Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.2 De eerste pool en wat daarbij aansluit
De eerste pool is de positie die direct volgt op de eerste zinsplaats en voorafgaat aan het middenstuk:
eerste zinsplaats |eerste pool| middenstuk |tweede pool| laatste zinsplaats
De eerste pool wordt in zinstype 1 bezet door de persoonsvorm (pv). In zinstype 2 staat er ofwel een onderschikkend voegwoord in of blijft de eerste pool leeg:
1Invulling van de eerste pool per zinstype
aKarel |stuurde| Emma een berichtje op haar telefoon |zinstype 1a
Ø|.
b|Zou| ze meteen |reageren|?zinstype 1b
c(Hij wist nog) hoe boos |Ø| ze gisteravond |was geweest| .zinstype 2a
d(Misschien was het beter) |om| zich een tijdje koest |te houden|.zinstype 2b
In beide zinstypen trekt de eerste pool in het middenstuk bepaalde elementen aan:
2Subject en gereduceerde voornaamwoorden/voornaamwoordelijk bijwoord: direct achter de eerste pool
aOp dit ogenblik |durft| Karel 't er niet over |te hebben|.
bOp dit ogenblik |durft|-ie 't er niet over |te hebben|.
cKarel |durfde| 't er op dat moment ook niet over |te hebben|.
Deze voorbeelden laten zien dat het subject (onderwerp) in het middenstuk direct op de eerste pool kan volgen (Karel in (2a)). Eventuele gereduceerde vormen van het persoonlijk voornaamwoord (zoals 't) en van het voornaamwoordelijk bijwoord (er) volgen in dat geval direct op het subject, ook als dat zelf de vorm heeft van een gereduceerd voornaamwoord (zie 2a-b). Indien het subject op de eerste zinsplaats staat, volgen de gereduceerde vormen direct op de eerste pool. Op enkele uitzonderingen na kan de onderlinge volgorde van de verschillende gereduceerde vormen worden beschreven aan de hand van enkele vuistregels. Volgens die regels gaan subjectsvormen vooraf aan vormen voor het direct object (lijdend voorwerp) en wederkerende voornaamwoorden als me, je en zich. Vormen voor het indirect object (meewerkend voorwerp et cetera) volgen daar weer op. De plaatsing van er is afhankelijk van de functie die het vervult: voorafgaand aan alle objectsvormen bij presentatief gebruik, erop volgend bij locatief of prepositioneel gebruik. Bij kwantitatief gebruik zijn beide plaatsingsmogelijkheden voorhanden.
Verder lezen
De eerste pool
De eerste pool van een zin kan door een persoonsvorm (voortaan afgekort met pv), dan wel een onderschikkend voegwoord worden bezet, of leeg blijven. In zinnen met een voor-pv, gedefinieerd als zinstype 1, staat de pv per definitie in de eerste pool:
3Zinstype 1a
aGisteren |overhandigde| Karel Julia een boek |Ø|.
bGisteren |wilde| Karel Julia een boek |overhandigen|.
4Zinstype 1b
a|Overhandigde| Karel Julia gisteren een boek |Ø|?
b|Wilde| Karel Julia gisteren een boek |overhandigen|?
De zinnen in (1) en (2) zijn zinnen met een voor-pv. De pv, overhandigde of wilde, staat in de eerste pool. De tweede pool is leeg als er geen werkwoordelijke aanvulling is (zoals in de a-zinnen), en gevuld als die aanvulling er wel is (zoals in de b-zinnen). De eerste zinsplaats in zinstype 1b blijft onbezet.
In zinnen met een achter-pv, gedefinieerd als zinstype 2, zijn er twee mogelijkheden: de eerste pool wordt bezet door een onderschikkend voegwoord of blijft leeg. De eerste mogelijkheid wordt geïllustreerd in (3):
5Zinstype 2b
a(Ik geloof werkelijk) |dat| Karel Julia gisteren een boek |overhandigde|.
b(Ik geloof werkelijk) |dat| Karel Julia gisteren een boek |wilde overhandigen|.
In beide zinnen wordt de eerste pool bezet door het onderschikkend voegwoord dat en staat de pv (overhandigde/wilde) in de tweede pool. In de b-zin deelt wilde de tweede pool met de werkwoordelijke aanvulling overhandigen. De eerste zinsplaats blijft in deze zinnen onbezet, net als bij zinstype 1b. Om die reden worden de zinnen in (3) tot zinstype 2b gerekend. Het is belangrijk om op te merken dat het gedeelte tussen haakjes niet op de eerste zinsplaats staat: het vertegenwoordigt steeds een deel van een zelfstandige zin waarbinnen een afhankelijke zin de plaats van een zinsdeel inneemt. Zo bezet de afhankelijke zin |dat| Karel Julia gisteren een boek |overhandigde| zelf een plaats in de zelfstandige zin Ik geloof werkelijk ....
De tweede mogelijkheid, waarbij de eerste pool leeg blijft, wordt geïllustreerd in (4)
6Zinstype 2a
a(Ik begrijp nu pas) aan wie |Ø| Karel gisteren een boek |overhandigde|.
b(Ik hoorde net) wanneer |Ø| Karel Julia een boek |wilde overhandigen|.
c(Gisteren was de dag) waarop |Ø| Karel Julia een boek |overhandigde|.
d(Julia is degene) aan wie |Ø| Karel gisteren een boek |wilde overhandigen|.
De zinnen in (4) hebben een achter-pv maar beginnen niet met een onderschikkend voegwoord. De eerste pool blijft daardoor leeg. De eerste zinsplaats is bij dit zinstype wel beschikbaar, in tegenstelling tot de zinnen in (3). Die eerste zinsplaats bevat in zinstype 2a altijd een vragend (voornaam)woord (zoals wie in (4a) en wanneer (4b)) of een betrekkelijk (voornaam)woord (zoals waarop in (4c) en wie in (4d)). Door aan te nemen dat deze woorden niet in maar voor de eerste pool staan, ontstaat de volgende generalisatie: de polen van een zin worden uitsluitend bezet door werkwoorden en onderschikkende voegwoorden, terwijl zinsdelen zoals subject (onderwerp), objecten (lijdend voorwerp en dergelijke) en bepalingen (of delen daarvan) uitsluitend in de posities om de polen heen voorkomen. Schema (1) vat dit samen:
Schema 1: De eerste zinsplaats en de eerste pool in de verschillende zinstypen
zinstype eerste zinsplaats eerste pool middenstuk tweede pool laatste zinsplaats
1a één (deel van een) zinsdeel |pv| |(werkwoordelijke aanvulling)|
1b |pv| |(werkwoordelijke aanvulling)|
2a (één zinsdeel met een) vragend/betrekkelijk (voornaam)woord |Ø| |pv (+werkwoordelijke aanvulling)|
2b |(onderschikkend voegwoord)| |pv (+werkwoordelijke aanvulling)|
Over zinstype 1a dient nog te worden opgemerkt dat de eerste zinsplaats toegankelijk is voor hooguit één zinsdeel en daarin niet afwijkt van zinstype 2a. In beide zinstypen kan praktisch elk zinsdeel de eerste zinsplaats bezetten, al geldt voor zinstype 2a de beperking dat zo'n zinsdeel de vorm heeft van een vragend of betrekkelijk (voornaam)woord of zo'n woord bevat.
De lege eerste pool
Verdieping
De lege eerste pool
Zoals besproken bij het polaire principe wijkt de ANS af van de traditie, die ervan uitgaat dat de eerste zinsplaats bij zinstype 2 structureel afwezig is. Dat betekent voor zinnen van het zinstype 2a dat vragende of betrekkelijke (voornaam)woorden en de zinsdelen waarin ze vervat zijn noodzakelijkerwijs in de eerste pool staan. In deze benadering wijkt zinstype 2 nogal sterk af van zinstype 1, waarbij zinsdelen met een vragend (voornaam)woord doorgaans wel op de eerste zinsplaats voorkomen. De huidige benadering heeft als voordeel dat de polen uitsluitend toegankelijk zijn voor werkwoorden en onderschikkende voegwoorden, terwijl alle overige elementen in ieder zinstype verdeeld worden over de overige zinsplaatsen: eerste zinsplaats, middenstuk en laatste zinsplaats. Voorbeelden uit informeel Nederlands ondersteunen deze analyse:
iInformeel Nederlands: voegwoorden in zinstype 2a
ia(Bovendien raakt hij telkens volledig van zijn stuk) wanneer |dat| hij het liedje 'My Cherie Amour' van Stevie Wonder |hoort|. Belgisch Nederlands, informeel
[Internet, geraadpleegd 19 juli 2019] 
b(Af en toe ging ze onderaan de trap staan om te roepen) wat |of| ze |had gedaan|.Nederlands-Nederlands, informeel
[Internet, geraadpleegd 19 juli 2019] 
De a-zin zou in formeel Nederlands correct zijn zonder het voegwoord dat, hetzelfde geldt voor de b-zin en het voegwoord of. Zie ook deze voorbeelden.
Elementen die aansluiten bij de eerste pool
In [21.1.2.1] Het links-rechtsprincipe wordt beschreven hoe de informatiewaarde van zinsdelen bij neutrale accentuering toeneemt naarmate ze verder naar rechts staan, dan wel later worden uitgesproken. In een zogenaamde nieuwszin, waarbij alle constituenten een maximale informatiewaarde kunnen hebben, blijkt de volgorde van het subject en de objecten vast te liggen, mits ze allemaal in het middenstuk staan:
7Basisvolgorde van subject en objecten in het middenstuk
aMorgen |zal| [de directeur van ons bedrijf] [de medewerkers] [een belangrijk bericht] |sturen|.
bMorgen |zal| [de directeur van ons bedrijf] [een belangrijk bericht] [aan de medewerkers] |sturen|.
c(Zij vertelde me net) |dat| [de directeur van ons bedrijf] [de medewerkers] [een belangrijk bericht] |zal sturen|.
d(Zij vertelde me net) |dat| [de directeur van ons bedrijf] [een belangrijk bericht] [aan de medewerkers] |zal sturen|.
In deze voorbeelden duiden vierkante haken de verschillende zinsdelen aan. Uit (5a) wordt duidelijk dat het subject (de directeur van ons bedrijf) vooraf gaat aan het nominale indirect object (de medewerkers), dat op zijn beurt weer vooraf gaat aan het direct object (een belangrijk bericht). Het voorbeeld in (5b) laat zien dat een prepositioneel indirect object (aan de medewerkers) het direct object volgt. De zinnen in (5c-d) demonstreren dezelfde tendenzen voor zinnen met een achter-pv. Alternatieve volgordes van de zinsdelen in het middenstuk, zoals in (6), zijn duidelijk niet mogelijk:
8aMorgen |zal| [de medewerkers] [een belangrijk bericht] [de directeur van ons bedrijf] |sturen|uitgesloten
b(Zij vertelde me net) |dat| [de medewerkers] [een belangrijk bericht] [de directeur van ons bedrijf] |zal sturen|uitgesloten
Het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) in de basisvolgorde
Verdieping
Het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) in de basisvolgorde
Zinnen met een naamwoordelijk gezegde beschikken niet over een direct object, maar kunnen wel een oorzakelijk object hebben. Met betrekking tot de basisvolgorde gedraagt het oorzakelijk object zich als het direct object in een actieve zin:
iaVan oudsher |is| [transparante communicatie] [de directeur van ons bedrijf] [ontzettend veel] [waard] |Ø|.
b(Het schijnt) |dat| [transparante communicatie] [de directeur van ons bedrijf] [ontzettend veel] [waard] |is|.
In deze voorbeelden gaat het subject (transparante communicatie) vooraf aan het ondervindend voorwerp (de directeur van ons bedrijf), wat op zijn beurt weer vooraf gaat aan het oorzakelijk object (ontzettend veel).
In [21.4.1] wordt beschreven onder welke voorwaarden het subject of een andere constituent op de eerste zinsplaats kan staan. De onderlinge volgorde van de overige zinsdelen in het middenstuk verandert hierdoor niet. Hoewel er beslist uitzonderingen op deze regel bestaan, gaat het vervolg van deze paragraaf uit van de in (5) gedemonstreerde volgorde.
Bronnen zoals de Syntax of Dutch gaan ervan uit dat de basisvolgorde in het middenstuk niet wordt bepaald door functies als subject, object en indirect object, maar door semantische rollen. De generalisatie zou in dit geval dan zijn: 'agent' > 'goal' > 'theme'. Dit zou worden bevestigd door de passieve variant van de a-zin:
Morgen |zal| [door de directeur van ons bedrijf] [de medewerkers][een belangrijk bericht] |worden gestuurd|.
De bepaling [door de directeur van ons bedrijf] heeft namelijk niet de functie van subject, maar wel de semantische rol van 'agent'.
Het subject en de objecten in (5) zijn niet-pronominaal en daardoor uitermate geschikt om nieuwe referenten in de context van het gesprek of de tekst te introduceren. Hun nieuwswaarde is dan maximaal. Referenten die al geïntroduceerd zijn en die ook anderszins geen prominente rol spelen, hebben een minimale informatiewaarde. Gereduceerde vormen van persoonlijke voornaamwoorden zijn bij uitstek geschikt voor zulke referenten, omdat ze niet kunnen worden beaccentueerd. De plaatsing van zulke vormen is opvallend dicht bij de eerste pool:
9De plaats van subject en objecten met een minimale informatiewaarde in het middenstuk
a(Heb je al gehoord wat onze directeur gaat doen?) Morgen |zal|[-ie] [de medewerkers] [een belangrijk bericht] |sturen|.
b(Wat zei je nu over de medewerkers?) Morgen |zal| [de directeur van ons bedrijf] [ze] [een belangrijk bericht] |sturen|.
c(Wat was er met dat belangrijke bericht aan de hand?) Morgen |zal| [de directeur van ons bedrijf] ['t] [de medewerkers] |sturen|.
d(Wat zei je over onze directeur?) |Dat|[-ie] [de medewerkers] [een belangrijk bericht] |zal sturen|.
e(Wat zei je nu over de medewerkers?) |Dat| [de directeur van ons bedrijf] [ze] [een belangrijk bericht] |zal sturen|.
f(Wat zei je over dat belangrijke bericht?) |Dat| [de directeur van ons bedrijf] ['t] [de medewerkers] |zal sturen|.
De zinnen in (7b-c) laten zien dat gereduceerde objectsvormen zoals ze en 't in het middenstuk van zinnen met een voor-pv direct na het subject komen. Gereduceerde subjectsvormen zoals -ie volgen direct op de eerste pool (zie 7a). Gereduceerde subjectsvormen zoals 'k, je, 't, ze en we kunnen, evenals niet-gereduceerde vormen, ook voor de eerste pool staan. Een eventuele objectsvorm volgt in dat geval direct op de eerste pool, zoals in [ze] |zal| ['t] [de medewerkers] morgen |sturen|. Voor -ie geldt dit niet: deze vorm kan uitsluitend achter de eerste pool staan. In zinnen met een achter-pv is de plaats van gereduceerde voornaamwoorden in het middenstuk gelijk aan die in zinnen met een voor-pv (zie (7d-f)). Wanneer een gereduceerde vorm het complement is van een voorzetsel, verandert er niets aan de plaatsing van de bevattende voorzetselconstituent: (wat zei je nu over de medewerkers?) |Dat| [de directeur van ons bedrijf] [een belangrijk bericht] [aan ze] |zal sturen| (zie (5b/d)).
In zinnen met een substantivisch of voornaamwoordelijk subject op de eerste zinsplaats staan gereduceerde objectsvormen eveneens direct achter de eerste pool:
10Gereduceerde objectsvormen direct achter de eerste pool
a(Wat zei je nu over de medewerkers?) [De directeur van ons bedrijf] |zal| [ze] [een belangrijk bericht] |sturen|.
b(Wat was er met dat belangrijke bericht aan de hand?) [De directeur van ons bedrijf] |zal| ['t] [de medewerkers] |sturen|.
c(Ik vroeg je net) wie |Ø| ['t] [de medewerkers] |zal sturen|.
d(Ik had het over onze directeur) die |Ø| ['t] [de medewerkers] |zal sturen|.
Kortom: in overeenstemming met het links-rechtsprincipe volgen gereduceerde voornaamwoorden als subject of object direct op de eerste pool. Alleen bij de objectsvormen staat er nog een zinsdeel tussen, namelijk het subject, tenzij dit zelf op de eerste zinsplaats staat. Als er meerdere zinsdelen tegelijk door middel van een gereduceerd voornaamwoord worden weergegeven, klitten ze als het ware samen. Hun onderlinge volgorde in het middenstuk is als volgt:
11Onderlinge volgorde van gereduceerde voornaamwoorden in het middenstuk
aMorgen |zal|[-ie] ['t] [ze] |sturen|.
b(Ik zei) |dat|[-ie] ['t] [ze] morgen |zal sturen|.
Zoals in de overige zinnen hierboven gaat het subject [-ie] ook hier vooraf aan de objecten. Het direct object ['t] gaat op zijn beurt weer vooraf aan het indirect object [ze]. Opvallend hierbij is dat de onderlinge volgorde van gereduceerde objectsvormen precies omgekeerd is ten opzichte van de basisvolgorde in (5), waarbij het (nominale) indirect object juist vooraf gaat aan het direct object.
Ook het gereduceerde voornaamwoordelijk bijwoord er volgt in het middenstuk kort op de eerste pool. Hierbij mag niet worden vergeten dat er verschillende functies kan hebben, wat gevolgen heeft voor de positie van er in de zin. Allereerst is er het zogenaamde presentatieve er, dat dient om de referent van een, in de regel onbepaalde, nominale constituent elders in de zin te introduceren in de rol van subject. Uit de volgende zinnen blijkt dat de positie van dit woord samenvalt met de positie van gereduceerde subjectsvormen:
12Presentatief er direct achter de eerste pool
aOp kantoor |zal| [er] [zich] [ongetwijfeld] [een of ander onderdirecteur] [diep] |schamen|.
bMorgen |zal| [er] ['t] [ze] [ongetwijfeld] [een of andere onderdirecteur] |sturen|.uitgesloten
cMorgen |zal| [er] [ongetwijfeld] [een of andere onderdirecteur] [de medewerkers] [een belangrijk bericht] |sturen|.twijfelachtig
Presentatief er staat in het middenstuk direct achter de eerste pool. Evenals gereduceerde subjectsvormen kan presentatief er ook voor de eerste pool staan, zoals blijkt uit er |zal| [zich] [op kantoor] [ongetwijfeld] [een of andere onderdirecteur] [diep] |schamen|. Uit (12a) blijkt dat zich, een onbeklemtoonbaar wederkerend voornaamwoord, direct op presentatief er volgt. Gereduceerde objectsvormen zijn blijkens (12b) niet te combineren met presentatief er. Dit heeft ermee te maken dat bij gezegdes met een sterk handelingskarakter de voorkeur uitgaat naar een constructie zonder er: morgen |zal| [een of andere onderdirecteur] ['t] [ze] [ongetwijfeld] |sturen|. De status van het voorbeeld in (12c), waarbij gereduceerde objectsvormen ontbreken, is om dezelfde reden twijfelachtig.
Basisvolgorde van subject en objecten en variatie daarin
Verdieping
Basisvolgorde van subject en objecten en variatie daarin
In [21.5] Het middenstuk komt de basisvolgorde van subject en objecten uitgebreid aan bod. Die basisvolgorde geldt zeer strikt voor de rechterkant van het middenstuk. Aan de linkerkant bestaat er variatie. Objecten kunnen echter niet links in het middenstuk staan zonder dat ook het subject daar staat. Dit verklaart waarom voorbeelden als (12b) onacceptabel zijn.
Presentatief er in combinatie met een bevraagd subject
Verdieping
Presentatief er in combinatie met een bevraagd subject
Wanneer het subject van een zin bevraagd wordt, staat dat bijna altijd op de eerste zinsplaats. Ook in die situatie kan de eerste pool worden gevolgd door een presentatief er:
i(Ik zou wel eens willen weten) wie |Ø| er allemaal bang |zijn| voor deze directeur.
Ook bij dit soort zinnen is er afwezig wanneer de zin een gereduceerde objectsvorm bevat:
iiaWie |heeft| er 't je verteld?uitgesloten
bWie |heeft| 't je verteld?
Hoofdstuk 8 bevat een uitgebreide beschrijving van de gebruiksmogelijkheden van presentatief er, inclusief de factoren die aan- of juist afwezigheid van er kunnen bepalen.
Een locatief er gaat wel samen met gereduceerde objectsvormen: het volgt er in het middenstuk direct op. Daarbij kan er de functie van een niet-verplicht aanwezige bepaling hebben, zoals in (13b), of van een bepaling die meer inherent met het hoofdwerkwoord verbonden is, zoals in (13e):
13Locatief er direct achter gereduceerde objectsvormen
aMorgen |zal| [de directeur] [ze] [waarschijnlijk] [op kantoor] [een belangrijk bericht] |sturen|.
bMorgen |zal| [de directeur] [ze] [er] [waarschijnlijk] [een belangrijk bericht] |sturen|.
cEr |zal| [de directeur] [ze] [morgen] [waarschijnlijk] [een belangrijk bericht] |sturen|.uitgesloten
dMorgen |zal| [de directeur] [zich] [met tegenzin] [in een vliegtuig] |bevinden|.
eMorgen |zal| [de directeur] [zich] [er] [met tegenzin] |bevinden|.
fEr |zal| [de directeur] [zich] [morgen] [met tegenzin] |bevinden|.uitgesloten
Uit (13c/f) blijkt dat een puur locatief er niet op de eerste zinsplaats kan staan. Het voorbeeld in (13e) heeft de volgende variant: morgen |zal| [de directeur] [er] [zich] [met tegenzin] |bevinden|. Dit heeft te maken met het feit dat wederkerende voornaamwoorden als zich weliswaar onbeklemtoonbaar zijn, maar niet per se als gereduceerde vorm gelden. Verderop zal dan ook blijken dat de plaatsing van deze woorden wat vrijer is.
Ook een prepositioneel er kan in het middenstuk direct op gereduceerde objectsvormen volgen. Zo'n er maakt overigens uitsluitend deel uit van een voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) zoals er ... mee in (14b). Prepositioneel er is niet mogelijk bij er ... naar in (14d), wat dienst doet als bijwoordelijke bepaling:
14Prepositioneel er direct achter gereduceerde objectsvormen
aMorgen |zal| [de directeur] [ze] [voortdurend] [met e-mails] |bestoken|.
bMorgen |zal| [de directeur] [ze] [er] [voortdurend] [mee] |bestoken|.
cEr |zal| [de directeur] [ze] [morgen] [voortdurend] [mee] |bestoken|.uitgesloten
dMorgen |zal| [de directeur] ['t] [waarschijnlijk] [naar hun privéaccount] |sturen|.
eMorgen |zal| [de directeur] ['t] [er] [waarschijnlijk] [naar] |sturen|.uitgesloten
Ook een puur prepositioneel er kan niet op de eerste zinsplaats staan (14c). In het middenstuk sluit het prepositionele er overigens niet altijd verplicht aan bij eventuele gereduceerde vormen. Het voorbeeld in (14b) heeft namelijk een variant waarbij er direct voor de adpositie staat: morgen |zal| [de directeur] [ze] [voortdurend] [ermee] |bestoken|.
Een kwantitatief er, ten slotte, vervangt een deel van het subject of van een object. In het eerste geval volgt het in het middenstuk direct op de eerste pool, waar het samenvalt met presentatief er:
15Kwantitatief er vervangt een deel van het subject: direct achter de eerste pool
aMorgen |zullen| [drie onderdirecteuren][de medewerkers] [een belangrijk bericht] |sturen|.
bOvermorgen |zullen| [er] [nog twee] [de medewerkers] [zo'n bericht] |sturen|.
cEr |zullen| [overmorgen] [nog twee] [de medewerkers] [zo'n bericht] |sturen|.uitgesloten
dEr |zullen| [er] [overmorgen] [nog twee] [de medewerkers] [zo'n bericht] |sturen|.
eOvermorgen |zullen| [er] [nog twee] ['t] [ze] |sturen|.uitgesloten
Dat er in dit soort zinnen altijd sprake is van een combinatie van presentatief en kwantitatief er blijkt wel uit (15d), waarbij het presentatieve er de eerste zinsplaats bezet. Datzelfde er kan op die plaats geen kwantitatieve functie hebben, getuige (15c). Het voorbeeld in (15e) demonstreert wederom dat presentatief er niet samen met gereduceerde objectsvormen voorkomt.
Als een kwantitatief er een deel van een object vervangt, kan het direct na eventuele gereduceerde objectsvormen komen (zoals locatief/prepositioneel er), of daaraan voorafgaan (zoals presentatief er, maar steeds volgend op het subject):
16Kwantifatief er vervangt een deel van een object: direct achter het subject/de eerste pool of direct achter gereduceerde objectsvormen:
aMorgen |zal| [de directeur] [ze] [waarschijnlijk] [twee belangrijke berichten] |sturen|.
bOvermorgen |zal| [de directeur] [ze] [er] [waarschijnlijk] [nog twee] |sturen|.
cOvermorgen |zal| [de directeur] [er] [ze] [waarschijnlijk] [nog twee] |sturen|.
dMorgen |zal| [de directeur] ['t] [waarschijnlijk] [tien medewerkers] niet |sturen|.
eOvermorgen |zal| [de directeur] ['t] [er] [waarschijnlijk] [tien] [niet] |sturen|.
fOvermorgen |zal| [de directeur] [er] ['t] [waarschijnlijk] [tien] [niet] |sturen|.
gMorgen |zal| [de directeur] [ze] [waarschijnlijk] [met twee vervelende e-mails] |bestoken|.
hOvermorgen |zal| [de directeur] [ze] [er] [waarschijnlijk] [met twee] |bestoken|.uitgesloten
Het kwantitatieve er in (16b-c) vervangt een deel van het direct object twee belangrijke berichten. Het er in (16e-f) vervangt een deel van het indirect object tien medewerkers. De zinnen in (16g-h) laten ten slotte nog zien dat vervanging van een deel van het voorzetselobject met twee vervelende e-mails niet mogelijk is.
Volgens (Broekhuis et al. 2015) is er geen eenduidigheid over de vraag of gereduceerde voornaamwoorden in het Nederlands als clitische pronomina kunnen worden beschouwd. Het feit dat ze samenklitten en de volgorde van de objectsvormen omgekeerd is aan de die van substantivische objecten (zie (5)) pleit in het voordeel van een clitic-analyse. Dat ze door een niet-gereduceerd subject van die pool kunnen worden gescheiden, weerspreekt de status van clitics. Deze kwestie verdient dan ook nader onderzoek.
In het algemeen kan worden geconcludeerd dat gereduceerde voornaamwoorden en het voornaamwoordelijk bijwoord er direct aansluiten bij de eerste pool. De voorwaarde hiervoor is dat het subject op de eerste zinsplaats staat. Indien het subject in het middenstuk staat, gaat het vooraf aan de gereduceerde vormen. Staat het subject verderop in het middenstuk, dan kunnen eventuele objecten niet als gereduceerde vorm voorkomen. In dat geval staat er vaak wel een presentatief er in de zin. Dit introduceert het eigenlijke subject en volgt direct op de eerste pool, tenzij het op de eerste zinsplaats staat.
Tot besluit volgt hier een aantal uitzonderingen waarin een gereduceerde vorm tussen de eerste pool en een niet-gereduceerd subject in staat, te beginnen met een aantal voorbeelden waarin een gereduceerd indirect object direct op de eerste pool volgt:
17Uitzondering: meewerkend/ondervindend voorwerp voor aanwijzend voornaamwoord dat als subject
aToch |heeft| ['m] [dat] [geen voordeel] op|geleverd|.meewerkend voorwerp
bNatuurlijk |kon| [me] [dat] [geen ene moer] |schelen|.ondervindend voorwerp
De volgorde van gereduceerd voornaamwoord en dat in zinnen zoals (17) ligt niet vast, maar de gedemonstreerde volgorde is wel zeer gebruikelijk.
Opmerking:
Verdieping
Opmerking:
In (17a) valt op dat het eerste deel van het scheidbaar samengestelde werkwoord opgeleverd niet in, maar vlak voor de tweede pool staat; dit heeft verder niets met de hier besproken uitzondering te maken.
18Uitzondering: meewerkend voorwerp voor substantivisch subject na koppelwerkwoorden, in passieve zinnen en bij een lang/complex subject
aSteeds weer |leek| ['m] [zo'n opgave] onuitvoerbaar |Ø|.koppelwerkwoord
bDaarom |werd| ['m] [het schilderij] aan|geboden|.passieve zin
cDat |vertelde| [me] [die lieve, kleine meid van je oudste broer] [gisteren] [nog] |Ø|.lang subject
Ook in (17) gaat het niet om een strikte woordvolgorderegel; zinnen waarin de volgorde omgekeerd is zijn zelfs even gangbaar als de gegeven voorbeelden: dat |vertelde| [die lieve, kleine meid van je oudste broer] [me] [gisteren] [nog] |Ø|.
19Uitzondering: ethische datief voor substantivisch subject
Nu |heeft| [me] [die sufferd] [z'n handen] weer niet |gewassen|!
In deze zin staat me, een zogenaamde ethische datief, direct achter de eerste pool. De ethische datief beperkt zich tot de eerste persoon enkelvoud en komt uitsluitend als gereduceerd vorm voor. In tegenstelling tot de eerder besproken uitzonderingen is omkering van me en een substantivisch subject in deze constructie niet mogelijk.
Ook het wederkerend voornaamwoord zich, een gereduceerde vorm die dezelfde referent heeft als het subject, kan in sommige gevallen direct op de eerste pool volgen terwijl het subject verderop in het middenstuk staat. Dit gebeurt zowel bij verplicht als toevallig wederkerende werkwoorden en is zelfs de enige mogelijkheid bij een subject dat een niet-specifiek onbepaalde interpretatie krijgt:
20Uitzondering: wederkerend zich voor substantivisch subject
aIn de kelder |bevonden| [zich] [nog verschillende goede wijnen] |Ø|.
bIn de kelder |bevonden| [nog verschillende goede wijnen] [zich] |Ø|. uitgesloten
cOp deze plaats |schijnt| [zich] [een bekende Nederlander] op|gehangen te hebben|.
dOp deze plaats |schijnt| [een bekende Nederlander] [zich] op|gehangen te hebben|.
In (19a/c) gaat zich vooraf aan respectievelijk nog verschillende goede wijnen en een bekende Nederlander. De meest voor de hand liggende interpretatie van het subject in deze zinnen is niet-specifiek onbepaald. In (19b/d) is deze interpretatie onmogelijk, waardoor de b-zin uitgesloten is. De nominale constituent een bekende Nederlander kan, in tegenstelling tot nog verschillende goede wijnen, gemakkelijk een specifiek onbepaalde interpretatie krijgen. De volgorde in de d-zin dwingt deze interpretatie af.
Het hoofdwerkwoord In (19c/d) is toevallig wederkerend en daarom wordt zich als direct object beschouwd. Het werkwoord in (19a/b), daarentegen, is verplicht wederkerend, wat impliceert dat zich eerder deel uitmaakt van het werkwoordelijk gezegde dan dat het als direct object fungeert. Bij dergelijke verplicht wederkerende werkwoorden kan zich, net als het indirect object in (16) en (17c), voorafgaan aan subject-dat en aan een lang subject:
21Uitzondering: verplicht wederkerend zich voor subject-dat en lang subject
aHoe |ontwikkelde| [zich] [dat] [verder] |Ø|?
bHoe |gedroegen| [zich] [de gasten die je voor dat feest uitgenodigd had] |Ø|?
De zinnen in (20) staan wederom de volgorde subject-zich toe. Bij zinnen als (20b) heeft dat zelfs de voorkeur als het hoofdwerkwoord in de tweede pool staat: hoe |hebben| [de gasten die je voor dat feest uitgenodigd had] [zich] |gedragen|?
Een laatste uitzondering wordt aangetroffen in imperatiefzinnen. Deze zinnen drukken het subject niet uit, waardoor gereduceerde objectsvormen in principe direct aansluiten bij de eerste pool. Niettemin kan in zulke zinnen een gereduceerde vorm worden gescheiden van de eerste pool door een niet-gereduceerd voornaamwoord in de functie van indirect object:
22Uitzondering: niet-gereduceerd indirect object voor gereduceerde vormen in imperatiefzinnen
22a|Geef| [mij] ['t] maar |Ø|.
b|Stuur| [ons] ['m] eens |Ø|?
Ook in dit soort zinnen is de omgekeerde volgorde gangbaar. In [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde wordt dieper ingegaan op de onderlinge volgorde van subject en objecten in het middenstuk.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links