21.2 De eerste pool en wat daarbij aansluit
De eerste pool is de positie die direct volgt op de eerste zinsplaats en voorafgaat aan het
middenstuk:
| eerste zinsplaats | |eerste pool| | middenstuk | |tweede pool| | laatste zinsplaats |
De eerste pool wordt in zinstype 1 bezet door de
persoonsvorm (pv). In zinstype 2 staat er ofwel een
onderschikkend voegwoord in of blijft de eerste pool leeg:
In beide zinstypen trekt de eerste pool in het middenstuk bepaalde elementen
aan:
Deze voorbeelden laten zien dat het subject (onderwerp) in het middenstuk direct
op de eerste pool kan volgen (Karel in (2a)). Eventuele gereduceerde vormen van het persoonlijk
voornaamwoord (zoals 't) en van het voornaamwoordelijk bijwoord (er) volgen in dat geval direct op het subject, ook als dat zelf de vorm
heeft van een gereduceerd voornaamwoord (zie 2a-b). Indien het subject op de
eerste zinsplaats staat, volgen de gereduceerde vormen direct op de eerste pool.
Op enkele uitzonderingen na kan de onderlinge volgorde van de verschillende
gereduceerde vormen worden beschreven aan de hand van enkele vuistregels.
Volgens die regels gaan subjectsvormen vooraf aan vormen voor het direct object
(lijdend voorwerp) en wederkerende voornaamwoorden als me, je en zich. Vormen voor het indirect object (meewerkend voorwerp et cetera)
volgen daar weer op. De plaatsing van er is afhankelijk van de functie die het vervult: voorafgaand aan alle
objectsvormen bij presentatief gebruik, erop volgend bij
locatief of prepositioneel
gebruik. Bij kwantitatief gebruik zijn beide
plaatsingsmogelijkheden voorhanden.
Verder lezen
De eerste pool
De eerste pool van een zin kan door een persoonsvorm (voortaan afgekort met pv),
dan wel een onderschikkend voegwoord worden bezet, of leeg blijven. In zinnen
met een voor-pv, gedefinieerd als zinstype 1, staat
de pv per definitie in de eerste pool:
De zinnen in (1) en (2) zijn zinnen met een voor-pv. De pv, overhandigde of wilde, staat in de eerste pool. De tweede pool is leeg als er geen
werkwoordelijke aanvulling is (zoals in de a-zinnen), en gevuld als die
aanvulling er wel is (zoals in de b-zinnen). De eerste zinsplaats in
zinstype 1b blijft onbezet.
In zinnen met een achter-pv, gedefinieerd als zinstype 2, zijn
er twee mogelijkheden: de eerste pool wordt bezet door een onderschikkend
voegwoord of blijft leeg. De eerste mogelijkheid wordt geïllustreerd in (3):
In beide zinnen wordt de eerste pool bezet door het onderschikkend voegwoord dat en staat de pv (overhandigde/wilde) in de tweede pool. In de b-zin deelt wilde de tweede pool met de werkwoordelijke aanvulling overhandigen. De eerste zinsplaats blijft in deze zinnen onbezet, net als bij
zinstype 1b. Om die reden worden de zinnen in (3) tot zinstype
2b gerekend. Het is belangrijk om op te merken dat het gedeelte
tussen haakjes niet op de eerste zinsplaats staat: het vertegenwoordigt steeds
een deel van een zelfstandige zin waarbinnen een afhankelijke zin de plaats van
een zinsdeel inneemt. Zo bezet de afhankelijke zin |dat|
Karel Julia gisteren een boek |overhandigde| zelf
een plaats in de zelfstandige zin Ik geloof werkelijk
....
De tweede mogelijkheid, waarbij de eerste pool leeg blijft, wordt geïllustreerd
in (4)
De zinnen in (4) hebben een achter-pv maar beginnen niet met een onderschikkend
voegwoord. De eerste pool blijft daardoor leeg. De eerste zinsplaats is bij dit
zinstype wel beschikbaar, in tegenstelling tot de zinnen in (3). Die eerste
zinsplaats bevat in zinstype 2a altijd een vragend (voornaam)woord (zoals wie in (4a) en wanneer (4b)) of een betrekkelijk (voornaam)woord (zoals waarop in (4c) en wie in (4d)). Door aan te nemen dat deze woorden niet
in maar voor de eerste pool staan,
ontstaat de volgende generalisatie: de polen van een zin worden uitsluitend
bezet door werkwoorden en onderschikkende voegwoorden, terwijl zinsdelen zoals
subject (onderwerp), objecten (lijdend voorwerp en dergelijke) en bepalingen (of
delen daarvan) uitsluitend in de posities om de polen heen voorkomen. Schema (1)
vat dit samen:
Schema 1: De eerste zinsplaats en de eerste pool in de verschillende
zinstypen
| zinstype | eerste zinsplaats | eerste pool | middenstuk | tweede pool | laatste zinsplaats |
| 1a | één (deel van een) zinsdeel | |pv| | |(werkwoordelijke aanvulling)| | ||
| 1b | |pv| | |(werkwoordelijke aanvulling)| | |||
| 2a | (één zinsdeel met een) vragend/betrekkelijk (voornaam)woord | |Ø| | |pv (+werkwoordelijke aanvulling)| | ||
| 2b | |(onderschikkend voegwoord)| | |pv (+werkwoordelijke aanvulling)| |
Over zinstype 1a dient nog te worden opgemerkt dat de eerste zinsplaats
toegankelijk is voor hooguit één zinsdeel en daarin niet afwijkt van
zinstype 2a. In beide zinstypen kan praktisch elk zinsdeel de eerste zinsplaats
bezetten, al geldt voor zinstype 2a de beperking dat zo'n zinsdeel de vorm heeft van een
vragend of betrekkelijk (voornaam)woord of zo'n woord bevat.
De lege eerste pool
Verdieping
De lege eerste pool
Zoals besproken bij het polaire principe wijkt de ANS af van de
traditie, die ervan uitgaat dat de eerste zinsplaats bij zinstype 2
structureel afwezig is. Dat betekent voor zinnen van het zinstype 2a
dat vragende of betrekkelijke (voornaam)woorden en de zinsdelen
waarin ze vervat zijn noodzakelijkerwijs in de eerste pool staan. In
deze benadering wijkt zinstype 2 nogal sterk af van zinstype 1,
waarbij zinsdelen met een vragend (voornaam)woord doorgaans wel op
de eerste zinsplaats voorkomen. De huidige benadering heeft als
voordeel dat de polen uitsluitend toegankelijk zijn voor werkwoorden
en onderschikkende voegwoorden, terwijl alle overige elementen in
ieder zinstype verdeeld worden over de overige zinsplaatsen: eerste
zinsplaats, middenstuk en laatste zinsplaats. Voorbeelden uit
informeel Nederlands ondersteunen deze analyse:
De a-zin zou in formeel Nederlands correct zijn zonder het voegwoord dat, hetzelfde geldt voor de b-zin en het voegwoord of. Zie ook deze voorbeelden.
Elementen die aansluiten bij de eerste pool
In [21.1.2.1]
Het links-rechtsprincipe wordt beschreven hoe de informatiewaarde van
zinsdelen bij neutrale accentuering toeneemt naarmate ze verder naar rechts
staan, dan wel later worden uitgesproken. In een zogenaamde nieuwszin, waarbij
alle constituenten een maximale informatiewaarde kunnen hebben, blijkt de
volgorde van het subject en de objecten vast te liggen, mits ze allemaal in het middenstuk
staan:
In deze voorbeelden duiden vierkante haken de verschillende zinsdelen aan. Uit
(5a) wordt duidelijk dat het subject (de directeur van ons
bedrijf) vooraf gaat aan het nominale indirect
object (de medewerkers), dat op zijn
beurt weer vooraf gaat aan het direct object (een
belangrijk bericht). Het voorbeeld in (5b) laat
zien dat een prepositioneel indirect object (aan de medewerkers) het direct object volgt. De zinnen in (5c-d) demonstreren dezelfde
tendenzen voor zinnen met een achter-pv. Alternatieve volgordes van de zinsdelen
in het middenstuk, zoals in (6), zijn duidelijk niet mogelijk:
Het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) in de
basisvolgorde
Verdieping
Het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp) in de
basisvolgorde
Zinnen met een naamwoordelijk gezegde beschikken niet over een direct
object, maar kunnen wel een oorzakelijk object hebben. Met
betrekking tot de basisvolgorde gedraagt het oorzakelijk object zich
als het direct object in een actieve zin:
In deze voorbeelden gaat het subject (transparante communicatie) vooraf aan het ondervindend voorwerp (de directeur van ons bedrijf), wat op zijn beurt weer vooraf gaat aan het oorzakelijk
object (ontzettend veel).
Bronnen zoals de Syntax of
Dutch gaan ervan uit dat de basisvolgorde in het middenstuk niet wordt
bepaald door functies als subject, object en indirect object, maar door
semantische rollen. De generalisatie zou in dit geval dan zijn: 'agent'
> 'goal' > 'theme'. Dit zou worden bevestigd door de passieve variant
van de a-zin:
Morgen |zal| [door de directeur
van ons bedrijf] [de medewerkers][een belangrijk bericht] |worden
gestuurd|.De bepaling [door de directeur van ons bedrijf] heeft namelijk niet de functie van subject, maar wel de
semantische rol van 'agent'.
Het subject en de objecten in (5) zijn niet-pronominaal en daardoor uitermate geschikt om nieuwe
referenten in de context van het gesprek of de tekst te introduceren. Hun
nieuwswaarde is dan maximaal. Referenten die al geïntroduceerd zijn en die ook
anderszins geen prominente rol spelen, hebben een minimale informatiewaarde.
Gereduceerde vormen van persoonlijke voornaamwoorden zijn bij uitstek geschikt
voor zulke referenten, omdat ze niet kunnen worden beaccentueerd. De plaatsing
van zulke vormen is opvallend dicht bij de eerste pool:
De zinnen in (7b-c) laten zien dat gereduceerde objectsvormen zoals ze en 't in het middenstuk van zinnen met een voor-pv direct na het subject
komen. Gereduceerde subjectsvormen zoals -ie volgen direct op de eerste pool (zie 7a). Gereduceerde subjectsvormen
zoals 'k, je, 't, ze en we kunnen, evenals niet-gereduceerde vormen, ook voor de eerste pool staan. Een eventuele objectsvorm
volgt in dat geval direct op de eerste pool, zoals in [ze]
|zal| ['t] [de medewerkers] morgen |sturen|. Voor -ie geldt dit niet: deze vorm kan uitsluitend achter de eerste pool
staan. In zinnen met een achter-pv is de plaats van gereduceerde voornaamwoorden
in het middenstuk gelijk aan die in zinnen met een voor-pv (zie (7d-f)). Wanneer
een gereduceerde vorm het complement is van een voorzetsel, verandert er niets
aan de plaatsing van de bevattende voorzetselconstituent:
(wat zei je nu over de medewerkers?) |Dat| [de
directeur van ons bedrijf] [een belangrijk bericht] [aan ze] |zal
sturen| (zie (5b/d)).
In zinnen met een substantivisch of voornaamwoordelijk subject op de eerste
zinsplaats staan gereduceerde objectsvormen eveneens direct achter de eerste
pool:
Kortom: in overeenstemming met het links-rechtsprincipe volgen gereduceerde
voornaamwoorden als subject of object direct op de eerste pool. Alleen bij de
objectsvormen staat er nog een zinsdeel tussen, namelijk het subject, tenzij dit
zelf op de eerste zinsplaats staat. Als er meerdere zinsdelen tegelijk door
middel van een gereduceerd voornaamwoord worden weergegeven, klitten ze als het
ware samen. Hun onderlinge volgorde in het middenstuk is als volgt:
Zoals in de overige zinnen hierboven gaat het subject [-ie] ook hier vooraf aan de objecten. Het direct object ['t] gaat op zijn beurt weer vooraf aan het indirect object [ze]. Opvallend hierbij is dat de onderlinge volgorde van gereduceerde
objectsvormen precies omgekeerd is ten opzichte van de basisvolgorde in (5), waarbij het (nominale) indirect object juist vooraf gaat aan
het direct object.
Ook het gereduceerde voornaamwoordelijk bijwoord er volgt in het middenstuk kort op de eerste pool. Hierbij mag niet
worden vergeten dat er
verschillende
functies kan hebben, wat gevolgen heeft voor de positie van er in de zin. Allereerst is er het zogenaamde
presentatieve
er, dat dient om de referent van een, in de regel onbepaalde, nominale
constituent elders in de zin te introduceren in de rol van subject. Uit de
volgende zinnen blijkt dat de positie van dit woord samenvalt met de positie van
gereduceerde subjectsvormen:
Presentatief er staat in het middenstuk direct achter de eerste pool. Evenals
gereduceerde subjectsvormen kan presentatief er ook voor de eerste pool staan, zoals blijkt uit
er |zal| [zich] [op kantoor] [ongetwijfeld] [een of
andere onderdirecteur] [diep] |schamen|. Uit
(12a) blijkt dat zich, een onbeklemtoonbaar wederkerend voornaamwoord, direct op
presentatief er volgt. Gereduceerde objectsvormen zijn blijkens (12b) niet te
combineren met presentatief er. Dit heeft ermee te maken dat bij gezegdes
met een sterk handelingskarakter de voorkeur uitgaat naar een
constructie zonder er: morgen |zal| [een of andere onderdirecteur]
['t] [ze] [ongetwijfeld] |sturen|. De status van
het voorbeeld in (12c), waarbij gereduceerde objectsvormen ontbreken, is om
dezelfde reden twijfelachtig.
Basisvolgorde van subject en objecten en variatie daarin
Verdieping
Basisvolgorde van subject en objecten en variatie daarin
In [21.5] Het middenstuk komt de basisvolgorde van
subject en objecten uitgebreid aan bod. Die basisvolgorde geldt zeer
strikt voor de rechterkant van het middenstuk. Aan de linkerkant bestaat er variatie. Objecten kunnen
echter niet links in het middenstuk staan zonder dat ook het subject
daar staat. Dit verklaart waarom voorbeelden als (12b) onacceptabel
zijn.
Presentatief er in combinatie met een bevraagd subject
Verdieping
Presentatief er in combinatie met een bevraagd subject
Wanneer het subject van een zin bevraagd wordt, staat dat bijna altijd op
de eerste zinsplaats. Ook in die situatie kan de eerste pool worden
gevolgd door een presentatief er:
i(Ik zou wel eens
willen weten) wie |Ø| er allemaal bang
|zijn| voor deze directeur.
Ook bij dit soort zinnen is er afwezig wanneer de zin een gereduceerde objectsvorm
bevat:
Hoofdstuk 8 bevat een uitgebreide beschrijving van de
gebruiksmogelijkheden van presentatief er, inclusief de factoren die aan- of juist afwezigheid van er kunnen bepalen.
Een locatief
er gaat wel samen met gereduceerde objectsvormen: het volgt er in het
middenstuk direct op. Daarbij kan er de functie van een niet-verplicht aanwezige bepaling hebben, zoals in
(13b), of van een bepaling die meer inherent met het hoofdwerkwoord verbonden
is, zoals in (13e):
Uit (13c/f) blijkt dat een puur locatief er niet op de eerste zinsplaats kan staan. Het voorbeeld in (13e) heeft
de volgende variant: morgen |zal| [de directeur]
[er] [zich] [met tegenzin]
|bevinden|. Dit heeft te maken met het feit dat
wederkerende voornaamwoorden als zich weliswaar onbeklemtoonbaar zijn, maar niet per se als gereduceerde
vorm gelden. Verderop zal dan ook blijken dat de plaatsing van deze woorden wat
vrijer is.
Ook een prepositioneel
er kan in het middenstuk direct op gereduceerde objectsvormen volgen.
Zo'n er maakt overigens uitsluitend deel uit van een voorzetselobject
(voorzetselvoorwerp) zoals er ... mee in (14b). Prepositioneel er is niet mogelijk bij er ... naar in (14d), wat dienst doet als bijwoordelijke bepaling:
Ook een puur prepositioneel er kan niet op de eerste zinsplaats staan (14c). In het middenstuk sluit
het prepositionele er overigens niet altijd verplicht aan bij eventuele gereduceerde
vormen. Het voorbeeld in (14b) heeft namelijk een variant waarbij er direct voor de adpositie staat: morgen |zal| [de
directeur] [ze] [voortdurend] [ermee]
|bestoken|.
Een kwantitatief
er, ten slotte, vervangt een deel van het subject of van een object. In
het eerste geval volgt het in het middenstuk direct op de eerste pool, waar het
samenvalt met presentatief er:
Dat er in dit soort zinnen altijd sprake is van een combinatie van presentatief
en kwantitatief er blijkt wel uit (15d), waarbij het presentatieve er de eerste zinsplaats bezet. Datzelfde er kan op die plaats geen kwantitatieve functie hebben, getuige (15c).
Het voorbeeld in (15e) demonstreert wederom dat presentatief er niet samen met gereduceerde objectsvormen voorkomt.
Als een kwantitatief er een deel van een object vervangt, kan het direct na eventuele
gereduceerde objectsvormen komen (zoals locatief/prepositioneel er), of daaraan voorafgaan (zoals presentatief er, maar steeds volgend op het subject):
Het kwantitatieve er in (16b-c) vervangt een deel van het direct object twee belangrijke berichten. Het er in (16e-f) vervangt een deel van het indirect object tien medewerkers. De zinnen in (16g-h) laten ten slotte nog zien dat vervanging van
een deel van het voorzetselobject met twee vervelende e-mails niet mogelijk is.
Volgens (Broekhuis et al. 2015) is er geen eenduidigheid over de
vraag of gereduceerde voornaamwoorden in het Nederlands als clitische
pronomina kunnen worden beschouwd. Het feit dat ze samenklitten en de
volgorde van de objectsvormen omgekeerd is aan de die van
substantivische objecten (zie (5)) pleit in het voordeel van een clitic-analyse. Dat ze
door een niet-gereduceerd subject van die pool kunnen worden gescheiden,
weerspreekt de status van clitics. Deze kwestie verdient dan ook nader
onderzoek.
In het algemeen kan worden geconcludeerd dat gereduceerde voornaamwoorden en het
voornaamwoordelijk bijwoord er direct aansluiten bij de eerste pool. De voorwaarde hiervoor is dat
het subject op de eerste zinsplaats staat. Indien het subject in het middenstuk
staat, gaat het vooraf aan de gereduceerde vormen. Staat het subject verderop in
het middenstuk, dan kunnen eventuele objecten niet als gereduceerde vorm
voorkomen. In dat geval staat er vaak wel een presentatief er in de zin. Dit introduceert het eigenlijke subject en volgt direct op
de eerste pool, tenzij het op de eerste zinsplaats staat.
Tot besluit volgt hier een aantal uitzonderingen waarin een gereduceerde vorm
tussen de eerste pool en een niet-gereduceerd subject in staat, te beginnen met
een aantal voorbeelden waarin een gereduceerd indirect object direct op de
eerste pool volgt:
De volgorde van gereduceerd voornaamwoord en dat in zinnen zoals (17) ligt niet vast, maar de gedemonstreerde volgorde
is wel zeer gebruikelijk.
Opmerking:
Verdieping
Opmerking:
In (17a) valt op dat het eerste deel van het scheidbaar samengestelde
werkwoord opgeleverd niet in, maar vlak voor de tweede pool staat; dit heeft
verder niets met de hier besproken uitzondering te maken.
Ook in (17) gaat het niet om een strikte woordvolgorderegel; zinnen waarin de
volgorde omgekeerd is zijn zelfs even gangbaar als de gegeven voorbeelden:
dat |vertelde| [die lieve, kleine meid van je
oudste broer] [me] [gisteren] [nog]
|Ø|.
19Uitzondering: ethische datief voor substantivisch subject
Nu |heeft|
[me] [die sufferd] [z'n handen] weer niet
|gewassen|!
In deze zin staat me, een zogenaamde ethische datief, direct achter de eerste pool. De
ethische datief beperkt zich tot de eerste persoon enkelvoud en komt uitsluitend
als gereduceerd vorm voor. In tegenstelling tot de eerder besproken
uitzonderingen is omkering van me en een substantivisch subject in deze constructie niet mogelijk.
Ook het wederkerend voornaamwoord zich, een gereduceerde vorm die dezelfde referent heeft als het subject,
kan in sommige gevallen direct op de eerste pool volgen terwijl het subject
verderop in het middenstuk staat. Dit gebeurt zowel bij verplicht als toevallig
wederkerende werkwoorden en is zelfs de enige mogelijkheid bij een subject dat
een niet-specifiek onbepaalde interpretatie krijgt:
In (19a/c) gaat zich vooraf aan respectievelijk nog verschillende
goede wijnen en een bekende
Nederlander. De meest voor de hand liggende
interpretatie van het subject in deze zinnen is niet-specifiek onbepaald. In
(19b/d) is deze interpretatie onmogelijk, waardoor de b-zin uitgesloten is. De
nominale constituent een bekende Nederlander kan, in tegenstelling tot nog verschillende goede wijnen, gemakkelijk een specifiek onbepaalde interpretatie krijgen. De
volgorde in de d-zin dwingt deze interpretatie af.
Het hoofdwerkwoord In (19c/d) is toevallig wederkerend en daarom wordt zich als direct object beschouwd. Het werkwoord in (19a/b), daarentegen,
is verplicht wederkerend, wat impliceert dat zich eerder deel uitmaakt van het werkwoordelijk gezegde dan dat het als
direct object fungeert. Bij dergelijke verplicht wederkerende werkwoorden kan zich, net als het indirect object in (16) en (17c), voorafgaan aan subject-dat en aan een lang subject:
De zinnen in (20) staan wederom de volgorde subject-zich toe. Bij zinnen als (20b) heeft dat zelfs de voorkeur als het
hoofdwerkwoord in de tweede pool staat: hoe |hebben| [de
gasten die je voor dat feest uitgenodigd had] [zich]
|gedragen|?
Een laatste uitzondering wordt aangetroffen in imperatiefzinnen. Deze zinnen
drukken het subject niet uit, waardoor gereduceerde objectsvormen in principe
direct aansluiten bij de eerste pool. Niettemin kan in zulke zinnen een
gereduceerde vorm worden gescheiden van de eerste pool door een niet-gereduceerd
voornaamwoord in de functie van indirect object:
Ook in dit soort zinnen is de omgekeerde volgorde gangbaar. In [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en
variatie op de basisvolgorde wordt dieper ingegaan op de onderlinge
volgorde van subject en objecten in het middenstuk.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
