lijkt daarbij het meest op vooropplaatsing van inherente zinsdelen, waarbij de resulterende volgorde altijd enigszins bijzonder is vergeleken met een volgorde waarbij het betreffende element in het middenstuk of de tweede pool staat.
Verder lezen
Delen van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats
In inversiezinnen met een werkwoordelijk gezegde kunnen delen van dat gezegde op de eerste zinsplaats staan. In zinstype 1a staat de persoonsvorm (pv) per definitie in de eerste pool. In de tweede pool staat de zogeheten werkwoordelijke aanvulling, bestaande uit een of meerdere infinitieven, een deelwoord of een combinatie daarvan (zie [21.1.1] Het polaire principe). Zo'n werkwoordelijke aanvulling (of een deel ervan) kan de tweede pool verruilen voor de eerste zinsplaats, zoals het voltooid deelwoord in (1):
1a(Ik ben al lang op zoek naar dat boek, maar) ik |heb| het nog steeds niet |gevonden|.
b(Ik ben al lang op zoek naar dat boek, maar) gevonden |heb| ik het nog steeds niet | |.
Geen Ø in de lege tweede pool
Verdieping
Geen Ø in de lege tweede pool
De voorbeeldzinnen in dit hoofdstuk bevatten het symbool Ø om aan te geven dat een pool leeg is. Bij de tweede pool is dit is het geval als een zin geen werkwoordelijke aanvulling bevat. Bij de eerste pool is dit het geval bij zinstype 2a, die per definitie een lege eerste pool hebben. Gevallen zoals (1b) zijn anders: er is wel degelijk een werkwoordelijke aanvulling en die kan probleemloos in de tweede pool staan, zoals in (1a). Om dit verschil duidelijk te maken gebruikt de ANS de aanduiding | | voor zinnen als die in (1a).
Het voorbeeld in (1a) kan worden gebruikt als de nadruk ligt op nog steeds of op gevonden. De volgorde in (1b) kan worden gebruikt om nog steeds prominenter te maken of om gevonden extra nadruk te geven, bijvoorbeeld om het contrast met het op zoek zijn te onderstrepen. Net als bij het subject (onderwerp) en de meeste andere zinsdelen geldt dat zinnen met (een deel van) de werkwoordelijke aanvulling op de eerste zinsplaats het links-rechts-principe kunnen schenden. Hoewel dit soort zinnen allerminst ongebruikelijk is en in een bepaalde context heel adequaat kan zijn, wijkt deze volgorde toch steeds af van het gewone zinspatroon met de werkwoordelijke aanvulling in de tweede pool. In dat opzicht lijken zinnen met de volgorde van (1b) op zinnen met een inherent zinsdeel op de eerste zinsplaats.
De volgende zinnen bevatten nog twee voorbeelden van een voltooid deelwoord op de eerste zinsplaats:
2Een (voltooid) deelwoord op de eerste zinsplaats
a(Jan had beloofd dat hij al onze fietsen nog dit weekeinde zou herstellen, maar wat dacht je?) Hij |heeft| natuurlijk alleen z'n eigen fiets |hersteld|.
bHersteld |heeft| hij natuurlijk alleen z'n eigen fiets | |.
c(Het Oosterscheldegebied is rijk aan voedsel.) Er |wordt| niet alleen |geoogst| door de talloze dieren in de Oosterschelde, er |wordt| ook |geoogst| door bijvoorbeeld mossel- en oestertelers.
dGeoogst |wordt| er niet alleen door de talloze dieren in de Oosterschelde, geoogst |wordt| er ook | | door bijvoorbeeld mossel- en oestertelers.
Indien hersteld in (2b) geen speciale nadruk krijgt, kan die zin worden beschouwd als een stilistische variant van (1a) met als effect dat z'n eigen fiets net iets prominenter uit de verf komt dan in (1a). In sommige gevallen speelt dat effect geen rol doordat het informatief belangrijkste zinsdeel zich op de laatste zinsplaats bevindt en dus al uiterst rechts in de zin staat. Dit is het geval bij door bijvoorbeeld mossel- en oestertelers in (2c-d). Bij dit soort zinnen is er geen wezenlijk communicatief verschil tussen de variant met het deelwoord in de tweede pool en die met het deelwoord op de eerste zinsplaats.
Beperkte toegang tot de laatste zinsplaats
Verdieping
Beperkte toegang tot de laatste zinsplaats
Zoals beschreven wordt in paragraaf [21.6] De laatste zinsplaats is de laatste zinsplaats nauwelijks toegankelijk voor nominale constituenten. Om die reden kan z'n eigen fiets niet op de laatste zinsplaats staan:
iHij |heeft| natuurlijk alleen |hersteld| z'n eigen fiets.uitgesloten
De constructie met een deelwoord op de eerste zinsplaats kan ook nog gebruikt worden als het hulpwerkwoord in de eerste pool als informatief belangrijk element voorgesteld moet worden. In dat geval krijgt het hulpwerkwoord in de eerste pool een sterk zinsaccent:
3Gelogen |héb| je | |, (dat weet ik wel zeker.)
De tot nu toe besproken voorbeelden bevatten een voltooid deelwoord. In journalistiek taalgebruik komen vaak zinnen voor met een passief deelwoord op de eerste zinsplaats. Die zinnen hebben vaak een afhankelijke dat-zin als subject, die verderop in de zin staat:
4Een (passief) deelwoord op de eerste zinsplaats
aAangenomen |wordt| | | dat de oud-politica vermoord is.
bGewezen |werd| op de eis tot onmiddellijke intrekking van het besluit | |.
cVerwacht |wordt| | | dat de prijzen van tablets en laptops eind deze maand verder zullen dalen.
Dit soort zinnen heeft steeds een tegenhanger met een presentatief er, zoals er |wordt| aan|genomen| dat de oud-politica vermoord is, er |werd| |gewezen| op de eis tot onmiddellijke intrekking van het besluit en er |wordt| |verwacht| dat de prijzen van tablets en laptops eind deze maand verder zullen dalen. Beide constructies bereiken hetzelfde effect, namelijk dat het subject, of zoals in de b-zin, een andere relatief complexe constituent, aan het eind van de zin staat. Dit is in overeenstemming met het zogeheten complexiteitsprincipe. Ook het links-rechts-principe kan de constituent in kwestie naar rechts drijven als hij een hoge nieuwswaarde heeft. De laatste zinsplaats is dan de aangewezen locatie, zoals uit de voorbeelden in (4) blijkt. Als de zin geen andere zinsdelen bevat, is het passief deelwoord het enige element dat de eerste zinsplaats kan bezetten.
Hoewel infinitieven minder vaak op de eerste zinsplaats staan dan deelwoorden, zijn de mogelijkheden vergelijkbaar. Enkele voorbeelden zijn:
5Een infinitief op de eerste zinsplaats
a(Hij kan nog wel praten, maar) zingen |kan| hij nauwelijks nog | |.
bDansen |wil| hij nooit | |.
cAan het tuinieren |is| Max al uren | |.
Ook hier geldt weer dat een infinitief op de eerste zinsplaats het effect heeft dat een andere constituent het laatste zinsdeel wordt, en daardoor prominenter voor het voetlicht wordt gebracht. Met speciale nadruk kan de infinitief zelf deel uitmaken van de informatieve kern. Een ander effect kan weer zijn dat het hulpwerkwoord in de eerste pool meer prominentie krijgt:
6aAanvaarden |zúl| je 't | |!
bWerken |móet| je | |, (of je dat nu leuk vindt of niet.)
Bij hulpwerkwoorden (groepsvormende werkwoorden) die een infinitief met te als aanvulling vereisen is vooropplaatsing van de infinitief nagenoeg beperkt tot durven en hoeven. Vooropplaatsing gaat meestal gepaard met het wegvallen van te. Dit wordt gedemonstreerd in de volgende voorbeelden:
7Verdwijnen van te bij een infinitief op de eerste zinsplaats
aHij |durfde| nauwelijks iets |te zeggen|.
bZeggen |durfde| hij nauwelijks iets | |.
cJe |hoeft hier gelukkig niet al te hard |te werken|.
dWerken |hoef| je hier gelukkig niet al te hard | |.
Een bijzonder geval is het toevoegen van een vorm van omschrijvend doen in de tweede pool. Dit 'steunwerkwoord' verschijnt in de standaardtaal alleen wanneer er een infinitief op de eerste zinsplaats staat:
8Verschijnen van doen bij een infinitief op de eerste zinsplaats
aDie jongen |deed| anders nooit |stelen|.Nederlands-Nederlands, informeel
bStelen |deed| die jongen anders nooit | |.
cHij |doet| echt niet |bijten|, hoor, mijn hondje!Nederlands-Nederlands, informeel
dBijten |doet| hij echt niet | |, hoor, mijn hondje!
De voorbeelden in (8b/d) hebben een vorm van doen in de eerste pool, met als effect dat het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats kan staan. De voorbeelden in (8a/c), met doen in de eerste pool en het hoofdwerkwoord in de tweede pool, komen alleen in Nederland in de informele taal voor. De enige standaardtalige tegenhangers van deze informele zinnen zijn varianten zonder doen: die jongen |stal| echt nooit |Ø| en hij |bijt| niet |Ø|, hoor, mijn hondje!
Indien de werkwoordelijke aanvulling uit twee infinitieven bestaat, kunnen in sommige gevallen die beide infinitieven op de eerste zinsplaats staan. De volgende twee zinnen illustreren dit:
9Twee infinitieven op de eerste zinsplaats
aZien lachen |heb| ik hem nog nooit | |.
bBlijven wachten |zou| ik niet | |, als ik u was.
c(Als zij een leuke tas in de aanbieding ziet, wil ze die meteen kopen.) Laten liggen |kan| ze zoiets niet | |.
In de eerste zin is zien een zogeheten vervangende infinitief, de andere twee zinnen demonstreren andersoortige combinaties. Het is vooralsnog niet duidelijk hoever de mogelijkheden om twee infinitieven samen op de eerste zinsplaats aan te treffen, reiken.
Één van beide infinitieven op de eerste zinsplaats, deelwoord in plaats van vervangende infinitief
Verdieping
Één van beide infinitieven op de eerste zinsplaats, deelwoord in plaats van vervangende infinitief
Een andere mogelijkheid bij sommige combinatietypes, maar niet bij de voorbeelden in (9), is het voorkomen van slechts één van beide infinitieven op de eerste zinsplaats. Bij die mogelijkheid staat het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats. Voorbeelden zijn zingen in (i-b) en samenwerken in (ii-c):
ia(Ik geloof best dat je wilt zingen, maar) je |moet| eerst |kúnnen zingen|!
b(Ik geloof best dat je wilt zingen, maar) zingen |moet| je eerst |kúnnen|!
iia(Frans was altijd bereid om te adviseren, maar) hij |heeft| nooit |willen samenwerken|.
b(Frans was altijd bereid om te adviseren, maar) willen samenwerken |heeft| hij nooit.
c(Frans was altijd bereid om te adviseren, maar) samenwerken |heeft| hij nooit |gewild|.
Als het hoofdwerkwoord gecombineerd wordt met een vervangende infinitief heeft vooropplaatsing van het hoofdwerkwoord het effect dat de die infinitief in de tweede pool als voltooid deelwoord verschijnt. Dit wordt gedemonstreerd door gewild in de laatste zin.
Een nominale constituent zonder determinerend element op de eerste zinsplaats
Als een zinsdeel de vorm heeft van een naamwoordelijke constituent, kan van die constituent alles behalve het determinerende element op de eerste zinsplaats voorkomen. De volgende zinnen illustreren dit:
10Een nominale constituent zonder determinerend element op de eerste zinsplaats
aIk |heb| al heel wat appels |verkocht|, (maar er zijn er nog wel wat over, hoor.)
bAppels |heb| ik al heel wat |verkocht|, (maar er zijn er nog wel wat over, hoor.)
cIk |heb| een heleboel pinguïns met jongen |gezien| aan de Zuidpool.
dPinguïns met jongen |heb| ik een heleboel |gezien| aan de Zuidpool.
Deze constructie klinkt los van een context niet bijzonder natuurlijk, maar kan heel adequaat zijn in een gesprek dat over appels of pinguïns met jongen gaat. Als deze referenten prominent aanwezig zijn, kan de gesplitste variant ervoor zorgen dat de zin naadloos aansluit bij het onderwerp, waarbij de hoeveelheid appels of het aantal pinguïns met jongen speciale nadruk krijgt. Ook hier geldt weer dat het deel van de nominale constituent op de eerste zinsplaats onbeklemtoond kan blijven of juist voorzien kan worden van een zinsaccent.
Een adjectivische constituent zonder voorbepaling op de eerste zinsplaats
Verdieping
Een adjectivische constituent zonder voorbepaling op de eerste zinsplaats
Soortgelijke gevallen komen voor bij adjectivische constituenten waarvan de voorbepaling in het middenstuk staat:
ia(Weet je echt zeker dat die nieuwe tafel dezelfde afmetingen heeft als de vorige? Is-ie even breed? Is-ie niet hoger?) Nou ja, hij |is| misschien een klein beetje hoger |Ø|.
bNou ja, hoger |is|-ie misschien een klein beetje |Ø|.
Het complement van een adpositie op de eerste zinsplaats
Nominale constituenten kunnen optreden als complement van een adpositie. Ze maken daarbij deel uit van een adpositionele constituent. Elders is beschreven dat het complement in de vorm van een vragend voornaamwoordelijk bijwoord zelfstandig op de eerste zinsplaats kan staan, evenals een aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord:
11Een voornaamwoordelijk bijwoord op de eerste zinsplaats
aWaar |is| destijds veel protest tegen |geweest|?
bDaar |is| destijds veel protest tegen |geweest|.
De gegeven voorbeelden zijn varianten van de zin waartegen/daartegen |is| destijds veel protest |geweest|, waarin voornaamwoordelijk bijwoord en adpositie gezamenlijk op de eerste zinsplaats staan. Een aanwijzende voornaamwoordelijk bijwoord kan, behalve op de eerste zinsplaats, ook in het middenstuk gesplitst van zijn adpositie voorkomen: destijds |is| daar veel protest tegen |geweest|.
Net als bij het vragende voornaamwoordelijk bijwoord komt bij dit soort gevallen ook dubbele inbedding voor. Dit betekent dat het voornaamwoordelijk bijwoord deel uitmaakt van een constituent die zelf weer een onderdeel van een zinsdeel is:
12Hier |heeft| hij [een groot deel [van]] op|gegeten|.
In (12) is de adpositieconstituent hiervan geen zelfstandig zinsdeel. In plaats daarvan maakt hij deel uit van het direct object (lijdend voorwerp) een groot deel hiervan. Niettemin is splitsing van de adpositieconstituent mogelijk.
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (3)
Verdieping
Weglating van het zinsdeel op de eerste zinsplaats (3)
Zoals reeds elders in deze paragraaf besproken blijft de eerste zinsplaats in zinstype 1a soms leeg. Dit gebeurt alleen in informeel taalgebruik. Een dergelijke zin kan alleen begrepen worden onder de aanname dat er wel een element op de eerste zinsplaats staat. Dat element ligt zo voor de hand dat het verzwegen wordt. Het verzwegen element kan de functie van subject hebben of een ander zinsdeel dat normaliter de vorm zou krijgen van een aanwijzend voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord of een bijwoord als dan/toen. Enkele voorbeelden met een aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord zijn:
ia(Dat kwam eenvoudig niet voor.) (...) |Dacht| je eigenlijk nooit over na|Ø|.informeel
b(Wiskunde vond ik altijd al erg boeiend.) (...) |heb| ik erg veel nut van |gehad|.informeel
c(Heb je Karel weer met zijn kittens!) (...) |is| hij altijd al dol op |geweest|.informeel
De voorbeelden in (i) worden begrepen met verwijzingen naar respectievelijk dat, wiskunde en zijn kittens op de eerste zinsplaats. Deze zinsdelen kunnen worden afgeleid uit de talige context. Indien ze wel worden vermeld, krijgen ze de vorm van het aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord daar: daar |dacht| je eigenlijk niet over, daar |heb| ik erg veel nut van |gehad|, daar |is| hij altijd al dol op |geweest|.
Ook in gevallen met dubbele inbedding zoals in (13) is het mogelijk het voornaamwoordelijk bijwoord weg te laten:
ii(Heb je die taart gezien?) (...) |heeft|-ie na ons vertrek [een groot deel [van]] op|gegeten|.informeel
Ook als het complement van de adpositie een substantivische nominale constituent is, kan die in sommige gevallen zelfstandig op de eerste zinsplaats staan. Dit verschijnsel beperkt zich tot informeel taalgebruik:
13aOp kinderen |is| ze gek |Ø|.
bKinderen |is| ze gek op |Ø|.informeel
cAan zulke stoute kinderen |moet| je maar niet te veel snoep |geven|.
dZulke stoute kinderen |moet| je maar niet te veel snoep aan |geven|.informeel
eIn zo'n drukke straat |zou| ik beslist niet |willen wonen|.
fZo'n drukke straat |zou| ik beslist niet in |willen wonen|.informeel
Deze voorbeelden laten zien dat de bedoelde constructie voorkomt met voorzetselobjecten (voorzetselvoorwerpen, (13b)), indirecte objecten (meewerkend voorwerp et cetera, (13d)) en bijwoordelijke bepalingen (van plaats) (13f). Dat niet alle bijwoordelijke bepalingen de constructie toelaten, bewijst een onmogelijke zin als zondag |kun| je toch niet op |gaan dansen|.
Tot en met
Verdieping
Tot en met
Het voorzetsel met verschijnt bij dergelijke splitsingen in de vorm mee, tot treedt op als toe. De volgende zinsparen illustreren dit:
iaMet dat meisje |zou| ze wel eens |willen dansen|.
bDat meisje |zou| ze wel eens mee |willen dansen|.informeel
iiaTot relativeren |was| hij niet in staat |Ø|.
bRelativeren |was| hij niet toe in staat |Ø|.informeel
Een zinsdeel uit een afhankelijke zin op de eerste zinsplaats
Een zinsdeel kan de vorm hebben van een afhankelijke zin. Behalve dat die zin als geheel op de eerste zinsplaats kan staan, is het in spreektaal ook mogelijk een constituent uit de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de bevattende zin te plaatsen:
14aIk |geloof| niet |Ø| [dat we morgen naar Amsterdam gaan].
b[Dat we morgen naar Amsterdam gaan] |geloof| ik niet |Ø|.
cNaar Amsterdam |geloof| ik niet |Ø| [dat we morgen gaan].informeel
De afhankelijke zin dat we pas morgen naar Amsterdam gaan is direct object in de bevattende zin. In die hoedanigheid kan de zin als geheel op de eerste zinsplaats van die bevattende zin staan (15b). Ook de constituent naar Amsterdam kan, los van de afhankelijke zin, de eerste zinsplaats van de bevattende zin bezetten (15c). Ook dat roept hetzelfde contrast op, maar dan nog specifieker gericht op de locatie waarvan de spreker gelooft dat die morgen niet bereikt gaat worden. Bij dit soort constructies gelden de beperkingen zoals besproken bij soortgelijke constructies met een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats: de afhankelijke zin begint met dat en heeft de functie van direct object. Het hoofdwerkwoord van de bevattende zin geeft bovendien altijd een mening, verwachting, wens, gevoel en dergelijke te kennen. Het gezegde is, met andere woorden, non-factief: het presenteert de inhoud van de afhankelijke zin niet als feit.
15Een constituent uit een afhankelijke dat-zin op de eerste zinsplaats
aKarel |wist| ze niet meer |Ø| [dat ze gisteren gemaild had].informeel
bTegen hem |vind| ik |Ø| [dat je zoiets gerust kunt zeggen].informeel
cDe was |denk| ik niet |Ø| [dat ik vandaag nog doe].informeel
In (16) zijn Karel, tegen hem en de was respectievelijk indirect object, voorzetselobject en direct object van de afhankelijke dat-zinnen, getuige de equivalenten ze |wist| niet meer |Ø| dat ze Karel gisteren gemaild had en ik |vind| |Ø| dat je zoiets gerust tegen hem kunt zeggen. Zowat elke denkbare constituent binnen de afhankelijke zin kan op deze manier apart van die zin vooraan in de bevattende zin staan. Ook wanneer de afhankelijke zin zelf onderdeel is van een andere afhankelijke zin, kan een zinsdeel uit de diepst ingebedde zin de eerste zinsplaats van de hoogste bevattende zin bezetten:
16aIk |dacht| net |Ø| [dat je zei [dat hij Emma niet wilde uitnodigen]]?
bEmma |dacht| ik net |Ø| [dat je zei [dat hij niet wilde uitnodigen]]?informeel
Net zoals het geval is bij een vragend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats kan Emma in (17b) onderdeel zijn van de afhankelijke zin |dat| hij Emma niet |wilde uitnodigen|, die op zijn beurt weer bevat is in de afhankelijke zin |dat| je zei |Ø| ....
Subjectszin met dat
Verdieping
Subjectszin met dat
Een enkele keer kan een dergelijke constructie voorkomen bij een dat-zin die als subject fungeert, bijv. in het volgende geval met een aanwijzend voornaamwoord op de eerste zinsplaats:
iaHet |dunkt| me |Ø| [dat dit onjuist is].
bDit |dunkt| me |Ø| [dat onjuist is].informeel
Meer dan één zinsdeel op de eerste zinsplaats?
In het algemeen wordt aangenomen dat de eerste zinsplaats hooguit één zinsdeel kan bevatten. De voorbeelden in deze sectie lijken juist meer dan één zinsdeel te bevatten. Zo kunnen verschillende zinsdelen een deel van het gezegde op de eerste zinsplaats vergezellen:
17Meer dan een deel van het gezegde op de eerste zinsplaats
aKarel |heeft| Emma vermoedelijk uit frustratie drie boze e-mails |gestuurd|.
b[Drie boze e-mails] [gestuurd] |heeft| Karel Emma vermoedelijk uit frustratie | |.
c[Drie boze e-mails] [gestuurd] [uit frustratie] |heeft| Karel Emma vermoedelijk | |.
In (17b) vergezelt het direct object drie boze e-mails het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats. Hierdoor komt de gezegdebepaling uit frustratie als laatste zinsdeel prominenter naar voren. Dit zinsdeel kan ook mee vooropgeplaatst worden, zoals in (17c), waar juist de complete handeling lijkt te worden benadrukt. Hoewel de combinatiemogelijkheden hier op het eerste gezicht misschien willekeurig lijken, blijkt dat niet zo te zijn:
18a[Gestuurd] [uit frustratie] |heeft| Karel Emma vermoedelijk [drie boze e-mails] | |. uitgesloten
b[Gestuurd] [uit frustratie] |heeft| Karel Emma die drie boze e-mails vermoedelijk | |.
c[Vermoedelijk] [gestuurd] [uit frustratie] |heeft| Karel Emma die drie boze e-mails | |. uitgesloten
Het voorbeeld in (18a) laat zien dat de gezegdebepaling niet samen met het hoofdwerkwoord voorop kan staan als het direct object in het middenstuk staat. In het voorbeeld in (18b) blijkt dit weer wel te kunnen. Dit heeft te maken met het feit dat het direct object in dat voorbeeld niet aan de rechterkant van het middenstuk staat, maar aan de linkerkant, dat wil zeggen, links van de zinsbepaling vermoedelijk. Die zinsbepaling kan zelf overigens niet mee vooropgeplaatst worden, blijkens (18c). Zinsbepalingen vormen namelijk de overgang tussen de linkerhelft en de rechterhelft van het middenstuk. Het indirect object Emma staat in (17) en (18) links van vermoedelijk en kan daardoor het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats niet vergezellen. Dat dat wel mogelijk is wanneer het indirect object rechts van de zinsbepaling staat, blijkt uit de volgende voorbeelden:
19aKarel |heeft| vermoedelijk ook uit frustratie Emma's broertje drie boze e-mails |gestuurd|.
b[Drie boze e-mails] [gestuurd] |heeft| Karel vermoedelijk ook uit frustratie [Emma's broertje] | |.twijfelachtig
c[Emma's broertje] [drie boze e-mails] [gestuurd] |heeft| Karel vermoedelijk ook uit frustratie | |.
d[Uit frustratie] [Emma's broertje] [drie boze e-mails] [gestuurd] |heeft| Karel vermoedelijk ook | |.
Het indirect object Emma's broertje staat in (19c-d) op de eerste zinsplaats, samen met andere elementen. De volgorde waarin die elementen op de eerste zinsplaats staan is identiek aan de volgorde van die elementen in de rechterhelft van het middenstuk (19a).
Hoewel het er sterk op lijkt dat de eerste zinsplaats in dit soort zinnen verschillende zinsdelen bevat, is er ook hier sprake van een deel van een zinsdeel. Dat zinsdeel is de verbale constituent, die elders in de ANS immers gedefinieerd is als alle zinsdelen met uitzondering van het subject. De voorbeelden suggereren dat het rechterdeel van het middenstuk op de eerste zinsplaats kan staan. Van dat rechterdeel kunnen alleen gezegdebepalingen eventueel in het middenstuk achterblijven.
Bij een gevulde laatste zinsplaats vergezelt het element dat rechts van de tweede pool staat het hoofdwerkwoord, indien dat vooropgeplaatst wordt:
20aKarel |zal| niet zo snel uit| durven kijken| naar een nieuwe baan.
bKarel |zal| niet gauw carrière |kunnen maken| binnen dit bedrijf.
c[Uitkijken] [naar een nieuwe baan] |zal| Karel niet zo snel |durven|.
d[Carrière] [maken] [binnen dit bedrijf] |zal| Karel niet gauw |kunnen|.
e[Uitkijken] |zal| Karel niet zo snel |durven| [naar een nieuwe baan].uitgesloten
f[Carrière] [maken] |zal| Karel niet gauw |kunnen| [binnen dit bedrijf].# unacceptableWithIntendedReading
De laatse zinsplaats bevat in (20a) een voorzetselobject (naar een nieuwe baan) en in (20b) een bijwoordelijke bepaling van plaats (binnen dit bedrijf). In beide gevallen moet dit zinsdeel het hoofdwerkwoord op de eerste zinsplaats vergezellen. Dat de volgorde in (20f) niet volledig kan worden uitgesloten ligt aan het feit dat de bepaling van plaats ook in de uitloop kan staan. In dat geval maakt die constituent geen deel uit van de eigenlijke zin en daarmee ook niet van de verbale constituent.
De voorbeelden in (20) demonstreren en passant dat het eerste deel van een scheidbaar samengesteld (hoofd)werkwoord (hier het partikel uit) mee vooropgeplaatst moet worden. Hetzelfde geldt voor inherente zinsdelen zoals carrière, hier een deel van een vaste verbinding. Inherente zinsdelen staan, evenals bepaalde losstaande adposities zoals het genoemde partikel, in het middenstuk verplicht vlak voor de tweede pool:
21aDie zak appels |zal| straks een kilo of 2 |wegen|.
b[Wegen] |zal| die zak appels straks een kilo of 2 | |.uitgesloten
c[Een kilo of twee] [wegen] |zal| die zak appels straks | |.
dZij |wilde| zich uiteindelijk toch wel weer kandidaat |stellen| voor die burgemeestersfunctie.
e[Stellen] [voor die burgemeestersfunctie] |wilde| zij zich uiteindelijk toch wel weer kandidaat | |. uitgesloten
f[Zich] [kanditaat] [stellen] [voor die burgemeestersfunctie] |wilde| ze uiteindelijk toch wel weer | |.
Een noodzakelijke bepaling (van maat, zie (21a)) en het niet-verbale deel van een vaste verbinding (kandidaat in (21d)) zijn voorbeelden van inherente zinsdelen. Ze vergezellen het hoofdwerkwoord verplicht bij vooropplaatsing. Bij verplicht wederkerende werkwoorden blijkt dat het wederkerend voornaamwoord (zich in (21f)) ook meegaat naar de eerste zinsplaats, ook al staat het normaliter niet in de rechterhelft van het middenstuk.
Een bijzondere vermelding waard is de bepaling van ontkenning niet, die in het middenstuk direct links van eventuele gezegdebepalingen staat. Deze zinsbepaling kan, anders dan de overige zinsbepalingen, een deelwoord op de eerste zinsplaats vergezellen. Dit gebeurt vaak in passieve constructies van het volgende type:
22aNiet vermeld |werden| de namen van de gezakte studenten | |.
bNiet in dit overzicht opgenomen |zijn| de projecten die extern gefinancierd worden | |.
Zoals reeds elders beschreven kan een inherent zinsdeel ook zelfstandig op de eerste zinsplaats staan. Soms wordt zo'n zinsdeel vergezeld door een bepaling:
23Een inherent zinsdeel-met-bepaling op de eerste zinsplaats
aNieuw hierbij |was| het verschijnsel van de supranationale politiek |Ø|.
bHet meest in het oog |sprongen| de demonstraties van twee groepen boeren uit het noorden van China |Ø|.
cGretig aftrek |vinden| aan het eind van de dag de afgeprijsde broodjes en gebakjes |Ø| die de dag erop niet meer kunnen worden verkocht.
In (23a) vormt hierbij een nadere bepaling van nieuw, in (23b-c) vormt het eerste element (respectievelijk het meest en gretig) een nadere bepaling bij het volgende element, zodat er telkens sprake is van een soort eenheid. Wat de aard van die eenheid zou moeten zijn, is vooralsnog niet duidelijk. Het lijkt ook hier iets te maken te hebben met de verbale constituent of, in het geval van een naamwoordelijk gezegde, een andersoortige eenheid die 'alle zinsdelen met uitzondering van het subject' omvat. Het is dan ook geen toeval dat in dit soort zinnen het hoofdwerkwoord bij voorkeur in de eerste pool staat.
In andere zinnen lijkt de eenheid die de zinsdelen op de eerste zinsplaats vertonen van een andere aard te zijn. Zo komt het soms voor dat verschillende bijwoordelijke bepalingen op de eerste zinsplaats dienst doen als kaderscheppend element. Zulke bepalingen kunnen samen een algemeen kader in ruimte en/of tijd scheppen, waarin het in de rest van de zin meegedeelde gesitueerd kan worden:
24Meerdere bepalingen als kaderscheppend element op de eerste zinsplaats
aVijf jaar geleden, in Saoedi-Arabië, |heeft| hij z'n vrouw |leren kennen|.
bMorgen, aan de Zwarte Zee, |kun| je lekker |beginnen te luieren|.
cStraks, in de zomer, |loopt| in de duinen de temperatuur 's middags tot zo'n 30 graden Celsius op |Ø|.
De elementen die samen op de eerste zinsplaats staan, kunnen respectievelijk omschreven worden als 'vijf jaar geleden, toen hij in Saoedi-Arabië verbleef', 'morgen, als je aan de Zwarte Zee bent' en 'straks, als het zomer is'. De eerste bepaling wordt daarbij nader gespecifieerd door de tweede, die als een soort predicatieve nabepaling dienst lijkt te doen. Een dergelijke analogie met nominale constituenten bevestigt de aanname dat de eerste zinsplaats ruimte biedt aan hooguit één zinsdeel.
Met name in literaire teksten komen wel zinnen voor zoals in (25):
25Meerdere bepalingen op de eerste zinsplaats: literaire teksten
a(Maar) 's anderendaags, weer nuchter, weer op kantoor, lopend in de tredmolen van het dagelijks werk, |waren| ze weer vijanden |Ø|.
bLater, als ambassadeur bij de VN, |voerde| hij besprekingen |Ø| met de Chinezen.
cIn de stallen als gezelschap voor de paarden |verbleef| nog een kleine aap |Ø|.
dAlleen een hagedis, hier of daar, |slipte| voor hen weg |Ø|.
Het kader dat hier wordt geschapen gaat verder dan louter tijd- of plaatsaanduidingen. Er wordt in dit soort constructies veelvuldig gebruik gemaakt van bepalingen van gesteldheid, die worden toegevoegd aan een andere bepaling (25a-c). In andere gevallen wordt er juist een bepaling toegevoegd aan het subject (25d). Dat laatste wordt ook gedemonstreerd in de volgende zinnen:
26aMars, in zijn artikel over oorzakelijke en andere voorwerpen, |gaat| deze kant uit|Ø|.
bOok Cattell, in een analyse die overigens veel overeenkomst vertoont met de onze, |stelt| |Ø| dat de acceptabiliteit van deze zin verklaard kan worden doordat de achtergebleven NP een 'separate argument' is geworden van het werkwoord.
Dit soort zinnen wordt wel als anglicisme gezien en is daarom niet voor iedere taalgebruiker acceptabel. De eenheid die de verschillende elementen op de eerste zinsplaats in (24) vormen lijkt in (25) en (26) niet (altijd) aanwezig, hoewel de combinatie van subject en bepaling opnieuw veel verwantschap vertoont met naamwoordelijke constituenten die een predicatieve nabepaling bevatten. Een andere mogelijke analyse is gebaseerd op intercalatie: het verschijnsel dat een zin onderbroken wordt door een element zoals een tussenzin. Hierbij wordt de zin na de eerste zinsplaats onderbroken voor één of meerdere terzijdes in de vorm van bepaling, waarna de zin hernomen wordt met de eerste pool. Een dergelijke analyse lijkt in het bijzonder van toepassing op de volgende gevallen:
27Een zinsdeel op de eerste zinsplaats gevolgd door een voegwoordelijk bijwoord
aGisteren echter |was| het weer heel wat minder mooi |Ø|.
bIn bepaalde gevallen immers |speelt| dat geen rol |Ø|.
cZ'n broer daarentegen |wou| het maar niet |geloven|.
dMet die kerel dus |moet| ik |gaan samenwerken|?
eDeze man nu |bleek| een bedrieger |te zijn|.
In deze zinnen wordt het zinsdeel op de eerste plaats schijnbaar vergezeld door een voegwoordelijk bijwoord zoals echter, immers, et cetera. De voegwoorden in dit type zin kunnen vaak niet zelfstandig op de eerste zinsplaats staan, althans niet in de formele schrijftaal. Plaatsing in de aanloop of het middenstuk levert geen problemen op. In voorbeelden zoals (27) kunnen ze als intercalatie worden gezien: een element dat de zin onderbreekt tussen de eerste zinsplaats en de eerste pool. Die onderbreking wordt niet per se door de bekende komma-intonatie uitgedrukt, al is er wel een ander prosodisch effect: het zinsdeel op de eerste zinsplaats krijgt nadruk. Dit blijkt uit het feit dat gereduceerde vormen van het persoonlijk voornaamwoord niet op de eerste zinsplaats kunnen staan wanneer ze gevolgd worden door een voegwoordelijk bijwoord:
28aZij echter |wilde| het maar niet |geloven|.
bZe echter |wilde| het maar niet |geloven|.uitgesloten
De voorbeelden in deze sectie suggereren dat de hooguit-één-zinsdeeleis geschonden kan worden. Er zijn echter goede redenen om aan te nemen dat dit niet het geval is. Enerzijds dient rekening te worden gehouden met het feit dat alle zinsdelen met uitzondering van het subject deel uitmaken van een verbale constituent. Een deel van deze constituent kan op de eerste zinsplaats staan, namelijk de elementen die in een alternatieve woordvolgorde rechts van de zinsbepalingen in het middenstuk of op de laatste zinsplaats staan. Voor zinnen met een naamwoordelijk gezegde dient dan een soortgelijke constituent te worden verondersteld. Andere gevallen kunnen worden verklaard door aan te nemen dat de eerste zinsplaats wordt bezet door een zinsdeel dat extra bepalingen als predicatieve bepaling bevat. Ten slotte is er een verklaring denkbaar in termen van intercalatie, waarbij de zin wordt onderbroken tussen de eerste zinsplaats en de eerste pool. Definitieve beantwoording van de vraag in kwestie is onderwerp van toekomstig onderzoek.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links