18.5.3.3 Gaan met korte infinitief
Gaan met korte infinitief is een erg frequente
subjectgeoriënteerde constructie. De constructie wordt om te beginnen gebruikt
met een ruimtelijke betekenis waarbij het onderwerp van de
zin zich verplaatst om vervolgens de handeling in de infinitief uit te
voeren.
Daarnaast drukt de constructie een ingressief aspect uit waarbij de nadruk
ligt op de beginfase van de situatie waar de infinitief naar verwijst.
Ten slotte kan de constructie ook gebruikt worden als toekomstaanduider.
Toekomende tijd of toekomstaanduider?
Verdieping
Toekomende tijd of toekomstaanduider?
Verkuyl & Broekhuis (2013) en meer uitgebreid de SoD (2015: 6.4.1.V) argumenteren dat
gaan op zichzelf
geen toekomende tijd uitdrukt maar louter een aspectueel werkwoord is.
Colleman (2000) suggereert dan weer dat
gaan met korte
infinitief geen deel uitmaakt van het systeem van de werkwoordstijden
(zie 2.4.8) maar wel als toekomstaanduider beschouwd
kan worden.
Betekenis
Gaan met korte infinitief drukt om te beginnen
een ruimtelijke betekenis uit. De constructie geeft meer
bepaald aan dat het onderwerp van de zin zich verplaatst om de handeling in de
infinitief uit te voeren. Net als bij
komen met korte infinitief
hebben we dus te maken met een verplaatsing die gevolgd wordt door de werking
uitgedrukt in de infinitief.
De SoD (2015: 1022) suggereert dat het ruimtelijke gebruik gaan met korte
infinitief een typisch verplaatsing weg van het deiktische centrum
(d.w.z. het ‘hier en nu’ van de spreker en toehoorder) inhoudt terwijl
het ruimtelijk gebruik van komen met korte infinitief een verplaatsing
naar het deiktische centrum impliceert.
Daarnaast wordt de constructie gebruikt om nadruk te leggen op de beginfase van de situatie
beschreven in de infinitief. We spreken van ingressief
aspect. De ingressieve betekenis kan optreden als bijbetekenis
bij het ruimtelijke gebruik van de constructie, zoals in (4a-4c). Na de
verplaatsing van het onderwerp gaat immers de situatie waar de infinitief naar
verwijst van start. Gaan met
infinitief kan echter ook ingressief aspect uitdrukken zonder dat er sprake is
van een verplaatsing, zoals in (5a-5c).
Gaan met infinitief
verschilt hierin van komen
met infiniet waarbij het ingressieve aspect niet zonder ruimtelijke
betekenis kan voorkomen.
Ten slotte kan gaan met infinitief ook fungeren als
een toekomstaanduider. Die toekomstlezing kan optreden als
bijbetekenis bij het ruimtelijke en ingressieve gebruik van
gaan met korte infinitief.
De situatie beschreven in de infinitief strekt zich immers uit vanaf een bepaald
punt in een daarachter gelegen tijdsruimte. Is dat punt het spreekmoment dan is
die tijdsruimte de toekomst en heeft gaan
met korte infinitief dus ook futurale betekenis.
Gaan met korte infinitief
kan ook als toekomstaanduider fungeren zonder dat er sprake is van een
verplaatsing. De constructie verwijst naar een toekomstige situatie die op één
of andere manier wortels heeft in het heden. We maken een onderscheid tussen
drie typische gebruiken.
Deze indeling is gebaseerd op Van Olmen & Mortelmans (2009)
Ten eerste kan de constructie nadruk leggen op het voornemen ( intentie 28.2.3
) van de spreker om de werking in de infinitief uit de voeren. Het
onderwerp is in dat geval typisch een deelnemer in de taalhandeling en
verschijnt als een persoonlijk voornaamwoord in de eerste persoon in meedelende
zinnen (ik of
wij) of in de tweede persoon
in vraagzinnen (jij of
jullie).
Ten tweede kan de constructie benadrukken dat de situatie beschreven in de infinitief onmiddellijk volgt op het spreekmoment. De spreker kondigt hierbij op neutrale wijze een situatie aan die in de nabije toekomst te gebeuren staat.
Ten derde kan een spreker met de constructie een voorspelling uitspreken dat een situatie in de toekomst zal gebeuren. De spreker baseert zich hierbij op concrete tekens in het heden of zijn of haar huidige kennis van de wereld. Dergelijk gebruik is typisch voor uitspraken over het weer (8c) waarbij de spreker zich baseert op het weerbericht of observatie van de omgeving.
Open plek voor werkwoorden
Gaan met korte infinitief is een erg frequente
constructie die met uiteenlopende infinitieven wordt gecombineerd. Tabel 1 geeft
een overzicht van de infinitieven die het vaakst voorkomen in de open plek van
de constructie.
De cijfers gelden voor tweeledige werkwoordgroepen in de
dataset van Coussé & Bouma (2022). De tokenfrequentie geeft het
totale aantal werkwoordconstructies weer. De typefrequentie staat voor
het aantal verschillende infinitieven in die
werkwoordconstructies.
Tabel 1. Meest frequente infinitieven bij gaan
| Gaan | |
| doen | 255 |
| kijken | 93 |
| zitten | 72 |
| zeggen | 53 |
| maken | 49 |
| werken | 48 |
| zijn | 46 |
| eten | 38 |
| praten | 28 |
| staan | 28 |
| geven | 26 |
| hebben | 26 |
| kopen | 26 |
| … | … |
| Types | 685 |
| Tokens | 2476 |
Veel van de werkwoorden in de tabel verwijzen naar een activiteit
(doen,
kijken,
werken,
praten). Onderstaande zinnen
illustreren hoe activiteitswerkwoorden in principe compatibel zijn met een
ruimtelijke interpretatie (9a), een ingressieve aspectuele betekenis (9b) en een
toekomstlezing (9c).
Daarnaast zien we in de tabel een paar houdingswerkwoorden opduiken
(zitten,
staan). Constructies met
houdingswerkwoorden kunnen zowel een ruimtelijke lezing (10a-10b ) als
ingressieve lezing (10c-10d) krijgen. In de ingressieve lezing vormen de
collocationele patronen gaan zitten,
staan,
zitten een vaste manier om
het innemen van een nieuwe lichaamshouding uit te drukken.
In regionale varianten van het Belgisch-Nederlands gebruikt men hiervoor
de causatieve tegenhangers van de houdingswerkwoorden
zetten,
stellen,
leggen in combinatie
met een reflexief pronomen (bv. zet u
‘ga zitten’).
Zinnen (10e-10f) ten slotte hebben niet langer een ruimtelijke en
ingressieve lezing maar drukken uit dat het aanhouden van een bepaalde
lichaamshouding zich in de toekomst zal afspelen.
Merk ook op dat (10e-10f) een ondertoon van irritatie in zich dragen.
Vergelijk met zitten,
staan,
liggen met lange
infinitief die ook emotionele attitude kan
uitdrukken.
De tabel bevat ook een aantal eindpuntgebeurens
(zeggen,
maken,
kopen). De
overgangsbetekenis van deze werkwoorden maakt ze niet geschikt voor een
ingressieve interpretatie. Ze komen evenwel voor met een ruimtelijke betekenis
(11a) en een toekomstlezing (11b-11c).
Ten slotte vinden we in de tabel ook de toestandswerkwoorden hebben
en zijn.
Deze werkwoorden zijn niet compatibel met een ruimtelijke of ingressieve
interpretatie. Ze fungeren dus uitsluitend als toekomstaanduiders. Het gebruik
van hebben,
zijn maar ook andere
toestandswerkwoorden als weten (12c)
of een zelfstandig gebruikt werkwoord van modaliteit (12d) zijn vooral beperkt
tot het Belgisch-Nederlands.
Van Bree (1997), Van der Horst & Van der Horst (1999) en Kraaikamp
(2009) observeren dat het gebruik wel ingang begint te vinden bij
jongere sprekers van het Nederlands-Nederlands. De Schutter (2004)
geeft aan dat het gebruik vroeger ook minder verspreid was in het
Belgisch-Nederlands en vooral beperkt was tot het westen van
Vlaanderen.
Wat opvalt bij alle werkwoorden in de tabel is dat ze typisch met een bezield onderwerp
gecombineerd worden.
Dat geldt in mindere mate voor het toestandswerkwoord
zijn.
Die voorkeur voor werkwoorden met een bezield onderwerp is echter niet
absoluut. Gaan met korte infinitief
kan wel degelijk voorkomen met werkwoorden die typisch een onbezield onderwerp
nemen (13a-13b).Dubbel gaan
Verdieping
Dubbel gaan
In het Belgisch-Nederlands wordt gaan met korte
infinitief frequent gecombineerd met
hebben,
zijn en in mindere
mate met andere toestandswerkwoorden alsweten
en zelfstandig gebruikte modale werkwoorden.
Dat gebruik begint ook stilaan opgang te vinden in het Nederlandse
Nederlands. Een andere infinitief die in het Belgisch-Nederlands
voorkomt maar nagenoeg uitgesloten is in het Nederlands-Nederlands is
gaan (inclusief
afleidingen en samenstellingen).
Combinaties met groepsvormende werkwoorden
Het groepsvormend werkwoord gaan kan met heel wat
andere groepsvormende werkwoorden gecombineerd worden in een complexe
werkwoordgroep. De algemene principes voor het combineren van groepsvormende
werkwoorden worden besproken in 18.6. Hier
gaan we dieper in op het feit dat de combinatiemogelijkheid van
gaan een opvallend verschil
vertoont in het Nederlandse en het Belgisch-Nederlands.
De combinatie van voltooid zijn met een ruimtelijk gebruikt gaan
met korte infinitief lijkt in vorm en betekenis sterk op de
absentieve constructie zijnmet korte infinitief.
18.5.3.4 De ruimtelijke interpretatie van
gaan met infinitief drukt alleen uit dat het
onderwerp zich verplaatst om de handeling in de infinitief uit te
voeren. Het absentieve zijn met korte infinitief
drukt de bijkomende betekenisnuance uit dat het onderwerp na de
verplaatsing een tijdlang de handeling in de infinitief uitvoert om zich
ten slotte terug te begeven naar de uitgangspositie.
Dat ingebedde gebruik is enkel mogelijk wanneer gaan
een ruimtelijke of ingressieve betekenis heeft.
Zie ook SoD (2015: 6.4.1.V) voor dit punt.
Daarnaast heeft gaan in
mindere mate ook bereik over andere groepsvormende werkwoorden. In het gesproken
Nederlands heeft gaan bereik over
progressieve aspectuele werkwoorden (15a), causatieve werkwoorden (15b) en het
passieve worden (15c).Dat is een relatief laag bereik in overeenstemming met het aspectuele betekenis van
gaan met korte infinitief.
In het gesproken Belgisch-Nederlands heeft
gaan bereik over meer types
groepsvormende werkwoorden. Naast de werkwoorden in (15a-15c) heeft het
werkwoord ook bereik over zichzelf (16a), over dynamische modale werkwoorden
(16b) en over hulpwerkwoorden van voltooidheid (16c).
Dergelijk hoog bereik is uitgesloten voor aspectuele werkwoorden maar past wel bij het puur futurale gebruik van gaan.
Relatie futuraal gaan vs.
zullen
Als toekomstaanduider komt gaan met korte infinitief
deels overeen in gebruik met zullen
met korte infinitief. Onderstaande voorbeelden illustreren een haast identiek
gebruik van gaan en
zullen met korte
infinitief.
Nader onderzoek laat echter zien dat het futurale
gaan en
zullen een verschillend
gebruiksprofiel hebben. Tabel 2 geeft een overzicht van de taalinterne en
taalexterne factoren die de voorkeur voor futuraal
gaan dan wel
zullen stimuleren in het
Corpus Gesproken Nederlands.
Tabel 2. Factoren die de keuze voor futuraal gaan dan wel zullen stimuleren in gesproken Nederlands (Fehringer 2017:
380)
| Futuraal gaan | Futuraal zullen | |
| Type toekomst | Nabije toekomst | Niet-nabije toekomst |
| Type infinitief | Activiteit | Niet-activiteit, zijn/hebben, gaan |
| Bezieldheid onderwerp | Bezield | Onbezield |
| Persoon onderwerp | Tweede, derde persoon | Eerste persoon |
| Modaal partikel | Afwezig | Aanwezig |
| Zinstype | Bijzin | Hoofdzin |
| Regionale variëteit | Belgisch-Nederlands | Nederlands-Nederlands |
Sommige van de factoren die het gebruik van gaan met
korte infinitief stimuleren, zijn al in deze paragraaf aan bod gekomen. Zo
hebben we al opgemerkt dat de constructie kan verwijzen naar een situatie die te
gebeuren staat in de nabije toekomst. Daarnaast wordt de constructie frequent
gecombineerd met werkwoorden die een activiteit beschrijven. Daarbij viel op dat
die werkwoorden typisch een bezield onderwerp bij zich hadden. Ten slotte hebben
we aangetoond dat de constructie frequenter voorkomt in het Belgisch-Nederlands
en dat het daar ook bredere gebruiksmogelijkheden heeft. Deze kenmerken blijken
ook het futuraal gebruik van gaan
met korte infinitief te onderscheiden van
zullen met korte
infinitief.
Groepsvorming
Gaan met korte infinitief is verplicht groepsvormend. De constructies vormt dus een werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen (18a-18b) en hoofdzinnen (18c).
De korte infinitief staat in de werkwoordelijke eindgroep steeds achter het groepsvormende
werkwoord. In de voltooide werkwoordstijden (18c) verschijnt het groepsvormende
gaan als vervangende
infinitief (in het vet gemarkeerd).
Verder lezen
Literatuur
Niekerk 1972, Brisau 1975, Baert & De Meersman 1981, Haegeman 1983, 1990, De Rooij 1985, 1986, Ten Cate 1991, Van Bree 1997, Van der Horst & Van der Horst 1999, Decroos 2000, Colleman 2000, Beheydt 2005, Hilpert 2008, Van Olmen & Mortelmans 2009, Kraaikamp 2009, De Schutter 2010, Wijers 2012, Verkuyl & Broekhuis 2013, Boogaart 2013, Fehringer 2017
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.3.iii,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/03/03/body.html; |
