Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.1.2 Het links-rechtsprincipe
Zinnen bevatten gewoonlijk een mix van informatie die bekend is en nieuwe informatie. Ten grondslag aan de informatiegeleding in Nederlandse zinnen ligt het links-rechtsprincipe. Volgens dit principe neemt de informatiewaarde van zinsdelen toe naarmate ze verderop in de zin staan: reeds bekende of minder nieuwswaardige informatie staat typisch 'links' in de zin, of wordt 'vroeg' uitgesproken, terwijl zinsdelen met een hoge informatiewaarde typisch 'rechts' staan, ofwel 'laat' worden uitgesproken. De volgende zin illustreert dit, gegeven dat de voorafgaande talige context (of de situatie waarin de zin wordt geuit) iemands kleinkinderen onder de aandacht heeft gebracht:
1Alle kleinkinderen |hebben| kerstcadeaus |gekregen|.
Het subject (onderwerp) alle kleinkinderen kan bekend worden verondersteld en staat in de geschreven taal links in de zin. Het direct object (lijdend voorwerp) kerstcadeaus staat verder naar rechts omdat het deel uitmaakt van de informatieve kern van de zin: de spreker of schrijver wil duidelijk maken wat er met de kleinkinderen gebeurd is, namelijk dat ze allemaal kerstcadeaus hebben gekregen. Het links-rechtsprincipe is niet van toepassing op alle denkbare elementen van een zin: de werkwoorden (en onderschikkende voegwoorden) vallen hierbuiten, vanwege het polaire principe. Als bijvoorbeeld duidelijk is dat alle kleinkinderen iets gekregen hebben, maar niet wat ze precies hebben gekregen, kan de gegeven voorbeeldzin worden gebruikt om de aandacht op de kerstcadeau's te vestigen. Met andere woorden: het element in de tweede pool staat weliswaar aan het eind van de zin, maar heeft niet per definitie een hoge informatiewaarde.
Ook zinsdelen die een vragend (voornaam)woord bevatten onttrekken zich aan het links-rechtsprincipe door (standaard) de eerste zinsplaats te bezetten:
2Hoeveel cadeaus |hebben| de kleinkinderen |gekregen|?
Dit is een voorbeeld van een zogeheten vraagwoordzin. Het bevraagde zinsdeel hoeveel cadeaus staat weliswaar uiterst links, maar vraagt juist naar informatie die ontbreekt. Dit is in zekere zin omgekeerd aan wat het links-rechtsprincipe voorspelt, al zijn er ook vraagwoordzinnen waarin het bevraagde element op de eerste zinsplaats niet informatief belangrijker is dan enig ander zinsdeel.
Naast de positie in de zin speelt de accentuering een rol bij de informatiegeleding. Een zin kan verschillende zinsaccenten bevatten, en bij een neutrale accentuering (dus bij een strikte toepassing van het links-rechtsprincipe) ligt het belangrijkste accent zo ver mogelijk naar rechts. Zo zal zin (1) waarschijnlijk worden uitgesproken met een duidelijk accent op het direct object (kérstcadeaus). Wanneer een zin afwijkt van het links-rechtsprincipe, volgt de accentuering niet het neutrale patroon: sprekers benadrukken typisch de elementen met de hoogste nieuwswaarde, ook (of: juist) als die nieuwswaarde op een minder voor de hand liggende plek ligt. Indien de talige context voorafgaand aan (1) over kerstcadeaus gaat (en niet over kleinkinderen), kan het feit dat alle kleinkinderen zulke cadeaus gekregen hebben nieuwswaardig zijn. In dat geval wordt de zin uitgesproken met het belangrijkste accent op het subject (alle kléínkinderen). In een vergelijkbare context is het denkbaar dat de nieuwswaarde juist ligt op het feit dat er geen kleinkind werd overgeslagen. Ook dan krijgt het subject het belangrijkste accent, al ligt dat dan op een andere lettergreep (álle kleinkinderen).
Verder lezen
Context en buitentalige situatie
Voor de beschrijving van het links-rechtsprincipe gaat de ANS uit van de volgende twee aannames:
  • wie een zin uitspreekt of opschrijft, wil een bepaalde hoeveelheid informatie aan zijn toehoorder(s) of lezer(s) meedelen;
  • zinnen komen gewoonlijk niet geïsoleerd voor, maar maken deel uit van een gesproken of geschreven context en/of worden geuit in een bepaalde situatie.
De volgende zinnen illustreren achtereenvolgens aansluiting bij een voorafgaande zin (context) en bij een buitentalige situatie:
3Gisteren ben ik naar Arnhem geweest. Daar kwam ik Annemieke tegen. Ze had een viool gekocht. Die wou ze aan Wilma geven.
4(In een museum zijn pas enkele schilderijen gestolen. Tijdens een rondleiding zegt de gids terwijl hij een bepaalde plaats aanwijst:) Hier hing tot voor kort dat beroemde schilderij van Gauguin.
In het eerste voorbeeld sluit de tweede zin aan bij de eerste, de derde bij de tweede en de laatste bij die derde zin. Dit blijkt uit de woorden daar, ze en die, die telkens naar een referent uit de voorgaande zin verwijzen. In de situatie geschetst in het tweede voorbeeld is het voor de toehoorders volkomen duidelijk welke plaats de gids bedoelt omdat deze ernaar wijst.
De buitentalige situatie wordt hier in ruime zin opgevat. Een zin kan immers ook, los van een direct aanwijsbare situatie, geplaatst worden tegen een gemeenschappelijk referentiekader van spreker en hoorder. In het volgende voorbeeld, de beginzin van een nieuwsbericht, is het voor een hoorder duidelijk wie met de koning en de koningin bedoeld worden. Gegeven de specifieke staatsvorm in het bedoelde land op het tijdstip van spreken, is de verwijzing eenduidig, ook al is er in de voorafgaande talige context nog geen sprake geweest van een koning en een koningin:
5De koning en de koningin hebben vorige week China bezocht.
Ook in de eerder gegeven voorbeelden doet de spreker gedeeltelijk een beroep op de achtergrondkennis van diegene tot wie hij of zij zich richt. In (3) gaat de ik-figuur ervan uit dat de toehoorder Annemieke en Wilma kent. In (4) veronderstelt de gids dat de aanwezigen weten dat er onder meer een beroemd schilderij van Gauguin gestolen is.
Informatieve geleding en woordvolgorde
De informatie die een taalgebruiker met een zin wil overbrengen is op een bepaalde manier gestructureerd. Het gaat hier om de zogenaamde informatieve geleding van de zin. De volgorde van de elementen in een zin hangt in hoge mate met die informatieve geleding samen. Hieronder wordt in grote lijnen verduidelijkt wat onder informatieve geleding moet worden verstaan. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat die informatieve geleding zowel bij het opbouwen als bij het interpreteren (begrijpen) van zinnen een grote rol speelt,
In de meeste gevallen kan de informatie die een zin bevat grofweg in tweeën worden verdeeld: enerzijds een hoeveelheid informatie die door de spreker of de schrijver als relatief belangrijk voorgesteld wordt en anderzijds een hoeveelheid informatie die als relatief minder belangrijk (maar daarom nog niet per se als onbelangrijk) voorgesteld wordt. Hierbij doen zich verschillende mogelijkheden voor.
Iets kan informatief belangrijk zijn omdat het een nieuw gegeven toevoegt aan wat daarvoor al gezegd is. Het betreft hier zinnen in een context. In (3) deelt de spreker eerst mee dat hij (op een bepaald tijdstip) naar Arnhem geweest is. In aansluiting daarop zegt hij over die plaats dat hij er Annemieke ontmoet heeft, daarna dat deze een viool gekocht heeft en ten slotte hierover weer dat Annemieke die viool aan Wilma wou geven. Het informatief belangrijkste gedeelte van de zin is hier telkens iets wat nog niet eerder genoemd is, en staat dan tegenover iets anders, wat aansluit bij de context en op die manier als relatief minder belangrijk opgevat kan worden.
Over de nominale constituenten in de zin dient opgemerkt te worden dat 'nieuw' hier niet gelijk te stellen is met 'niet bekend' in de zin van 'nog niet identificeerbaar voor de hoorder' (zie [14·3·1] Bepaalde en onbepaalde nominale constituenten). Onder die opvatting zou in (3) alleen een viool nieuw zijn. Dat element staat in de derde zin tegenover het 'oude' (bekende), bovendien bij de context aansluitende, element ze. Alleen in zo'n geval hangt de tegenstelling 'minder belangrijk versus belangrijk' enerzijds direct samen met de tegenstellingen 'al genoemd versus nog niet genoemd' en 'bekend versus niet-bekend' anderzijds. Dit onderscheid wordt dan bovendien formeel gekenmerkt door het gebruik van respectievelijk een bepaalde en een onbepaalde constituent (zie onder meer [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit en [21.5] Het middenstuk.) Dat die samenhang niet altijd aanwezig is, blijkt onder meer uit het feit dat reeds vermelde elementen in een volgende zin toch weer informatief belangrijk kunnen worden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de laatste zin van (3) vervangen wordt door (6):
6Die wou ze aan mij geven.
Het persoonlijk voornaamwoord mij verwijst naar de ik-persoon, van wie in de gegeven context weliswaar al twee keer eerder sprake was, maar dat neemt niet weg dat die persoon als ontvanger van de viool tot het informatief belangrijkste gedeelte van de mededeling in (6) behoort.
Een bijzondere klasse met betrekking tot de informatieve waarde vormen de zogenaamde nieuwszinnen. Dit zijn zinnen die in hun totaliteit een feit of een gebeuren meedelen dat nog niet aan de orde geweest is in de context. Zulke zinnen komen typisch voor aan het begin van een gesproken of geschreven tekst, zij het niet noodzakelijkerwijs aan het absolute begin. Voorbeelden van nieuwszinnen zijn de beginzin van (3), de situatiegebonden zin in (4), zin (5), evenals de volgende openingszin van een nieuwsbericht:
7Een 35-jarige inwoner van Lobith heeft zijn buurvrouw met een pistool om het leven gebracht.
Het zal duidelijk zijn dat in dergelijke zinnen helemaal niets voorkomt dat al 'genoemd' is. Zinnen als deze zijn in hun geheel informatief belangrijk doordat in feite alles 'nieuw' is. Zo heeft het voorbeeld in (7) een heel grote nieuwswaarde aangezien hier een totaal onbekend feit geïntroduceerd wordt, waarbij noch de dader noch het slachtoffer beschouwd kunnen worden als bekend aan de doorsneelezer. Toch heeft de taalgebruiker ook hier de mogelijkheid om in de communicatie met anderen aan te geven welk gedeelte van de mededeling relatief het belangrijkste is. Vergelijk bijvoorbeeld (4) met (8) en (7) met (9):
8Dat beroemde schilderij van Gauguin hing tot voor kort hier.
9Een 35-jarige inwoner van Lobith heeft met een pistool zijn buurvrouw om het leven gebracht.
In de geschetste situatie gaat de spreker met de woordvolgorde van zin (4) uit van de plaats die hij of zij aanwijst. Het schilderij dat daar hing wordt dan voorgesteld als het informatief belangrijkste element van de mededeling. In de woordvolgorde van (8), daarentegen, is het schilderij het uitgangspunt van de mededeling. In dit voorbeeld is de plaats waar het schilderij hing nu het informatief belangrijkste element. Met de volgorde van (7) (en met een accent op leven; hierover in de volgende sectie meer) is de misdaad als geheel het belangrijkste element van de meegedeelde informatie. Dader, slachtoffer of wapen zijn van minder belang. In (9), daarentegen, geeft de gekozen woordvolgorde (met een accent op buurvrouw in plaats van op leven) het slachtoffer meer prominentie, waardoor dat als het informatief belangrijkste gedeelte van de zin wordt gepresenteerd.
Het begrip informatieve geleding kan nu, naar aanleiding van de tot nog toe besproken gevallen, waarin steeds de verhouding tussen informatief minder belangrijke en informatief belangrijke informatie centraal staat, als volgt worden gedefinieerd. Informatief minder belangrijke elementen zijn op te vatten als dat gedeelte van een zin dat de spreker of schrijver als uitgangspunt voorstelt (en eventueel introduceert). Over dat uitgangspunt deelt de rest van de zin iets relevants mee. Het informatief belangrijkste element in de zin is dan datgene wat de spreker of schrijver als de essentie beschouwt van wat hij over het uitgangspunt wil meedelen, wat hij eraan wil toevoegen. Dit kan worden omschreven als de informatieve kern van een zin.
Bij dit alles mag niet worden vergeten dat met 'element', 'gedeelte' of 'kern' telkens een variabele grootheid wordt bedoeld: het gaat niet om het informatieve belang van één bepaald woord in de zin, maar om dat van een zinsdeel (dat natuurlijk wel toevallig uit één enkel woord kan bestaan) of een combinatie van zinsdelen (ook hierover meer in de volgende sectie).
De tweedeling die met betrekking tot de informatie in een zin aangebracht kan worden, wordt vaak aangeduid met de termen 'topic' (ook wel 'thema') voor het relatief minder belangrijke, het uitgangspunt, versus 'comment' (ook wel 'rhema') voor het relatief belangrijkste gedeelte van een zin. In aansluiting bij het paar 'thema-rhema' spreekt men wel van het ' thematische principe' in de informatiestructuur.
In sommige gevallen is een tweedeling in de informatie zoals hierboven bedoeld niet of nauwelijks aan te wijzen. De volgende voorbeelden uit gesprekssituaties illustreren dit:
10(Heb je het al gehoord?) Onze directeur is overleden.
11(Iemand is tot de constatering gekomen dat zijn fiets weg is en zegt geschrokken tegen een collega die net voorbijkomt:) Mijn fiets is gestolen!
Onder de aanname dat zin (10) geuit wordt in een situatie waarin er helemaal nog niet over de directeur gesproken is, en dat met deze zin het plotselinge overlijden van de directeur meegedeeld wordt, moet dit worden gezien als een nieuwszin. De zin wordt dan uitgesproken met het accent op directeur. Ook het voorbeeld in (11), met het accent op fiets, is zo'n nieuwszin. Dergelijke nieuwszinnen zijn als één informatief belangrijk geheel te beschouwen. De volgende twee voorbeelden contrasteren met deze nieuwszinnen:
12(Nee, uw afspraak met meneer Pieters kan niet doorgaan, want) onze directeur is overleden.
13(Ik kan vanavond moeilijk op de fiets komen, want) mijn fiets is gestolen.
Aangenomen dat meneer Pieters en onze directeur één en dezelfde persoon zijn, is voorbeeld (12) geen (nevengeschikte) nieuwszin. Dit is evenmin het geval in voorbeeld (13). Het accent ligt in deze voorbeelden respectievelijk op overleden en gestolen. Anders dan de eerder gegeven voorbeelden vertonen deze zinnen wel degelijk een tweedeling in de informatie: het subject (onderwerp) vormt telkens het uitgangspunt en het gezegde draagt de informatieve kern.
Het verband tussen woordvolgorde en informatieve geleding van een zin kan nu als volgt uitgedrukt worden: in een groot aantal zinnen komen de informatief minder belangrijke elementen eerder dan de elementen met een grotere informatieve waarde. Er is dus als het ware een opgaande lijn in de zin: wat informatief belangrijker is, heeft de neiging meer achteraan in de zin te komen. Als de zin geschreven of gedrukt wordt, staat het minder belangrijke vóór, dus links van datgene wat informatief van groter belang is. Dit verschijnsel wordt in de rest van dit hoofdstuk het links-rechtsprincipe genoemd.
Zinsaccent
In gesproken taal geeft de spreker door middel van zinsaccenten (klemtoon) aan welk gedeelte of welke gedeelten van een zin informatief belangrijk zijn op een bepaald punt van een gesprek of een uiteenzetting. Een zinsaccent is dan ook te omschrijven als een accent dat meehelpt de structurering van de informatie in een zin aan te geven. Zinsaccent moet overigens niet worden verward met woordaccent en groepsaccent, termen die respectievelijk aangeven waar het accent ligt in een woord dat uit meer dan één lettergreep bestaat en in een constituent die uit meer dan één woord bestaat. Een zin kan één of meer zinsaccenten hebben. Het is dus niet zo dat alleen het allerbelangrijkste element een accent krijgt. Zijn er meerdere zinsaccenten, dan is niet zonder meer uit te maken of het ene accent zwaarder is dan het andere, al is er een tendens om het laatste zinsaccent als het zwaarste en dus voornaamste te beschouwen. Het aantal zinsaccenten dat een zin krijgt, hangt af van de informatieve bedoeling en van de grammaticale structuur van de zin. Ter illustratie van verschillende mogelijke accentverdelingen worden hier enkele van de hierboven besproken zinnen herhaald. Punthaken (<>) geven telkens (de) informatief belangrijke delen van de zin aan:
14<De koning en de koningín> zijn <vorige wéék> <naar Chína geweest>.nieuwszin
15Die wou ze <aan míj geven>.
16<Onze directéúr is overleden>.nieuwszin
17Onze directeur <is overléden>.
Deze voorbeelden laten zien dat een zinsaccent niet de belangrijkheid aangeeft van een bepaald woord of een deel van een woord, maar dat het betrekking heeft op een bepaald gedeelte van de zin: een zinsdeel of een groep van zinsdelen. Zo kan van de bovenstaande zinnen uiteraard niet beweerd worden dat alleen het subject of een andere nominale constituent informatief belangrijk is, en niet het werkwoordelijk gezegde. Het spreekt voor zich dat in zinnen met een strikte ordening van de elementen overeenkomstig het links-rechtsprincipe het laatste zinsaccent op het informatief belangrijkste element ligt.
Het links-rechtsprincipe
Het links-rechtsprincipe is relevant voor de vraag of een bepaald element voor of na de eerste pool komt. Het bepaalt, met andere woorden, of een element op de eerste zinsplaats of in het middenstuk staat. In het laatste geval heeft het links-rechtsprincipe bovendien invloed op de plaats ten opzichte van andere elementen in het middenstuk. De volgende zinnen bevatten bijvoorbeeld precies dezelfde elementen, zij het in verschillende volgordes. Het zinsdeel met de belangrijkste nadruk staat, zoals elders in dit hoofdstuk, tussen accolades en is voorzien van een accent op de beklemtoonde lettergreep. De polen staan tussen verticale strepen:
18Morgen |komt| {Érwin} |Ø|.
19Erwin |komt| {mórgen} |Ø|.
De zin in (18), met een zinsaccent op Erwin, kan dienen als antwoord op de vraag wie er morgen komt, maar klinkt bij deze accentuering erg ongewoon als antwoord op de vraag wannéér Erwin komt. Met een zinsaccent op morgen is (19) een natuurlijker antwoord op die tweede vraag. Met andere woorden, de informatie die de eerste zin overbrengt kan worden omschreven als 'morgen komt er iemand, namelijk Erwin', of eventueel als 'degene die morgen komt is Erwin'. Parafrases van de tweede zin, daarentegen, zijn 'Erwin komt, en wel morgen' of 'het tijdstip waarop Erwin komt is morgen'. Een soortgelijk voorbeeld biedt het volgende paar zinnen:
20Je |zou| alles {op schóól} |moeten leren|.
21Je |zou| op school {álles} |moeten leren|.
Ook deze zinnen brengen verschillende boodschappen over: (20) zoiets als 'de plaats waar je alles moet leren is volgens mij: de school'; de tweede(21) zoiets als 'op de vraag wat je op school zoal moet leren is mijn antwoord: alles'. Met andere woorden, voor de spreker van de(20) is de kern van de mededeling niet dat je alles moet leren, maar dat school de meest aangewezen plaats is waar dat moet gebeuren. De informatie die de spreker van (21) wil meedelen is van een heel andere aard: de kern van de mededeling betreft wat je (op school) moet leren (namelijk alles).
Een ander bekend verschijnsel met betrekking tot het middenstuk dat veroorzaakt wordt door het links-rechtsprincipe is de typische plaatsing van bepaalde en onbepaalde nominale constituenten in de functie van direct object. De volgende zinnen illustreren dit:
22Karel |wil| morgen {een nieuwe áuto} |kopen|.
23Karel |wil| een nieuwe auto {mórgen} |kopen|.twijfelachtig
Onbepaalde nominale constituenten die nieuwe informatie introduceren, zoals een nieuwe auto in (22), staan meestal rechts in het middenstuk. In dit voorbeeld gaat het om een niet-specifieke auto. Plaatsing dicht bij de eerste pool, zoals in (23), lijkt alleen acceptabel als het direct object een (contrastief) zinsaccent draagt, bijvoorbeeld wanneer er in de context al gesproken is over het kopen van verschillende zaken, waaronder een nieuwe auto. De plaatsing van bepaalde nominale constituenten is precies andersom:
24Karel |wil| morgen {de nieuwe áuto} |kopen|.
25Karel |wil| de nieuwe auto {mórgen} |kopen|.
Bepaalde nominale constituenten als de nieuwe auto kunnen de informatieve kern van de zin vormen en rechts in het middenstuk staan. Een zin als (24) ligt het meest voor de hand in een context waarbij Karel verschillende zaken gaat kopen, waaronder een reeds geïntroduceerde nieuwe auto. Een zin als (25), met het direct object links in het middenstuk, is neutraler veronderstelt geen extra context.
Bij het links-rechtsprincipe geldt een restrictie voor de werkwoordelijke elementen en onderschikkende voegwoorden. Volgens het polaire principe nemen deze elementen, die samenvallen met de polen van de zin, immers vaste plaatsen in. Het werkwoordelijk (deel van het) gezegde en onderschikkende voegwoorden zijn dus, anders dan de overige elementen in de zin, niet 'vrij' te plaatsen naargelang de context en de bedoeling van de zin. Hoewel er enkele uitzonderingen zijn, kan de vaste plaats van een werkwoordelijk element wel degelijk in overeenstemming zijn met een strikte links-rechtsordening. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het hoofdwerkwoord in de tweede pool de informatieve kern van de mededeling is, wat tot uitdrukking komt in het feit dat dat werkwoord zelf een zinsaccent draagt. Dit is het geval bij respectievelijk het voltooid deelwoord en de persoonsvorm in de volgende zinnen:
26|Had| ik dat mailtje dan niet naar jou |{gefórward}|?
27(De erg vermoeiende reis had haar gezondheid zo verzwakt,) |dat| ze kort na haar terugkeer |{overlééd}|.
Delen van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats
Verdieping
Delen van het werkwoordelijk gezegde op de eerste zinsplaats
In [21.4.1.4] Een deel van een zinsdeel op de eerste zinsplaats worden zinnen van het volgende type beschreven:
i<Gefórward> |heb| ik die mail <níét> |Ø|.
Dit soort zinnen komt slechts sporadisch voor. Ze worden gekenmerkt door het feit dat een deel van het werkwoordelijk gezegde (namelijk de werkwoordelijke aanvulling) wel degelijk op de eerste zinsplaats staat. Ook deze volgorde is in strijd met het links-rechtsprincipe. Er valt namelijk steeds een (licht) contrastief accent op de eerste zinsplaats, wat de gedachte oproept aan een andere situatie (in dit geval wat de spreker of schrijver dan wél met die mail heeft gedaan). Het element op de eerste zinsplaats behoort in dit soort zinnen tot de informatieve kern van de zin.
Werkwoorden die niet tot de informatieve kern van een zin behoren, omdat ze bijvoorbeeld een activiteit of proces beschrijven dat in de voorgaande zin is geïntroduceerd, staan toch veelvuldig in de tweede pool. De volgende zinnen bevestigen dit:
28(Vergeet nou niet om dat mailtje naar mij door te sturen!) Oh, ik |heb| het per ongeluk {naar je zús} |geforward|!
29(Is ze echt van vermoeidheid gestorven? Nee, ik geloof eerder) |dat| ze {van verdríét} |overleed|.
Volgens het links-rechtsprincipe zouden geforward in (28) en overleed in (29) verder naar links in de zin moeten staan, maar dat is niet het geval. Het is bij deze voorbeelden overigens wel mogelijk om de informatieve kern rechts van de tweede pool te plaatsen, getuige ik |heb| het per ongeluk |geforward| {naar je zús} en |dat| ze |overleed| {van verdríét}. Deze zinnen maken gebruik van de laatste zinsplaats.
Een soortgelijk voorbeeld kan worden gegeven voor de eerste pool:
30(Wil je iets voor me doen?) Tja, ik |{wíl}| je wel |helpen|, (maar ik kán het niet).
In deze zin behoort het werkwoord wil in de eerste pool tot de informatieve kern. Volgens het links-rechtsprincipe zou dat werkwoord verder naar rechts moeten staan, maar ook dat is niet mogelijk. Het polaire principe bepaalt immers precies waar de werkwoorden (en onderschikkende voegwoorden) in een zin staan. Datzelfde geldt overigens ook voor alle niet-werkwoordelijke elementen die door de beide polen worden aangetrokken. Deze elementen worden besproken in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit en [21.3] De tweede pool en wat daarbij aansluit.
Ten slotte zijn ook constituenten met een vragend of uitroepend (voornaam)woord uitgezonderd van plaatsing volgens het links-rechtsprincipe. Deze zinsdelen staan standaard op de eerste zinsplaats, ongeacht hun nieuwswaarde. Vragende (voornaam)woorden vragen per definitie naar het nog niet bekende. Vraagwoordvragen, ook wel leemtevragen genoemd, worden in het Nederlands gevormd door het bevraagde zinsdeel uiterst links te plaatsen. Op dezelfde wijze staat een uitroepend voornaamwoord verplicht op de eerste zinsplaats:
31Hoe |heb| je dat nu toch weer voor elkaar |gekregen|?
32Wanneer |zal| de bevolking haar bejaarden weer |mogen opzoeken|?
33Wat |kun| jij toch lekker |koken|!
Hoewel een bevraagd zinsdeel vaak informatief belangrijk is, kan de rest van de zin ook een hoge nieuwswaarde hebben. Zo kan het voorbeeld in (32) kan als een vragende nieuwszin worden gelezen. Het uitroepend voornaamwoord wat in (33) verwijst zelfs helemaal niet; het dient louter ter versterking van de lovende uitspraak over de kookkunsten van de aangesprokene. Met betrekking tot de eerste zinsplaats in vragende of uitroepende zinnen krijgt het links-rechtsprincipe eenvoudigweg geen speelruimte.
Accentuering en afwijking van het links-rechtsprincipe
Eerder is al aangegeven dat de informatieve waarde van de elementen in een zin niet alleen door hun plaats in de zin tot uitdrukking komt. Ook accentueringsverschijnselen spelen hierbij een rol. Een gevolg hiervan is dat accentuering ervoor kan zorgen dat een zin van het links-rechtsprincipe afwijkt.
In de praktijk komt het vaak voor dat een informatief belangrijk (soms het belangrijkste) element meer naar links staat dan op grond van het links-rechtsprincipe te voorspellen is. Dit betekent dat het informatieve belang alleen gekenmerkt kan worden door een zinsaccent, dat gewoonlijk dan ook een speciale nadruk krijgt. Een dergelijke afwijking van de strikte links-rechtsordening doet zich bijvoorbeeld voor in contrastieve contexten. De hierna volgende voorbeelden illustreren dit:
34(Gisteren heb ik een boek en een fles wijn gekocht.) Ik |heb| het boek <aan Martíne |gegeven|>.
De tweede zin heeft een volgorde die in overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. Het direct object het boek verwijst naar een referent die in de voorgaande zin is geïntroduceerd. Het nieuwe gegeven is in dit geval het indirect object aan Martine samen met het hoofdwerkswoord gegeven. Dat gedeelte van de zin draagt dan ook een zinsaccent. Het direct object (met een lagere informatieve waarde) staat links van het indirect object (met een hogere informatieve waarde). De omgekeerde volgorde is ook mogelijk, met name wanneer het boek als informatief belangrijkste element voorgesteld wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval in de volgende contrastieve context:
35(Je hebt het verkeerd.) Ik |heb| aan Martine {het bóék} |gegeven|, (niet de fles wíjn. Die is naar Rik gegaan.)
In dit geval is een contrastief accent (ook wel: contrastaccent), een soort zinsaccent, vereist op het direct object. Dit zinsdeel staat rechts in de zin, wederom conform het links-rechtsprincipe. Hetzelfde kan echter ook worden uitgedrukt met de oorspronkelijke volgorde:
36(Je hebt het verkeerd.) Ik |heb| {het bóék} aan Martine |gegeven|, (niet de fles wíjn. Die is naar Rik gegaan.)
Met deze volgorde schendt de zin het links-rechtsprincipe. Het belangrijkste element wordt nu alleen nog door middel van het accent als zodanig gekenmerkt.
In een soortgelijke contrastieve context zijn ook de volgende zinnen mogelijk, al ligt (37a) wellicht meer voor de hand dan (37b), die beslist minder duidelijk en wat stroever lijkt:
37aIk |heb| het boek {aan Martíne} |gegeven|, (niet aan Rík. Die heeft wat anders gekregen.)
bIk |heb| {aan Martíne} het boek |gegeven|, (niet aan Rík. Die heeft wat anders gekregen.)
Het voorbeeld in (37a) heeft de volgorde van (34). Aan Martine treedt ook hier als informatief belangrijkste element op de voorgrond, maar dit keer gebeurt dit in een contrastieve context. Het voorbeeld in (37b) gebruikt dezelfde volgorde als de tweede zin in (35). De zin impliceert echter iets anders aangezien niet het boek maar aan Martine als informatief belangrijkste element wordt gekenmerkt. Ook hier wordt de strikte links-rechtsvolgorde dus niet toegepast, wat wel het geval was in (35).
In contrastieve zinnen is er ook nog een andere mogelijkheid: met behoud van het accent kan het informatief belangrijkste element ook op de eerste zinsplaats staan. Voorbeelden zijn:
38a{Het bóék} |heb| ik aan Martine |gegeven|, (niet de fles wíjn.)
b{Aan Martíne} |heb| ik het boek |gegeven|, (niet aan Rík.)
De formulering van het links-rechtsprincipe kan naar aanleiding hiervan op de volgende wijze gemodificeerd worden: elementen met een erg kleine informatieve waarde staan zo ver mogelijk links en krijgen geen zinsaccent; elementen met een grote informatieve waarde zijn op een of andere manier speciaal gekenmerkt: ofwel door hun positie ergens achteraan in de zin (rechts) in combinatie met een zinsaccent, ofwel alleen door een accent.
Bij de beschrijving van de woordvolgorde in dit hoofdstuk wordt systematisch onderscheid gemaakt tussen zinnen met een strikte links-rechtsordening van de elementen en zinnen waarin van dit principe afgeweken wordt. In het eerste geval ligt het (laatste) zinsaccent vlak voor de tweede pool, wat kan worden beschouwd als neutrale accentuering of een neutraal klemtoonverloop. In het tweede geval zal de accentuering afwijken van dat neutrale patroon. Waar dat nuttig is, bijvoorbeeld om de bedoeling van een bepaalde zin te verduidelijken, geven accenttekens de bedoelde accentuering aan.
Het is van belang op te merken dat zinnen waarin van de strikte links-rechtsordening afgeweken wordt, absoluut niet per definitie ongewoon, laat staan abnormaal zijn. Of een bepaalde woordvolgorde ongewoon is of niet, hangt af van de context waarin de zin met die woordvolgorde voorkomt.
Andere manieren om informatie in een zin te structureren
Tot slot van deze uiteenzetting over het links-rechtsprincipe dient te worden vermeld dat er afgezien van de woordvolgorde en accentuering ook nog andere mogelijkheden zijn om de informatie in een zin te structureren. Taalgebruikers kunnen ook een andere constructie gebruiken. Enkele speciale typen zinnen komen aan bod in [21.10] Gekloofde zinnen.
Een andere mogelijkheid is de keuze tussen een actieve en een passieve constructie. Het verschil wordt duidelijk in de volgende zinnen, waarbij (39) een herhaling is van zin (5):
39De koning en de koningin |hebben| vorige week <Chína |bezocht|>.
40China |is| vorige week |bezocht| <door de koning en de koningín>.
In (39) wordt over het koninklijk paar gezegd dat het vorige week China heeft bezocht. Hoewel het om een nieuwszin gaat, kan toch worden gesteld dat het koninklijk paar hierin als uitgangspunt gekozen (of beter: geïntroduceerd) wordt en dat het bezoek aan China de informatieve kern van de zin vormt. In de corresponderende passieve zin (40), daarentegen, is de verhouding precies omgekeerd: hier vormt de bestemming van het bezoek het uitgangspunt en worden de koning en de koningin als het informatief belangrijkste element voorgesteld. Beide zinnen volgen het links-rechtsprincipe. De paragrafen [22·1/1] Algemene inleiding hoofdstuk Actieve en passieve zinnen en [22·2·3·2] Het logisch onderwerp wordt als informatief belangrijk voorgesteld gaan dieper in op de samenhang van het onderscheid tussen actief en passief in verband met de informatieve geleding.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links