Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.5.1 De rechterkant van het middenstuk: nieuwszinnen en basisvolgorde
Het kenmerkende van het middenstuk is dat er veel verschillende zinsdelen kunnen staan. Enerzijds zijn er zinsdelen die nauw verbonden zijn met het hoofdwerkwoord en die normaal gezien verplicht aanwezig zijn in de zin, zoals het subject (onderwerp), objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et cetera) en allerlei inherent met het hoofdwerkwoord verbonden zinsdelen (naamwoordelijk deel van het gezegde, inherente bepalingen, et cetera). Anderzijds zijn er zinsdelen die slechts facultatief aanwezig zijn en die dus gemakkelijk ook zouden kunnen worden weggelaten (allerlei typen bepalingen).
In zogenaamde nieuwszinnen bevat elk zinsdeel een maximale nieuwswaarde. De volgorde van de zinsdelen is daar onveranderlijk en kan daarom worden aangemerkt als de basisvolgorde. De zinnen in het volgende schema illustreren de basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen:
De basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk:
... |eerste pool| [subject] [(nominaal) indirect object] [direct object] / [oorzakelijk object] [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] [inherente zinsdelen], losstaande adposities |tweede pool| ...
(Karel las) |dat| een docent (zijn leerlingen) een zware straf (aan zijn leerlingen) op |gelegd had|.
(Er stond) |dat| boze ouders iets slechts met de docent in kwestie van plan |waren|.
Zoals beschreven in [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit sluiten inherente zinsdelen en losstaande adposities direct aan bij de tweede pool. Ze staan dus uiterst rechts in het middenstuk. Direct links daarvan staan voorzetselconstituenten zoals het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) of het (prepositionele) indirect object (meewerkend voorwerp, belanghebbend voorwerp). De overige zinsdelen staan daar weer links van. Daarbij gaat het subject vooraf aan de objecten. Het (nominale) indirect object gaat op zijn beurt weer vooraf aan het direct object (lijdend voorwerp). Het zinstype is overigens niet van invloed op deze volgorde. Niettemin zijn de voorbeelden in deze deelparagraaf steeds van zinstype 2b, waarbij de eerste zinsplaats per definitie onbezet blijft. Dit heeft als voordeel dat bijna alle zinsdelen zich tussen de beide polen in het middenstuk bevinden.
Naast de verplicht aanwezige zinsdelen kan het middenstuk één of meerdere zinsdelen bevatten die toevallig aanwezig zijn. Het gaat hierbij om bijwoordelijke bepalingen, een grote groep zinsdelen die in twee hoofdcategorieën uiteen valt: gezegdebepalingen en zinsbepalingen. De eerste categorie heeft betrekking op het gezegde en staat in een nieuwszin tussen het subject en de objecten in. De tweede categorie staat direct links van het subject.
De basisvolgorde van toevallig aanwezige zinsdelen in het middenstuk:
... |eerste pool| [...] [zinsbepalingen] [subject] [gezegdebepalingen] [indirect obj...]
(Het schijnt) |dat| blijkbaar enkele media tamelijk voortvarend scholen |zijn gaan benaderen|.
(Daarbij bleek) |dat| ze de docent in kwestie volgens het bestuur niet al te zacht |aanpakten|.
(Het gevolg was) |dat| deze tegenwoordig niemand meer aan |durft te kijken|.
Deze deelparagraaf richt zich op de rechterkant van het middenstuk: het gebied tussen de zinsbepalingen en de tweede pool. Zoals het bovenstaande schema laat zien, is er ook tussen de eerste pool en de zinsbepalingen volop ruimte voor verschilllende zinsdelen ([...]). Dit is de linkerkant van het middenstuk, waar zinsdelen zoals ze, deze en de docent in kwestie zich ophouden. Deze zinsdelen vertegenwoordigen doorgaans reeds bekende informatie en volgen niet in alle gevallen de basisvolgorde. Deze zaken komen aan bod in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde.
Verder lezen
De basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen
Zinsdelen die normaal gesproken verplicht aanwezig zijn, staan in het middenstuk niet in een willekeurige volgorde. Zoals elders beschreven, speelt het links-rechtsprincipe een belangrijke rol in de ordening van zinsdelen. Dit gebeurt op basis van hun nieuwswaarde: hoe hoger de nieuwswaarde van een zinsdeel, des te verder naar achteren dat zinsdeel staat. In zogenaamde nieuwszinnen is dat links-rechtsprincipe niet bruikbaar, aangezien ieder zinsdeel in zulke zinnen een maximale nieuwswaarde heeft. De onderlinge volgorde van zinsdelen in het middenstuk van nieuwszinnen ligt vast. Deze volgorde wordt in het vervolg dan ook aangeduid met de term 'basisvolgorde'.
In [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit wordt aan de hand van nieuwszinnen gedemonstreerd dat de basisvolgorde van subject (onderwerp) en objecten (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, et cetera) als volgt is: het subject gaat vooraf aan het (nominale) indirect object. Het direct object of, in geval van een naamwoordelijk gezegde, het oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp), volgt op het nominale indirect object. Het volgende schema laat deze basisvolgorde zien:
Schema 1: Basisvolgorde van subject en (nominale) objecten in het middenstuk.
|eerste pool| middenstuk |tweede pool|
[subject] [(nominaal) indirect object] [direct object] / [oorzakelijk object]
De zinnen in (1) demonstreren deze volgorde:
1Basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk: nominale constituenten
a (Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
b (Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn trouwste werknemer een helikopter verschuldigd |is|.
In deze zin gaat het subject de directeur van een grote multinational vooraf aan de objecten. Het nominale indirect object zijn trouwste werknemer gaat vooraf aan het direct object (in (1a)) of oorzakelijk object (in (1b)) een helikopter, zoals beschreven in schema 1. De drie genoemde zinsdelen zijn hier verplicht aanwezig: het subject vanwege de eis dat een grammaticale zin een subject nodig heeft (uitzonderingen als imperatieven en beknopte bijzinnen daargelaten), en de objecten omdat ze complementen van het hoofdwerkwoord zijn.
Deze verplichte zinsdelen kunnen worden uitgedrukt door nominale constituenten, zoals in de bovenstaande nieuwszinnen. In veel zinnen, echter, worden ze weergegeven door middel van persoonlijke voornaamwoorden. De plaatsing van deze persoonlijke voornaamwoorden in het middenstuk wijkt af van de hier besproken posities. Dit wordt beschreven in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde. Daarnaast kunnen de functies van subject en (in)direct object door afhankelijke zinnen worden vervuld. Deze staan echter zelden in het middenstuk, zoals beschreven in [21.6.2] Afhankelijke zinnen op de laatste zinsplaats.
Het indirect object wordt, zoals bekend, dikwijls weergegeven door een voorzetselconstituent. In nieuwszinnen volgt zo'n voorzetselconstituent op een eventueel direct object in plaats van eraan vooraf te gaan. Hetzelfde geldt voor voorzetselobjecten (voorzetselvoorwerpen):
2Basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk: objecten in de vorm van een voorzetselconstituent
a(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational een helikopter aan zijn trouwste werknemer |gegeven heeft|. prepositioneel indirect object
b(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn trouwste werknemer van valse bescheidenheid |verdacht heeft|.voorzetselobject
In een noot in [20.6....] Het voorzetselobject wordt ingegaan op de begrenzing van deze categorie. De regels met betrekking tot de basisvolgorde in het middenstuk gaan uit van voorzetselobjecten in enge zin. Wordt de definitie ruimer gehanteerd, zoals sinds De Schutter (1974) op verschillende plaatsen voorgesteld, dan zijn er ook zinnen met twee voorzetselobjecten mogelijk:
i(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational tegen zijn trouwste werknemer over de prijs van helikopters |geklaagd heeft|.
Het voorbeeld in (i) bevat twee voorzetselconstituenten. De laatste van de twee, over de prijs van helikopters, geldt als een prototypisch voorbeeld van een voorzetselobject. De eerste, tegen zijn trouwste werknemer, wordt normaliter als bijwoordelijke bepaling beschouwd. Onder de hierboven bedoelde ruime opvatting van voorzetselobjecten is het een (tweede) voorzetselobject. Vandeweghe & Colleman (2011) merken op dat bij dit soort zinnen de onderlinge volgordes van de twee voorzetselobjecten niet altijd vast ligt, ook al is er vaak wel een bepaalde voorkeur en die hangt samen met het hoofdwerkwoord. Ze breiden hun analyse uit naar gevallen met een nominaal object en een prepositioneel indirect object of voorzetselobject en laten op basis van corpusonderzoek zien dat de onderlinge volgorde van nominaal object en voorzetselconstituent bij bepaalde werkwoorden vastligt, terwijl er bij andere werkwoorden variatie optreedt. Ten grondslag aan de analyse ligt de mate van verbondenheid van de twee objecten met het hoofdwerkwoord. In sommige gevallen leidt die tot een duidelijke hiërarchie, waarbij het object dat het nauwst verbonden is met het werkwoord dichter bij de tweede pool staat. In andere gevallen, echter, ontbreekt die hiërarchie, wat mogelijk aanleiding is tot minder duidelijke plaatsingsvoorkeuren.
Meer onderzoek is nodig om het geciteerde corpusonderzoek op waarde te schatten met betrekking tot basisvolgorde en eventuele variatie daarin. De data waarop Vandeweghe en Colleman hun analyse baseren sluiten weliswaar zinnen uit met voornaamwoordelijke objecten of objecten die niet in het middenstuk staan, maar het is onduidelijk in hoeverre het altijd om nieuwszinnen gaat met een neutrale beklemtoning. Zoals in [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde wordt gedemonstreerd, kan de volgorde van zinsdelen in het middenstuk bij niet-nieuwszinnen afwijken van de hier beschreven basisvolgorde.
In (1b) komt nog een ander verplicht zinsdeel voor: het naamwoordelijk deel van het gezegde verschuldigd. Dit zinsdeel staat direct voor de tweede pool en volgt in het middenstuk dan ook op het subject en de objecten. Andere inherent met het hoofdwerkwoord verbonden zinsdelen gaan eveneens direct vooraf aan de tweede pool, zoals beschreven in [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit. De volgende voorbeelden illustreren dit:
3Basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk: inherente zinsdelen
a(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn trouwste werknemer met het grootste respect |behandeld heeft|.noodzakelijke bepaling van hoedanigheid
b(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn helikopters helemaal op |vliegt|.bepaling van gesteldheid
c(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn derde helikopter in gebruik |genomen heeft|.niet-werkwoordelijk deel in een vaste verbinding
d(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn minst trouwe werknemer tot een ordinair gevecht uit|gedaagd heeft|.partikel
Het voorbeeld in (3d) laat ten slotte zien dat ook losstaande adposities, zoals bijvoorbeeld het eerste deel van een scheidbaar samengesteld werkwoord (een partikel), aansluiten bij de tweede pool. Deelparagraaf [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit bespreekt enkele tendensen met betrekking tot de onderlinge volgorde van dit soort elementen en inherente zinsdelen. Het bovenstaande schema kan nu als volgt worden uitgebreid:
Schema 2: Basisvolgorde van verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk
|eerste pool| middenstuk |tweede pool|
[subject] [(nominaal) indirect object] [direct object] / [oorzakelijk object] [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] [inherente zinsdelen], losstaande adposities
Dit uitgebreidere schema is niet meer dan een voorlopige beschrijving van de woordvolgorde in het middenstuk. Voor zover verplicht aanwezige zinsdelen in het middenstuk van een nieuwszin staan, is deze basisvolgorde de enige mogelijkheid. Ook in andersoortige zinnen, waarbij één of meerdere zinsdelen reeds bekende informatie vertegenwoordigen, wordt deze volgorde vaak aangetroffen:
4a(Weet je wat onze directeur heeft gedaan? Het schijnt) |dat| hij zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
b(Heb je het al gehoord van mijn zus? Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational haar een helikopter |gegeven heeft|.
c(Wat zei je nu over die helikopter? Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational hem aan zijn trouwste werknemer |gegeven heeft|.
In de bovenstaande zinnen hebben achtereenvolgens het subject (hij), het indirect object (haar) en het direct object (hem) de vorm van een persoonlijk voornaamwoord. De positie ten opzichte van de andere zinsdelen in het middenstuk is zoals beschreven in Schema 2, dat wil zeggen, het subject gaat steeds vooraf aan het indirect object, wat weer voorafgaat aan het direct object. Het indirect object in zin (4c) heeft de vorm van een voorzetselconstituent (aan zijn trouwste werknemer). Opvallend is dat de variant met een nominaal indirect object niet goed mogelijk lijkt:
5(Het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational zijn trouwste werknemer hem |gegeven heeft|.uitgesloten
Dit verschijnsel kan deels worden verklaard aan de hand van het links-rechtsprincipe, dat stelt dat zinsdelen met een geringe informatieve waarde relatief vroeg in de zin worden gerealiseerd, oftewel relatief ver naar links in de zin staan. In [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit wordt besproken dat dit in extreme mate voor gereduceerde voornaamwoorden geldt: die volgen direct op het subject, mits dat subject zelf direct op de eerste pool volgt. Een zin als (het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational 'm zijn trouwste werknemer |gegeven heeft| is dan ook wel acceptabel. Zonder reductie van het voornaamwoord, als in (het schijnt) |dat| de directeur van een grote multinational hem zijn trouwste werknemer |gegeven heeft|, is de status van de zin twijfelachtig. [21.5.2] De linkerkant van het middenstuk: overige zinnen en variatie op de basisvolgorde gaat hier dieper op in. De beschrijving daar gaat uit van een gedetailleerdere invulling van het middenstuk dan tot nu toe besproken. Naast verplicht aanwezige zinsdelen zijn namelijk ook toevallig aanwezige zinsdelen van belang voor een goed beeld van de verschillende posities in het middenstuk. Zulke zinsdelen komen in de volgende sectie aan bod.
De basisvolgorde van toevallig aanwezige zinsdelen
Naast verplicht aanwezige zinsdelen zoals subject, objecten, inherente zinsdelen en losstaande adposities, kunnen zinnen ook constituenten bevatten die niet per se noodzakelijk aanwezig zijn. Deze toevallig aanwezige constituenten zijn de bijwoordelijke bepalingen. Ook voor bijwoordelijke bepalingen kunnen basisposities worden aangeduid in het middenstuk, en wel direct links of direct rechts van het subject in een nieuwszin:
6(In de krant stond) |dat| naar verluidt de directeur van een grote multinational met lichte tegenzin zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
In dit voorbeeld staat de bepaling van perspectief naar verluidt links van het subject. De bepaling van volitie met lichte tegenzin staat rechts van het subject. Deze twee bepalingen vertegenwoordigen de twee hoofdcategorieën van bepalingen: naar verluidt is een zogenaamde 'zinsbepaling' en met lichte tegenzin een zogenaamde 'gezegdebepaling'. Alvorens die twee categorieën nader te bekijken, is het zaak om te vermelden dat verplichte zinsdelen als het subject, direct object en indirect object in het middenstuk met groot gemak links van enige bepaling kunnen staan. Dat is met name het geval als zulke zinsdelen reeds bekende informatie bevatten. De volgende zinnen illustreren dit aan de hand van persoonlijke voornaamwoorden en een aanwijzend voornaamwoord:
7a(In de krant stond) |dat| hij naar verluidt met lichte tegenzin zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
b(In de krant stond) |dat| hij haar naar verluidt met lichte tegenzin een helikopter |gegeven heeft|.
c(In de krant stond) |dat| hij haar die helikopter naar verluidt met lichte tegenzin |gegeven heeft|.
In de bovenstaande zinnen blijft de onderlinge volgorde van subject, indirect object en direct object gehandhaafd, ook al duiken de bepalingen als het ware steeds tussen twee andere zinsdelen op. Dit soort zinnen zijn uiteraard geen nieuwszinnen, en ze komen dan ook in de volgende deelparagraaf aan bod. Daar worden de verschillende mogelijkheden tot plaatsing van verplicht aanwezige zinsdelen tussen en ter linkerzijde van de bijwoordelijke bepalingen besproken. De aanname is de bepalingen het middenstuk als het ware in twee helften splitsen: een linkerhelft en een rechterhelft. De basisvolgorde is in de rechterhelft absoluut, maar in de linkerhelft zijn ook variaties op de basisvolgorde mogelijk.
Zoals bekend vallen bijwoordelijke bepalingen in talrijke soorten uiteen. Hoewel het onderzoek naar de precieze onderlinge volgorde in het middenstuk nog in volle gang is, zijn de twee genoemde groepen duidelijk te onderscheiden, onder andere op grond van hun plaatsing in het middenstuk. De gezegdebepalingen hebben alleen betrekking op het gezegde. In nieuwszinnen staan ze tussen het subject en de objecten in. De volgende zinnen bevatten voorbeelden van deze groep bepalingen:
8Gezegdebepalingen: direct links van objecten met een hoge nieuwswaarde
a(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational met behulp van een lening zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.middel
>
b(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational met zijn vrouw zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.comitatief
c(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational in de Efteling zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.plaats
d(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational verleden jaar zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.tijd
e(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.doel
De ANS introduceert hier op eigen gezag de term 'gezegdebepaling', als equivalent voor de gangbaardere term 'VP-bepaling'. Helemaal nieuw is de term echter niet: in het verleden is hij wel gebruikt als alternatieve benaming voor 'bepaling van gesteldheid'.
De bepalingen in de bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op de door het gezegde uitgedrukte werking. Dit kan op verschillende manieren worden aangetoond. Allereerst kan een zin met een gezegdebepaling vaak geparafraseerd worden met een bepaald type samengestelde zin. Zo kan hij |heeft| zijn trouwste werknemer met behulp van een lening een helikopter |gegeven| worden geparafraseerd met hij heeft zijn trouwste werknemer een helikopter gegeven en hij heeft dat met behulp van een lening gedaan. Een andere manier om aan te tonen dat met behulp van een lening een gezegdebepaling is, is door middel van implicatie: de zin met bepaling impliceert de zin zonder bepaling. Dat wil zeggen: hij |heeft| met behulp van een lening zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven| impliceert hij |heeft| zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven|. Deze beide tests kunnen ook worden toegepast op de andere voorbeelden die hierboven werden gegeven.
Toepasbaarheid tests ter opsporing van bepalingen (1)
Verdieping
Toepasbaarheid tests ter opsporing van bepalingen (1)
De eerstgenoemde test ter opsporing van gezegdebepalingen is niet in alle gevallen toepasbaar. Meestal ligt dat aan het hoofdwerkwoord van de zin, zoals in de volgende voorbeelden:
iZij |heeft| voor de grap een helikopter |gekregen|.
iiJullie |zijn| door die lening uit de zorgen |Ø|.
Doordat het subject van krijgen niet agentief kan zijn, levert parafrase van (i) met zij heeft een helikopter gekregen en ze heeft dat voor de grap gedaan een onacceptabele zin op. Een parafrase met ... en dat gebeurde voor de grap geeft een natuurlijker resultaat. Een soortgelijk probleem speelt in (ii), waar het (naamwoordelijk) gezegde evenmin een agentief subject verdraagt en daarnaast eerder een staat van het subject uitdrukt, in plaats van een gebeurtenis. De implicatietest werkt in deze gevallen wel: zo impliceert voorbeeld (i) de zin zij heeft een helikopter gekregen, en voorbeeld (ii) jullie zijn uit de zorgen.
Dat zinnen meer dan één gezegdebepaling kunnen bevatten, laat het volgende voorbeeld zien:
9(In de krant stond) |dat| de directeur van een grote multinational voor de grap met lichte tegenzin verleden jaar in de Efteling met zijn vrouw met behulp van een lening zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
Andere voorbeelden van gezegdebepalingen zijn bepalingen van oorzaak, reden, gevolg, toegeving, wijze, graad en domein. Ook de agentieve door-bepaling in passieve zinnen behoort tot de categorie van de gezegdebepalingen:
10(Zij beweert) |dat| die helikopter door de directeur aan zijn trouwste werknemer |geschonken is|.
Volgens (Schweikert 2005) en (Cinque 2006) worden bijwoordelijke bepalingen in verschillende talen in een universele onderlinge volgorde gerealiseerd. (Broekhuis et al. 2015) beamen dat maar komen voor het Nederlands tot een enigszins aangepaste volgorde:
  • oorzaak/reden/doel/resultaat/toegeving > volitie > tijd > plaats > wijze/graad > agentief > comitatief > instrument/middel > domein
Deze volgorde is voorlopig en wordt om die reden hier niet onverkort overgenomen, al is hij wel toegepast in (9). Zoals in [21.5.2] wordt beschreven, komen bepalingen ook ter linkerzijde van hun basispositie in het middenstuk voor. Om die reden is het lastig om vast te stellen wat precies hun basispositie is ten opzichte van andere bepalingen. Een tweede complicerende factor is dat sommige bepalingen qua betekenis niet te combineren zijn met een bepaald gezegde of met sommige andere bepalingen. Hierdoor is het vooralsnog onduidelijk wat de onderlinge volgorde van de bepalingen van oorzaak, reden, doel, resultaat en toegeving is. Ook kan een agentieve bepaling (de zogenaamde door-bepaling) niet voorkomen in een actieve zin, wat bepaalde combinaties met andere bepalingen uitsluit.
De tweede groep bijwoordelijke bepalingen zijn de zogenaamde 'zinsbepalingen'. Deze bepalingen hebben niet alleen betrekking op het gezegde, maar meer op de zin als geheel. Ze voegen daarbij vaak een betekeniselement toe zoals ontkenning (niet), aspectualiteit (zoals nog steeds, niet meer, weer) of focus (zoals alleen, ook, zelfs). Een dergelijk betekeniselement is moeilijk te verenigen met het type nieuwszin dat hier centraal staat. De volgende voorbeelden laten dit zien:
11Zinsbepalingen: direct links van een subject met hoge nieuwswaarde
a(In de krant stond) |dat| er zelfs een directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.focus
b(In de krant stond) |dat| er wederom een directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.aspect
c(In de krant stond) |dat| er bijna een directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.graad
d(In de krant stond) |dat| jammer genoeg de directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.subjectiviteit
e(In de krant stond) |dat| volgens welingelichte bronnen de directeur van een grote multinational voor de grap zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.perspectief
De zinsbepalingen in deze voorbeelden staan links van het subject. De zinsbepalingen in (11a-c) veronderstellen een bepaalde context en laten zich dan ook moeilijk combineren met het type nieuwszin dat hier centraal staat. Ze maken gebruik van presentatief er als een soort algemeen kaderscheppend element. De voorbeelden in (11d-e) zijn minder stroef. Om aan te tonen dat een bepaling tot de categorie zinsbepalingen behoort, kan een zin als hij |heeft| haar zelfs voor de grap een helikopter |gegeven| worden geparafraseerd met het is zelfs zo dat hij haar voor de grap een helikopter gegeven heeft. Ook de andere voorbeeldzinnen laten zich op een dergelijke manier parafraseren. Het idee hierbij is dat de bepaling niet alleen op een deel van de zin van toepassing is, maar op de zin als geheel. Met gezegdebepalingen levert deze test merkwaardige zinnen op ('het is voor de grap zo dat hij haar een helikopter gegeven heeft'). Sommige ondersoorten van de zinsbepalingen vertonen overlap met de gezegdebepalingen, zoals bijvoorbeeld die van oorzaak, reden, doel, resultaat, toegeving, plaats en tijd. Hierdoor is het mogelijk om bijvoorbeeld twee bepalingen van plaats in één zin aan te treffen:
12a(Bertus zegt) |dat| ze haar over een jaar vermoedelijk op haar laatste werkdag een helikopter |zullen schenken|.
b(Bertus zegt) |dat| ze elkaar in Oostenrijk waarschijnlijk op een congres |hebben ontmoet|.
Deze voorbeelden bevatten zowel gezegdebepalingen van tijd/plaats (op haar laatste werkdag, op een congres) als zinsbepalingen van tijd/plaats (over een jaar, in Oostenrijk). De zin ze |hebben| elkaar in Oostenrijk waarschijnlijk op een congres |ontmoet| is bijvoorbeeld te parafraseren met het is in Oostenrijk waarschijnlijk zo geweest dat ze elkaar ontmoet hebben en dat gebeurde op een congres. Zoals met betrekking tot de linkerkant van het middenstuk zal worden besproken, staat een voornaamwoordelijk subject zoals ze in (12) uiterst links in het middenstuk. Hierdoor is het mogelijk dat de zinsbepalingen direct links van de gezegdebepalingen staan. Het volgende voorbeeld laat zien dat een zin meer dan twee zinsbepalingen kan bevatten:
13(In de krant stond) |dat| volgens welingelichte bronnen jammer genoeg ogenschijnlijk alleen de directeur van een grote multinational ter compensatie zijn trouwste werknemer een helikopter |gegeven heeft|.
Evenals gezegdebepalingen staan zinsbepalingen niet in een willekeurige onderlinge volgorde, ook al is dit onderzoeksgebied nog tamelijk onontgonnen. De SoD komt tot de volgende (voorlopige) rangorde:
  • perspectief > oorzaak/reden/doel/resultaat/toegeving/plaats/tijd > subjectief > modaal > graad > aspect > focus > negatie
Deze volgorde is van toepassing in (13).
Een bijzondere vermelding verdient de zinsbepaling van ontkenning niet. Deze bepaling volgt op alle andere zinsbepalingen en gaat vooraf aan gezegdebepalingen. Enkele voorbeelden zijn:
14Zinsbepaling van ontkenning: direct links van gezegdebepalingen en rechts van andere zinsbepalingen
a(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet over een helikopter |verteld heeft|.
b(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet eerder over een helikopter |verteld heeft|.
Het voorbeeld in (14a) laat zien dat niet rechts van de modale zinsbepaling waarschijnlijk staat en links van het verplicht aanwezige voorzetselobject over een helikopter. Een gezegdebepaling zoals eerder staat rechts van de ontkenning (14b). Dit impliceert dat ook andere objecten tussen niet en de tweede pool in moeten kunnen staan, maar dat is niet het geval:
15a(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet de helikopter |mag aanbieden|.# unacceptableWithIntendedReading
b(Emma zegt) |dat| Bertus haar de helikopter waarschijnlijk niet |mag aanbieden|.
c(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet een helikopter |mag aanbieden|.# unacceptableWithIntendedReading
d(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk geen helikopter |mag aanbieden|.
De zinnen in (15a/c) zijn alleen acceptabel in een contrastieve context, waarin niet de/een helikopter mag worden aangeboden, maar wel iets anders. Het direct object bevat hier niet per se nieuwe informatie en krijgt een contrastief accent, wat iets anders is dan het belangrijkste zinsaccent bij het neutrale beklemtoning. Als het direct object in de linkerhelft van het middenstuk staat (15b) of voorzien is van het negatieve lidwoordachtige element geen (15d) ter vervanging van niet, is de zin acceptabel onder neutrale beklemtoning. Negatieve voornaamwoorden en bijwoorden kunnen op soortgelijke wijze dienen als vervanging van niet:
16a(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet iets |mag aanbieden|.# unacceptableWithIntendedReading
b(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niets |mag aanbieden|.
c(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk niet ergens heen |kan brengen|.# unacceptableWithIntendedReading
d(Emma zegt) |dat| Bertus haar waarschijnlijk nergens heen |kan brengen|.
Deze voorbeelden demonstreren het gebruik van niets (16b) en nergens (16d), en soortgelijke voorbeelden zouden kunnen worden gegeven voor niemand en nooit. Al deze woorden dragen het belangrijkste zinsaccent en worden onder neutrale beklemtoning dan ook bij voorkeur vlak voor de tweede pool geplaatst. Als niet wordt gevolgd door een gezegdebepaling, zoals in (14b) het geval was, ligt het zinsaccent op die bepaling. Dit wordt in de onderstaande voorbeelden expliciet weergegeven:
17a(Emma zegt) |dat| Bertus de helikopter waarschijnlijk {aan níémand} |zal mogen aanbieden|.
b(Emma zegt) |dat| Bertus het personeel waarschijnlijk {geen helikópter} |zal mogen aanbieden|.
c(Emma zegt) |dat| Bertus het personeel zo'n helikopter waarschijnlijk {niet wegens bijzondere verdíénsten} |zal mogen aanbieden|.
Net als elders in dit hoofstuk wordt in (17) het zinsdeel met het hoofdaccent omsloten door accolades en voorzien van accenttekens op de zwaarst beklemtoonde lettergreep. Beklemtoning speelt een belangrijke rol bij de beschrijving van de volgorde in de linkerhelft van het middenstuk, waar de hier behandelde basisvolgorde doorbroken kan worden. Tot slot geeft schema 3 een definitief overzicht van de rechterhelft van het middenstuk:
Schema 3: Basisvolgorde van de zinsdelen aan de rechterkant van het middenstuk
... linkerhelft van het middenstuk rechterhelft van het middenstuk |tweede pool|
[zinsbepalingen] [subject] [gezegdebepalingen] [(nominaal) indirect object] [direct object] / [oorzakelijk object] [(prepositioneel) indirect object] / [voorzetselobject] [inherente zinsdelen], losstaande adposities
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links