18.5.1.2 Mogen met korte infinitief
Mogen met korte infinitief is een erg
frequente werkwoordconstructie die vooral gebruikt wordt om toestemming of
verbod uit te drukken (directiviteit). De instantie waarvan
de toestemming of het verbod komt, kan expliciet gemaakt worden met
van of
volgens, zoals in
(1b-1c).
Daarnaast drukt de constructie soms ook deontische modaliteit uit. De spreker legt hierbij de nadruk op de morele aanvaardbaarheid
of wenselijkheid van de zin.
In het Nederlands-Nederlands kan
mogen met korte infinitief met
nog twee bijkomende betekenissen gebruikt worden. In (3a-3b) krijgt de
constructie een dynamisch modale lezing die overeenkomt met
die van kunnen met korte
infinitief.
In (4a-4b) wordt de constructie samen met graag gebruikt om een favoriete activiteit aan te duiden.
De constructie geeft met andere woorden een emotionele
attitude weer.
Mogen met korte infinitief draagt ook
bij tot het markeren van twee specifieke zinsconstructies. Om te beginnen wordt
de constructie gebruikt in concessieve zinnen (5a-5b)
waarbij geeft de spreker de inhoud van de zin aan de ene kant toegeeft maar aan
de andere kant daar ook iets anders tegenover stelt. 20.10.13 Meestal wordt
dan toegevoegd.
Daarnaast kan de constructie gebruikt worden voor het markeren van
conditionele zinnen (6a-6b). In dat geval verschijnt
het groepsvormende mogen in de
imperfectumvorm mocht of
mochten.
We gaan in wat volgt dieper in op het conditionele gebruik van
mocht(en) met korte
infinitief. Daarnaast illustreren we ook groepsvorming.
Verder lezen
Conditionele zinnen
Mogen met korte infinitief wordt soms gebruikt om
conditionele contexten te markeren. 20.10.12 In dat geval verschijnt het groepsvormende
mogen in de imperfectumvorm
mocht of
mochten. De constructie
drukt in die context geen verleden tijd uit maar geeft aan dat het onzeker is of
de (op zich mogelijke) gebeurtenis of toestand in de conditionele bijzin
werkelijkheid is of zal worden. Op die manier onderscheidt conditioneel
mocht(en) zich van conditioneel moest(en) in het Belgisch-Nederlands 18.5.1.2 en van het
gebruik van hypothetisch zoud(en) of had(den) in conditionele constructies
18.5.1.4 die allemaal ook niet-werkelijkheid (irrealis) kunnen
uitdrukken.
Het conditionele mocht(en) met korte infinitief wordt
typisch gebruikt in conditionele bijzinnen die een hoofdzin voorafgaan.
20.10.12.3 Het vaakst komt conditioneel
mocht(en) voor aan het begin van een bijzin als vóór-pv, zoals in
(7a-7d). Soms is een als-zin
met conditioneel mocht(en) als
achter-pv mogelijk, zoals in (7d). De hoofdzin bevat in de regel het bijwoord
dan.
Daarnaast kan de conditionele bijzin met mocht(en) en
een korte infinitief volgen op de hoofdzin. In dat geval bevat de voorafgaande
bijzin niet het bijwoord dan.
Het conditionele gebruik van mocht(en) met korte
infinitief komt even vaak voor in het Nederlands-Nederlands als het Belgische
Nederlands. Naast conditioneel
mocht(en) wordt er in het
Belgisch-Nederlands gebruik gemaakt van conditioneel
moest(en) (zie 18.5.1.5).
Groepsvorming
Mogen met korte infinitief is verplicht groepsvormend. Het modale werkwoord en zijn werkwoordelijke aanvulling vormen een werkwoordelijke eindgroep, in zowel de bijzin (9a-9b) als de hoofdzin (9c). Voorbeeld (9c) laat zien dat de constructie het IPP-effect vertoont.
Literatuur
Verhasselt 1960, Klooster 1978, Schermer-Vermeer 1981, Nieuwint 1987, Vanacker 1992, Diepeveen et
al. 2006, Nuyts et al. 2005, 2007, 2010, Boogaart 2007, Beekhuizen 2016,
Breitbarth et al. 2016
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.4.ii.d,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/02/04/body.html;18.5.4.4.iii.d,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/03/04/body.html; |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5I |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5II |
