18.2.1 Bouw van de werkwoordgroep
Een werkwoordgroep heeft een interne systematiek. Die systematiek bepaalt de vormen van
de werkwoorden in de werkwoordgroep, zoals persoonsvorm, voltooid deelwoord of infinitief,
en de betekenisrelaties tussen de werkwoorden. De vorm van de werkwoordgroep weerspiegelt
de onderlinge betekenisrelaties tussen de werkwoorden.
Verder lezen
Van hoofdwerkwoord naar werkwoordgroep
We kunnen de interne structuur van de werkwoordgroep blootleggen door stap voor stap een
werkwoord toe te voegen. We vertrekken hierbij van een zin die maar één werkwoord bevat,
namelijk een hoofdwerkwoord, zoals in de voorbeelden in (1).
Als enige werkwoord in de zin vormen de hoofdwerkwoorden de persoonsvorm in de
zin: ze congrueren met het onderwerp en staan in de tegenwoordige tijd.
We gebruiken de term hoofdwerkwoord voor zelfstandige
werkwoorden, zoals die in (1), en koppelwerkwoorden, zoals in (i):
iOp weg naar
Saint-Ghislain werd de lucht donkerder en
donkerder.
CGN fv901034
Wanneer we nu een tweede werkwoord toevoegen aan deze voorbeeldzinnen ontstaat een
tweeledige werkwoordgroep:
Een tweeledige werkwoordgroep bestaat uit een groepsvormend
werkwoord en een hoofdwerkwoord. Een groepsvormende werkwoord kan niet het
enige werkwoord in de zin zijn; het heeft een werkwoordelijke
aanvulling nodig. We zeggen dat het groepsvormend werkwoord een ander
werkwoord selecteert: het groepsvormende werkwoord bepaalt in welke vorm het
andere werkwoord verschijnt, namelijk als een voltooid deelwoord of een bepaald type
infinitief. In (3a) bepaalt hebben dat
geregend een voltooid deelwoord moet zijn,
in (3b) selecteert ga de (korte) infinitief
lezen, en in (3c) selecteert
kan de (korte) infinitief
verslaan.
Het groepsvormend werkwoord voegt bovendien iets toe aan de betekenis van het
hoofdwerkwoord. We noemen dit bereik: het groepsvormende werkwoord
heeft bereik over het hoofdwerkwoord. Daarmee bedoelen we dat de betekenisbijdrage van het
groepsvormende werkwoord van toepassing is op de betekenis van het hoofdwerkwoord. Zo
specificeert heeft in (3a) dat het in het
verleden drie dagen geregend heeft, drukt
ga in (3b) dat het de intentie is van
de spreker om minstens één boek in de maand te lezen en geeft kan in
(3c) aan dat de tennisspeler in staat is om zijn tegenstander in vier sets te
verslaan.
Wanneer we nog een groepsvormend werkwoord toevoegen aan onze voorbeeldzinnen, krijgen we
een drieledige werkwoordgroep, zoals in (3).
Het bijkomende groepsvormende werkwoord heeft bereik over het hoofdwerkwoord en het
oorspronkelijke groepsvormende werkwoord samen: het voegt iets toe aan hun gecombineerde
betekenis. Zo geeft kan in (3a) aan dat de
spreker veronderstelt dat het maar drie dagen geregend heeft in Cairo, drukt
wil in (5b) de wens van de spreker
uit om minstens één roman in de maand te gaan lezen en voegt
moet in (5c) toe dat de sprekers het
waarschijnlijk acht dat de tennisspeler zijn tegenstander in vier sets kan
verslaan.
De toegevoegde groepsvormende werkwoorden hebben op die manier een hoger
bereik dan de oorspronkelijke groepsvormende werkwoorden. Zo zegt
hebben in (3a) alleen iets over
regenen terwijl
kunnen bereik heeft over de gecombineerde
betekenis van hebben en
regenen. We noemen de combinatie van
hebben en
slapen de werkwoordelijke
aanvulling van zullen.
De vorm van de werkwoordgroep weerspiegelt de onderlinge betekenisrelaties tussen de
werkwoorden. We zagen in tweeledige werkwoordgroepen dat de vorm van het hoofdwerkwoord
bepaald wordt door het groepsvormende werkwoord. Wanneer er nu twee groepsvormende
werkwoorden in de werkwoordgroep zijn, bepaalt het werkwoord met het laagste bereik de
vorm van het hoofdwerkwoord. In (3a) selecteert, met andere woorden,
hebben het voltooid deelwoord
geregend, net zoals in (2a). Het
groepsvormende werkwoord met het hogere bereik bepaalt op zijn beurt de vorm van het
lagere groepsvormende werkwoord. In (3a) selecteert
kunnen de infinitief
hebben. Het hoogste groepsvormende
werkwoord zelf is nu persoonsvorm.
De werkwoordgroep: een hiërarchische structuur
De vorm- en betekenisrelaties tussen de werkwoorden in een werkwoordgroep zijn
georganiseerd als een hiërarchie, zoals weergegeven in Figuur 1. Het hoofdwerkwoord van de
zin bevindt zich op het laagste trapje van de hiërarchie. Het is altijd niet-vervoegd.
Bovenop het hoofdwerkwoord kunnen we groepsvormende werkwoorden stapelen die stap voor
stap iets toevoegen aan de betekenis van hun werkwoordelijke aanvulling; dit is
weergegeven met de kaders. Elk groepsvormend werkwoord bepaalt de vorm van het werkwoord
op een niveau lager in de hiërarchie; dit is weergegeven met de pijlen. Het hoogste
werkwoord in de hiërarchie wordt door geen enkel ander groepsvormend werkwoord
geselecteerd. Het is het vervoegde werkwoord van de werkwoordgroep.
Figuur 1. De interne structuur van de werkwoordgroep
We kunnen de hiërarchie in onze voorbeeldzinnen zichtbaar maken door middel van cijfers.
Het hoogste werkwoord krijgt het cijfer ‘1’. Het cijfer voor het laagste werkwoord valt
samen met het aantal werkwoorden in de werkwoordgroep. In de tweeledige werkwoordgroep in
(4a) krijgt het laagste werkwoord bijgevolg het cijfer ‘2’, in de drieledige
werkwoordgroep in (4b) het cijfer ‘3’ en in de vierledige werkwoordgroep (4c) het cijfer ‘4’.
De voorbeelden zijn zo gekozen dat de hiërarchie mooi weerspiegeld wordt in de
werkwoordsvolgorde. Dat is echter niet altijd het geval. Zie 18.8 voor een
bespreking van de volgorde in de werkwoordelijke eindgroep.
Het bepalen van het hoogste werkwoord in een werkwoordgroep is relatief eenvoudig. Het is
immers altijd het vervoegde werkwoord van de zin. Dat kenmerk kan ons helpen om de verdere
interne structuur van de werkwoordgroep bloot te leggen. Als we het vervoegde werkwoord
weghalen uit een werkwoordgroep, zal het volgende groepsvormende werkwoord in de
hiërarchie het hoogste werkwoord worden en als vervoegd werkwoord verschijnen. We kunnen
die weglatingstest stap voor stap illustreren met (5a-5d).
Het hoogste werkwoord in de vierledige werkwoordgroep in (5a) is het vervoegde werkwoord
zou. Wanneer we dat werkwoord weglaten,
zoals in (5b), dan verschijnt moet als
vervoegd werkwoord. Het moet dus in (5a) precies een trapje lager in de hiërarchie staan
in het bereik van zou. Wanneer we het
vervoegde moet weglaten dan verschijnt
kan als vervoegd werkwoord in (5c). Dat
groepsvormende werkwoord moet dus nog een trapje lager staan in (7a) in het bereik van
zowel moeten als
zullen. Wanneer we ten slotte ook het
vervoegde moet weglaten, blijft nog slechts
één werkwoord over in (7d). Dat is het hoofdwerkwoord
verslaat, dat nu niet langer deel is van
een werkwoordgroep en zelf als vervoegd werkwoord optreedt.
Literatuur
Vandeweghe 2000: 206, Klooster 2001: 56
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.1.1,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/01/01/body.html |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.1 |
