21.5.1 De rechterkant van het middenstuk: nieuwszinnen en basisvolgorde
Het kenmerkende van het middenstuk is dat er veel verschillende zinsdelen kunnen
staan. Enerzijds zijn er zinsdelen die nauw verbonden zijn met het
hoofdwerkwoord en die normaal gezien verplicht aanwezig zijn in de zin, zoals
het subject (onderwerp), objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et
cetera) en allerlei inherent met het hoofdwerkwoord verbonden zinsdelen
(naamwoordelijk deel van het gezegde, inherente bepalingen, et cetera).
Anderzijds zijn er zinsdelen die slechts facultatief aanwezig zijn en die dus
gemakkelijk ook zouden kunnen worden weggelaten (allerlei typen bepalingen).
In zogenaamde nieuwszinnen bevat elk zinsdeel een maximale nieuwswaarde. De
volgorde van de zinsdelen is daar onveranderlijk en kan daarom worden aangemerkt
als de basisvolgorde. De zinnen in het volgende schema illustreren de
basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen:
De basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk:
| ... |eerste pool| | [subject] | [(nominaal) indirect object] | [direct object] / [oorzakelijk object] | [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] | [inherente zinsdelen], losstaande adposities | |tweede pool| ... |
| (Karel las) |dat| | een docent | (zijn leerlingen) | een zware straf | (aan zijn leerlingen) | op | |gelegd had|. |
| (Er stond) |dat| | boze ouders | iets slechts | met de docent in kwestie | van plan | |waren|. |
Zoals beschreven in [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit sluiten
inherente zinsdelen en losstaande adposities direct aan bij de tweede pool. Ze
staan dus uiterst rechts in het middenstuk. Direct links daarvan staan
voorzetselconstituenten zoals het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) of het
(prepositionele) indirect object (meewerkend voorwerp, belanghebbend voorwerp).
De overige zinsdelen staan daar weer links van. Daarbij gaat het subject vooraf
aan de objecten. Het (nominale) indirect object gaat op zijn beurt weer vooraf
aan het direct object (lijdend voorwerp). Het zinstype is overigens niet van
invloed op deze volgorde. Niettemin zijn de voorbeelden in deze deelparagraaf
steeds van zinstype 2b, waarbij de eerste zinsplaats per definitie onbezet
blijft. Dit heeft als voordeel dat bijna alle zinsdelen zich tussen de beide
polen in het middenstuk bevinden.
Naast de verplicht aanwezige zinsdelen kan het middenstuk één of meerdere
zinsdelen bevatten die toevallig aanwezig zijn. Het gaat hierbij om
bijwoordelijke bepalingen, een grote groep zinsdelen die in twee
hoofdcategorieën uiteen valt: gezegdebepalingen en
zinsbepalingen. De eerste categorie heeft betrekking op
het gezegde en staat in een nieuwszin tussen het subject en de objecten in. De
tweede categorie staat direct links van het subject.
De basisvolgorde van toevallig aanwezige zinsdelen in het middenstuk:
| ... |eerste pool| | [...] | [zinsbepalingen] | [subject] | [gezegdebepalingen] | [indirect obj...] |
| (Het schijnt) |dat| | blijkbaar | enkele media | tamelijk voortvarend | scholen |zijn gaan benaderen|. | |
| (Daarbij bleek) |dat| | ze de docent in kwestie | volgens het bestuur niet | al te zacht | |aanpakten|. | |
| (Het gevolg was) |dat| | deze | tegenwoordig niemand meer | aan |durft te kijken|. |
Deze deelparagraaf richt zich op de rechterkant van het middenstuk: het gebied
tussen de zinsbepalingen en de tweede pool. Zoals het bovenstaande schema laat
zien, is er ook tussen de eerste pool en de zinsbepalingen volop ruimte voor
verschilllende zinsdelen ([...]). Dit is de linkerkant van het middenstuk, waar
zinsdelen zoals ze, deze en de docent in kwestie zich ophouden. Deze zinsdelen vertegenwoordigen doorgaans reeds
bekende informatie en volgen niet in alle gevallen de basisvolgorde. Deze zaken
komen aan bod in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en
variatie op de basisvolgorde.
Verder lezen
De basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen
Zinsdelen die normaal gesproken verplicht aanwezig zijn, staan in het middenstuk
niet in een willekeurige volgorde. Zoals elders beschreven, speelt het links-rechtsprincipe een belangrijke rol in de ordening
van zinsdelen. Dit gebeurt op basis van hun nieuwswaarde: hoe hoger de
nieuwswaarde van een zinsdeel, des te verder naar achteren dat zinsdeel staat.
In zogenaamde nieuwszinnen is dat links-rechtsprincipe niet bruikbaar, aangezien
ieder zinsdeel in zulke zinnen een maximale nieuwswaarde heeft. De onderlinge
volgorde van zinsdelen in het middenstuk van nieuwszinnen ligt vast. Deze
volgorde wordt in het vervolg dan ook aangeduid met de term 'basisvolgorde'.
In [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit wordt aan
de hand van nieuwszinnen gedemonstreerd dat de basisvolgorde van subject
(onderwerp) en objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et cetera) als
volgt is: het subject gaat vooraf aan het (nominale) indirect object. Het direct
object of, in geval van een naamwoordelijk gezegde, het oorzakelijk object
(oorzakelijk voorwerp), volgt op het nominale indirect object. Het volgende
schema laat deze basisvolgorde zien:
Schema 1: Basisvolgorde van subject en (nominale) objecten in het
middenstuk.
| |eerste pool| | middenstuk | |tweede pool| | ||
| [subject] | [(nominaal) indirect object] | [direct object] / [oorzakelijk object] |
De zinnen in (1) demonstreren deze volgorde:
In deze zin gaat het subject de directeur van een grote
multinational vooraf aan de objecten. Het nominale indirect
object zijn trouwste werknemer gaat vooraf aan het direct
object (in (1a)) of oorzakelijk object (in (1b)) een
helikopter, zoals beschreven in schema 1. De drie genoemde
zinsdelen zijn hier verplicht aanwezig: het subject vanwege de eis dat een
grammaticale zin een subject nodig heeft (uitzonderingen als imperatieven en
beknopte bijzinnen daargelaten), en de objecten omdat ze complementen van het
hoofdwerkwoord zijn.
Deze verplichte zinsdelen kunnen worden uitgedrukt door nominale constituenten,
zoals in de bovenstaande nieuwszinnen. In veel zinnen, echter, worden ze
weergegeven door middel van persoonlijke voornaamwoorden. De plaatsing van deze
persoonlijke voornaamwoorden in het middenstuk wijkt af van de hier besproken
posities. Dit wordt beschreven in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en
variatie op de basisvolgorde. Daarnaast kunnen de functies van
subject en (in)direct object door afhankelijke zinnen worden vervuld. Deze staan
echter zelden in het middenstuk, zoals beschreven in [21.6.2] Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats.
Het indirect object wordt, zoals bekend, dikwijls weergegeven door een
voorzetselconstituent. In nieuwszinnen volgt zo'n voorzetselconstituent op een
eventueel direct object in plaats van eraan vooraf te gaan. Hetzelfde geldt voor
voorzetselobjecten (voorzetselvoorwerpen):
In
een noot in [20.6....] Het voorzetselobject wordt ingegaan op de
begrenzing van deze categorie. De regels met betrekking tot de
basisvolgorde in het middenstuk gaan uit van voorzetselobjecten in enge
zin. Wordt de definitie ruimer gehanteerd, zoals sinds De Schutter
(1974) op verschillende plaatsen voorgesteld, dan zijn er ook zinnen met
twee voorzetselobjecten mogelijk:
i(Het schijnt)
|dat| de directeur van een grote multinational tegen
zijn trouwste werknemer over de prijs van
helikopters |geklaagd
heeft|.
Het voorbeeld in (i) bevat twee voorzetselconstituenten. De
laatste van de twee, over de prijs van helikopters, geldt als een prototypisch voorbeeld van een
voorzetselobject. De eerste, tegen zijn trouwste werknemer, wordt normaliter als bijwoordelijke bepaling beschouwd.
Onder de hierboven bedoelde ruime opvatting van voorzetselobjecten is
het een (tweede) voorzetselobject. Vandeweghe & Colleman (2011)
merken op dat bij dit soort zinnen de onderlinge volgordes van de twee
voorzetselobjecten niet altijd vast ligt, ook al is er vaak wel een
bepaalde voorkeur en die hangt samen met het hoofdwerkwoord. Ze breiden
hun analyse uit naar gevallen met een nominaal object en een
prepositioneel indirect object of voorzetselobject en laten op basis van
corpusonderzoek zien dat de onderlinge volgorde van nominaal object en
voorzetselconstituent bij bepaalde werkwoorden vastligt, terwijl er bij
andere werkwoorden variatie optreedt. Ten grondslag aan de analyse ligt
de mate van verbondenheid van de twee objecten met het hoofdwerkwoord.
In sommige gevallen leidt die tot een duidelijke hiërarchie, waarbij het
object dat het nauwst verbonden is met het werkwoord dichter bij de
tweede pool staat. In andere gevallen, echter, ontbreekt die hiërarchie,
wat mogelijk aanleiding is tot minder duidelijke plaatsingsvoorkeuren.
Meer onderzoek is nodig om het geciteerde corpusonderzoek op
waarde te schatten met betrekking tot basisvolgorde en eventuele
variatie daarin. De data waarop Vandeweghe en Colleman hun analyse
baseren sluiten weliswaar zinnen uit met voornaamwoordelijke objecten of
objecten die niet in het middenstuk staan, maar het is onduidelijk in
hoeverre het altijd om nieuwszinnen gaat met een neutrale beklemtoning.
Zoals in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige
zinnen en variatie op de basisvolgorde wordt gedemonstreerd,
kan de volgorde van zinsdelen in het middenstuk bij niet-nieuwszinnen
afwijken van de hier beschreven basisvolgorde.
In (1b) komt nog een ander verplicht zinsdeel voor: het naamwoordelijk
deel van het gezegde verschuldigd. Dit zinsdeel staat direct voor de tweede pool en volgt in het
middenstuk dan ook op het subject en de objecten. Andere inherent met het
hoofdwerkwoord verbonden zinsdelen gaan eveneens direct vooraf aan de tweede
pool, zoals beschreven in [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit. De
volgende voorbeelden illustreren dit:
Het voorbeeld in (3d) laat ten slotte zien dat ook losstaande adposities, zoals
bijvoorbeeld het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord (een
partikel), aansluiten bij de tweede pool. Deelparagraaf [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit bespreekt
enkele tendensen met betrekking tot de onderlinge volgorde van dit soort
elementen en inherente zinsdelen. Het bovenstaande schema kan nu als volgt
worden uitgebreid:
Schema 2: Basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het
middenstuk
| |eerste pool| | middenstuk | |tweede pool| | ||||
| [subject] | [(nominaal) indirect object] | [direct object] / [oorzakelijk object] | [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] | [inherente zinsdelen], losstaande adposities |
Dit uitgebreidere schema is niet meer dan een voorlopige beschrijving van de
woordvolgorde in het middenstuk. Voor zover verplicht aanwezige zinsdelen in het
middenstuk van een nieuwszin staan, is deze basisvolgorde de enige mogelijkheid.
Ook in andersoortige zinnen, waarbij één of meerdere zinsdelen reeds bekende
informatie vertegenwoordigen, wordt deze volgorde vaak aangetroffen:
In de bovenstaande zinnen hebben achtereenvolgens het subject (hij), het indirect object (haar) en het direct object (hem) de vorm van een persoonlijk voornaamwoord. De positie ten opzichte
van de andere zinsdelen in het middenstuk is zoals beschreven in Schema 2, dat
wil zeggen, het subject gaat steeds vooraf aan het indirect object, wat weer
voorafgaat aan het direct object. Het indirect object in zin (4c) heeft de vorm
van een voorzetselconstituent (aan zijn trouwste werknemer). Opvallend is dat de variant met een nominaal indirect object niet
goed mogelijk lijkt:
5(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational
zijn trouwste werknemer hem |gegeven heeft|.uitgesloten
Dit verschijnsel kan deels worden verklaard aan de hand van het
links-rechtsprincipe, dat stelt dat zinsdelen met een geringe informatieve
waarde relatief vroeg in de zin worden gerealiseerd, oftewel relatief ver naar
links in de zin staan. In [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit wordt
besproken dat dit in extreme mate voor gereduceerde voornaamwoorden geldt: die
volgen direct op het subject, mits dat subject zelf direct op de eerste pool
volgt. Een zin als (het schijnt) |dat| de directeur van een
grote multinational 'm zijn trouwste werknemer
|gegeven heeft| is dan ook wel acceptabel. Zonder
reductie van het voornaamwoord, als in (het schijnt) |dat|
de directeur van een grote multinational hem zijn trouwste werknemer
|gegeven heeft|, is de status van de zin
twijfelachtig. [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en
variatie op de basisvolgorde gaat hier dieper op in. De beschrijving
daar gaat uit van een gedetailleerdere invulling van het middenstuk dan tot nu
toe besproken. Naast verplicht aanwezige zinsdelen zijn
namelijk ook toevallig aanwezige zinsdelen van belang voor
een goed beeld van de verschillende posities in het middenstuk. Zulke zinsdelen
komen in de volgende sectie aan bod.
De basisvolgorde van toevallig aanwezige zinsdelen
Naast verplicht aanwezige zinsdelen zoals subject, objecten, inherente zinsdelen
en losstaande adposities, kunnen zinnen ook constituenten bevatten die niet per
se noodzakelijk aanwezig zijn. Deze toevallig aanwezige constituenten zijn de
bijwoordelijke bepalingen. Ook voor bijwoordelijke bepalingen kunnen
basisposities worden aangeduid in het middenstuk, en wel direct links of direct
rechts van het subject in een nieuwszin:
6(In de krant stond) |dat|
naar verluidt de directeur van een grote
multinational met lichte tegenzin zijn trouwste
werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
In dit voorbeeld staat de bepaling van perspectief naar verluidt links van het subject. De bepaling van volitie met lichte tegenzin staat rechts van het subject. Deze twee bepalingen vertegenwoordigen
de twee hoofdcategorieën van bepalingen: naar verluidt is een zogenaamde 'zinsbepaling' en met lichte tegenzin een zogenaamde 'gezegdebepaling'. Alvorens die twee categorieën nader
te bekijken, is het zaak om te vermelden dat verplichte zinsdelen als het
subject, direct object en indirect object in het middenstuk met groot gemak
links van enige bepaling kunnen staan. Dat is met name het geval als zulke
zinsdelen reeds bekende informatie bevatten. De volgende zinnen illustreren dit
aan de hand van persoonlijke voornaamwoorden en een aanwijzend
voornaamwoord:
In de bovenstaande zinnen blijft de onderlinge volgorde van subject, indirect
object en direct object gehandhaafd, ook al duiken de bepalingen als het ware
steeds tussen twee andere zinsdelen op. Dit soort zinnen zijn uiteraard geen
nieuwszinnen, en ze komen dan ook in de volgende deelparagraaf aan bod. Daar worden de
verschillende mogelijkheden tot plaatsing van verplicht aanwezige zinsdelen
tussen en ter linkerzijde van de bijwoordelijke bepalingen besproken. De aanname
is de bepalingen het middenstuk als het ware in twee helften splitsen: een
linkerhelft en een rechterhelft. De basisvolgorde is in de rechterhelft
absoluut, maar in de linkerhelft zijn ook variaties op de basisvolgorde
mogelijk.
Zoals bekend vallen bijwoordelijke bepalingen in talrijke soorten uiteen. Hoewel
het onderzoek naar de precieze onderlinge volgorde in het middenstuk nog in
volle gang is, zijn de twee genoemde groepen duidelijk te onderscheiden, onder
andere op grond van hun plaatsing in het middenstuk. De gezegdebepalingen hebben
alleen betrekking op het gezegde. In nieuwszinnen staan ze tussen het subject en
de objecten in. De volgende zinnen bevatten voorbeelden van deze groep
bepalingen:
De ANS introduceert hier op
eigen gezag de term 'gezegdebepaling', als equivalent voor de
gangbaardere term 'VP-bepaling'. Helemaal nieuw is de term echter niet:
in het verleden is hij wel gebruikt als alternatieve benaming voor
'bepaling van gesteldheid'.
De bepalingen in de bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op de door het
gezegde uitgedrukte werking. Dit kan op verschillende manieren worden
aangetoond. Allereerst kan een zin met een gezegdebepaling vaak geparafraseerd
worden met een bepaald type samengestelde zin. Zo kan hij
|heeft| zijn trouwste werknemer met behulp van een
lening een helikopter |gegeven|
worden geparafraseerd met hij heeft zijn trouwste werknemer
een helikopter gegeven en hij heeft dat met behulp van een
lening gedaan. Een andere manier
om aan te tonen dat met behulp van een lening een gezegdebepaling is, is door middel van implicatie: de zin met
bepaling impliceert de zin zonder bepaling. Dat wil zeggen:
hij |heeft| met behulp van een lening zijn trouwste
werknemer een helikopter |gegeven| impliceert
hij |heeft| zijn trouwste werknemer een helikopter
|gegeven|. Deze beide tests kunnen ook worden
toegepast op de andere voorbeelden die hierboven werden gegeven.
Dat zinnen meer dan één gezegdebepaling kunnen bevatten, laat het
volgende voorbeeld zien:
Toepasbaarheid tests ter opsporing van bepalingen (1)
Verdieping
Toepasbaarheid tests ter opsporing van bepalingen (1)
De eerstgenoemde test ter opsporing van gezegdebepalingen is niet in
alle gevallen toepasbaar. Meestal ligt dat aan het hoofdwerkwoord
van de zin, zoals in de volgende voorbeelden:
iZij |heeft|
voor de grap een helikopter
|gekregen|.
iiJullie |zijn|
door die lening uit de zorgen |Ø|.
Doordat het subject van krijgen niet agentief kan zijn, levert parafrase van (i) met
zij heeft een helikopter gekregen en ze
heeft dat voor de grap gedaan een
onacceptabele zin op. Een parafrase met ... en
dat gebeurde voor de grap geeft een
natuurlijker resultaat. Een soortgelijk probleem speelt in (ii),
waar het (naamwoordelijk) gezegde evenmin een agentief subject
verdraagt en daarnaast eerder een staat van het subject uitdrukt, in
plaats van een gebeurtenis. De implicatietest werkt in deze gevallen
wel: zo impliceert voorbeeld (i) de zin zij
heeft een helikopter gekregen, en
voorbeeld (ii) jullie zijn uit de
zorgen.
9(In de krant stond) |dat|
de directeur van een grote multinational voor de grap met
lichte tegenzin verleden jaar in de Efteling met zijn vrouw met
behulp van een lening zijn trouwste werknemer een
helikopter |gegeven heeft|.
Andere voorbeelden van gezegdebepalingen zijn bepalingen van oorzaak, reden,
gevolg, toegeving, wijze, graad en domein. Ook de agentieve door-bepaling in passieve zinnen behoort tot de categorie van de
gezegdebepalingen:
10(Zij beweert) |dat| die
helikopter door de directeur aan zijn trouwste
werknemer |geschonken is|.
Volgens (Schweikert 2005) en (Cinque 2006) worden bijwoordelijke bepalingen in
verschillende talen in een universele onderlinge volgorde gerealiseerd.
(Broekhuis et al. 2015) beamen dat maar komen voor het
Nederlands tot een enigszins aangepaste volgorde:
- oorzaak/reden/doel/resultaat/toegeving > volitie > tijd > plaats > wijze/graad > agentief > comitatief > instrument/middel > domein
Deze volgorde is voorlopig en wordt om die reden hier niet onverkort
overgenomen, al is hij wel toegepast in (9). Zoals in [21.5.2] wordt beschreven, komen bepalingen ook
ter linkerzijde van hun basispositie in het middenstuk voor. Om die
reden is het lastig om vast te stellen wat precies hun basispositie is
ten opzichte van andere bepalingen. Een tweede complicerende factor is
dat sommige bepalingen qua betekenis niet te combineren zijn met een
bepaald gezegde of met sommige andere bepalingen. Hierdoor is het
vooralsnog onduidelijk wat de onderlinge volgorde van de bepalingen van
oorzaak, reden, doel, resultaat en toegeving is. Ook kan een agentieve
bepaling (de zogenaamde door-bepaling) niet voorkomen in een actieve zin, wat bepaalde
combinaties met andere bepalingen uitsluit.
De tweede groep bijwoordelijke bepalingen zijn de zogenaamde 'zinsbepalingen'.
Deze bepalingen hebben niet alleen betrekking op het gezegde, maar meer op de
zin als geheel. Ze voegen daarbij vaak een betekeniselement toe zoals ontkenning (niet), aspectualiteit (zoals nog steeds, niet meer, weer) of focus (zoals alleen, ook, zelfs). Een dergelijk betekeniselement is moeilijk te verenigen met het
type nieuwszin dat hier centraal staat. De volgende voorbeelden laten dit
zien:
De zinsbepalingen in deze voorbeelden staan links van het subject. De
zinsbepalingen in (11a-c) veronderstellen een bepaalde context en laten zich dan
ook moeilijk combineren met het type nieuwszin dat hier centraal staat. Ze maken
gebruik van presentatief er als een soort algemeen kaderscheppend element. De voorbeelden in (11d-e) zijn
minder stroef. Om aan te tonen dat een bepaling tot de categorie zinsbepalingen
behoort, kan een zin als hij |heeft| haar zelfs voor de
grap een helikopter |gegeven| worden
geparafraseerd met het is zelfs zo dat hij haar voor de
grap een helikopter gegeven heeft. Ook de andere
voorbeeldzinnen laten zich op een dergelijke manier parafraseren. Het idee
hierbij is dat de bepaling niet alleen op een deel van de zin van toepassing is,
maar op de zin als geheel. Met gezegdebepalingen levert deze test merkwaardige
zinnen op ('het is voor de grap zo dat hij haar een
helikopter gegeven heeft'). Sommige ondersoorten
van de zinsbepalingen vertonen overlap met de gezegdebepalingen, zoals
bijvoorbeeld die van oorzaak, reden, doel, resultaat, toegeving, plaats en tijd.
Hierdoor is het mogelijk om bijvoorbeeld twee bepalingen van plaats in één zin
aan te treffen:
Deze voorbeelden bevatten zowel gezegdebepalingen van tijd/plaats (op haar laatste werkdag, op een congres) als zinsbepalingen van tijd/plaats (over een jaar, in Oostenrijk). De zin ze |hebben| elkaar in Oostenrijk
waarschijnlijk op een congres |ontmoet| is
bijvoorbeeld te parafraseren met het is in Oostenrijk
waarschijnlijk zo geweest dat ze elkaar ontmoet hebben en dat gebeurde
op een congres. Zoals met betrekking tot de linkerkant van het middenstuk zal worden besproken,
staat een voornaamwoordelijk subject zoals ze in (12) uiterst links in het middenstuk. Hierdoor is het mogelijk dat
de zinsbepalingen direct links van de gezegdebepalingen staan. Het volgende
voorbeeld laat zien dat een zin meer dan twee zinsbepalingen kan bevatten:
13(In de krant stond) |dat|
volgens welingelichte bronnen jammer genoeg ogenschijnlijk
alleen de directeur van een grote multinational ter
compensatie zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven
heeft|.
Evenals gezegdebepalingen staan zinsbepalingen niet in een
willekeurige onderlinge volgorde, ook al is dit onderzoeksgebied nog
tamelijk onontgonnen. De SoD komt tot de volgende (voorlopige)
rangorde:
- perspectief > oorzaak/reden/doel/resultaat/toegeving/plaats/tijd > subjectief > modaal > graad > aspect > focus > negatie
Een bijzondere vermelding verdient de zinsbepaling van ontkenning niet. Deze bepaling volgt op alle andere zinsbepalingen en gaat vooraf aan
gezegdebepalingen. Enkele voorbeelden zijn:
Het voorbeeld in (14a) laat zien dat niet rechts van de modale zinsbepaling waarschijnlijk staat en links van het verplicht aanwezige voorzetselobject over een helikopter. Een gezegdebepaling zoals eerder staat rechts van de ontkenning (14b). Dit impliceert dat ook andere
objecten tussen niet en de tweede pool in moeten kunnen staan, maar dat is niet het
geval:
De zinnen in (15a/c) zijn alleen acceptabel in een contrastieve context, waarin
niet de/een helikopter mag worden aangeboden, maar wel iets anders. Het direct object bevat
hier niet per se nieuwe informatie en krijgt een contrastief accent, wat iets
anders is dan het belangrijkste zinsaccent bij het neutrale beklemtoning. Als het direct object in de
linkerhelft van het middenstuk staat (15b) of voorzien is van het negatieve
lidwoordachtige element geen (15d) ter vervanging van niet, is de zin acceptabel onder neutrale beklemtoning. Negatieve
voornaamwoorden en bijwoorden kunnen op soortgelijke wijze dienen als vervanging
van niet:
Deze voorbeelden demonstreren het gebruik van niets (16b) en nergens (16d), en soortgelijke voorbeelden zouden kunnen worden gegeven voor niemand en nooit. Al deze woorden dragen het belangrijkste zinsaccent en worden onder
neutrale beklemtoning dan ook bij voorkeur vlak voor de tweede pool geplaatst.
Als niet wordt gevolgd door een gezegdebepaling, zoals in (14b) het geval was,
ligt het zinsaccent op die bepaling. Dit wordt in de onderstaande voorbeelden
expliciet weergegeven:
Net als elders in dit hoofstuk wordt in (17) het zinsdeel met het hoofdaccent
omsloten door accolades en voorzien van accenttekens op de zwaarst beklemtoonde
lettergreep. Beklemtoning speelt een belangrijke rol bij de beschrijving van de
volgorde in de linkerhelft van het middenstuk, waar de hier behandelde
basisvolgorde doorbroken kan worden. Tot slot geeft schema 3 een definitief
overzicht van de rechterhelft van het middenstuk:
Schema 3: Basisvolgorde van de zinsdelen aan de rechterkant van het
middenstuk
| ... linkerhelft van het middenstuk | rechterhelft van het middenstuk | |tweede pool| | ||||||
| [zinsbepalingen] | [subject] | [gezegdebepalingen] | [(nominaal) indirect object] | [direct object] / [oorzakelijk object] | [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] | [inherente zinsdelen], losstaande adposities |
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
