Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.9.3 Zinstype 2a
In zinnen van zinstype 1a staat de persoonsvorm (pv) altijd in de tweede pool. De eerste pool blijft verplicht leeg en de eerste zinsplaats moet gevuld worden, en wel door een (constituent met een) vragend, uitroepend of betrekkelijk (voornaam)woord:
eerste zinsplaats |Ø| middenstuk |persoonsvorm| laatste zinsplaats
Dit zinstype doet bij uitstek dienst als afhankelijke zin ((Emma wil graag weten) wat |Ø| haar broertje zoal uit|spookt|, (dat zijn zaken) die |Ø| niet door de beugel |kunnen|). Als zelfstandige zin wordt dit zinstype aangetroffen in zogeheten correlatieve samengestelde zinnen: (hoe langer haar broertje zweeg,) hoe verdachter |Ø| zijn gedrag Emma voor|kwam|.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen van het type 2a
Zinstype 2a omvat vier soorten afhankelijke zinnen: ingebedde vraagwoordvragen, ingebedde uitroepende zinnen, betrekkelijke bijzinnen en (toegevende) bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord. Zoals beschreven in [21.4.2] De eerste zinsplaats in zinstype 2a kan vrijwel ieder denkbaar zinsdeel de eerste zinsplaats in dit zinstype bezetten. In dat opzicht zijn er grote overeenkomsten met zinstype 1a.
Afhankelijke vraagwoordvragen hebben op de eerste zinsplaats een vragend (voornaam)woord of een constituent die zo'n woord bevat:
1Ingebedde vraagwoordvragen
aWaarom |Ø| Emma deze dag zo belangrijk |vond|, (interesseerde Karel niet).
b(Emma wilde weten) met welke bus |Ø| Karel naar de stad |wilde gaan|.
c(Karel en Emma piekerden erover) wat |Ø| hun die dag allemaal |te wachten stond|.
d(Er werd nagedacht over [de vraag) [hoe lang |Ø| het programma |zou mogen duren|]].
Een afhankelijke vraagwoordvraag kan de functie van subject (onderwerp, als in (1a)) of direct object (lijdend voorwerp, als in (1b)) in een bevattende zin vervullen. Ook kan zo'n vraag in de aanloop of uitloop staan en worden geassocieerd met een voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, als in (1c)). Het voorbeeld in (1d) laat zien dat een ingebedde vraagwoordvraag ook dienst kan doen als complement bij een substantief als vraag. Hetzelfde geldt voor uitroepende zinnen van type 2a:
2Ingebedde uitroepende zinnen
a(Emma vertelde ons in geuren en kleuren) met wat een bus |Ø| ze naar de stad |waren gegaan|.
b(Het viel meteen op) wat een auto's |Ø| ze daar allemaal |te zien zouden krijgen|.
c(Ze wisten) hoe leuk |Ø| het |kon worden|.
d(Emma verbaasde zich erover) wat een mensen |Ø| er wel niet in zo'n bus |pasten|.
e(Het [besef) [wat een feest |Ø| het zou gaan worden]] (drong maar langzaam tot Karel door).
In betrekkelijke bijzinnen wordt de eerste zinsplaats bezet door een betrekkelijk voornaamwoord of een constituent die zo'n woord bevat:
3Betrekkelijke bijzinnen met expliciet antecedent
a(Emma vroeg naar [het tijdstip) [waarop |Ø| Karel |wilde vertrekken|]].
b(Karel ergerde zich aan [Emma],) [van wie de haast |Ø| de dag |dreigde te bederven|].
c(Ze hadden [zich beiden op deze dag verheugd]), [wat |Ø| hun duur |zou komen te staan|]].
De betrekkelijke bijzinnen in (3) geven informatie over een expliciet antecedent. Dat antecedent kan een substantief zijn, zoals in (2a-b), of een persoonlijk voornaamwoord: (jij,) die |Ø| me altijd maar voor de voeten |loopt|, (moet nu oppassen). In dat geval maakt de bijzin deel uit van een nominale constituent. Betrekkelijke bijzinnen kunnen op de laatste zinsplaats staan of in de uitloop. Betrekkelijke bijzinnen met een (deel van een) hele zin als antecedent, zoals in (2c), staan altijd buiten de eigenlijke zin in de uitloop. Verder maken zogenaamde gekloofde zinnen gebruik van een betrekkelijke bijzin met expliciet antecedent: (het was Émma) die |Ø| zo belachelijk vroeg |wilde vertrekken|.
Betrekkelijke bijzinnen als nevenschikking
Verdieping
Betrekkelijke bijzinnen als nevenschikking
In het informele taalgebruik wordt de inhoud van een betrekkelijke bijzin soms weergegeven in een nevengeschikte zin van zinstype 1a:
ia(Er was eens een student) die |Ø| er plezier in |had| om mij voortdurend te imiteren.
b(Er was eens een student en) die |had| er plezier in |Ø| om mij voortdurend te imitereninformeel
Betrekkelijke bijzinnen met ingesloten antecedent kunnen dienst doen als vrijwel ieder denkbaar zinsdeel:
4Betrekkelijke bijzinnen met ingesloten antecedent
aWat |Ø| er op het menu |stond| (deed Karel watertanden).subject
b(Karel nam zich voor) wat |Ø| hij gekregen |had| (netjes op te eten).direct object
cWie |Ø| Karel na vijf minuten beu |was| (zou hij flink de waarheid zeggen).oorzakelijk object
dWie |Ø| de gastheren iets lekkers in|schonken| (kon rekenen op hun onverdeelde aandacht).indirect object
eWaar |Ø| Karels tafelgenote zoal aan |zat te denken| (beviel Karel maar matig).voorzetselobject
fWaar |Ø| zij |had gewerkt| (was het landelijke karakter tegenwoordig totaal verdwenen).bijwoordelijke bepaling
g(Karel woonde een kilometer van) waar |Ø| zij |wilde gaan wonen|.noodzakelijke bepaling van plaats
hWat |Ø| zijn vader al jaren |was| (wilde Karel op een dag ook worden).naamwoordelijk deel van het gezegde
Dit soort bijzinnen worden ook gebruikt in zogenaamde pseudo-gekloofde zinnen: wie |Ø| er zo belachelijk vroeg |wilde vertrekken|, (was Émma).
Bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord op de eerste zinsplaats, ten slotte, lijken sterk op de zinnen in (4). Ze kunnen bovendien als toegevende bijzin in zowel de aanloop als de uitloop staan:
5Een constituent met een onbepaald voornaamwoord op de eerste zinsplaats
aWat |Ø| er ook op het menu |stond|, (het deed Karel allemaal watertanden).
b(Karel nam zich voor) onverschillig welke gerechten |Ø| hij |voorgeschoteld zou krijgen| (netjes op te eten).
cOm het even wie |Ø| Karel na vijf minuten beu |was| (zou hij flink de waarheid zeggen).
dWie |Ø| de gastheren ook iets lekkers in|schonken|, (hij kon rekenen op hun onverdeelde aandacht).
eOm het even waar |Ø| Karels tafelgenote ook zoal aan |zat te denken|, (het beviel Karel maar matig).
fWaar |Ø| zij ook |had gewerkt|, (daar was het landelijke karakter tegenwoordig totaal verdwenen).
g(Karel was bereid te verhuizen naar) waar |Ø| zij ook maar |wilde gaan wonen|.
hWat |Ø| zijn vader ook maar was |geweest|, (Karel zou het op een dag ook allemaal zijn).
Alle voorbeelden in (4) en (5) zijn reeds uitgebreid besproken in [21.4.2] De eerste zinsplaats in zinstype 2a.
Zelfstandige zinnen van het type 2a
De woordvolgorde van zinstype 2a is kenmerkend voor afhankelijke zinnen. Niettemin komen dit soort zinnen voor als (incomplete) antwoorden op vragen:
6Incomplete antwoorden
a(Wat wilde Emma weten?) Met welke bus |Ø| Karel naar de stad |wilde gaan|.
b(Wat vroeg je nou?) Hoe lang |Ø| het programma |zou mogen duren|.
Aangezien ook losse zinsdelen als (incompleet) antwoord op een vraag kunnen dienen, is de bewering dat deze voorbeelden zelfstandige zinnen bevatten aanvechtbaar. Een tweede, duidelijker geval betreft zinnen die beginnen met hoe gecombineerd met een adjectief in de vergrotende trap (of een bijwoord/telwoord):
7Correlatieve samengestelde zinnen met hoe + vergrotende trap (...) hoe + vergrotende trap
a(Hoe ouder hij werd,) hoe gieriger |Ø| hij ook |werd|. (= 'naarmate hij ouder werd, werd hij ook gieriger.')
b(Hoe langer ik erover denk,) hoe onverantwoorder |Ø| de hele onderneming me voor|komt|. (= 'naarmate ik er langer over denk, komt de hele onderneming me onverantwoorder voor')
In dit soort correlatieve samengestelde zinnen is de eerste zin qua betekenis de afhankelijke zin. In de voorbeelden staat deze zin steeds tussen haken. De tweede zin is dus de zelfstandige zin in deze constructie, ook al staat de persoonsvorm (pv) in de tweede pool. Parallel aan dit soort zinnen bestaan de volgende zinnen:
8a(Hoe ouder hij werd,) des te gieriger |Ø| hij ook |werd|.
b(Hoe langer ik erover denk,) des te onverantwoorder |Ø| de hele onderneming me voor|komt|.
c(Zo gezellig een huisdier in het begin lijkt,) zo moeilijk |Ø| het |is| om er continu voor te zorgen.
Al deze zinnen hebben varianten met een voor-pv:
9a(Hoe ouder hij werd,) hoe gieriger |werd| hij ook |Ø|. (= 'naarmate hij ouder werd, werd hij ook gieriger.')
b(Hoe langer ik erover denk,) hoe onverantwoorder |komt| de hele onderneming me voor|Ø|. (= 'naarmate ik er langer over denk, komt de hele onderneming me onverantwoorder voor')
c(Hoe ouder hij werd,) des te gieriger |werd| hij ook |Ø|.
d(Hoe langer ik erover denk,) des te onverantwoorder |komt| de hele onderneming me voor|Ø|.
e(Zo gezellig een huisdier in het begin lijkt,) zo moeilijk |is| het |Ø| om er continu voor te zorgen.
In deze constructie kan de tweede deelzin dus van zinstype 2a (achter-pv) of van zinstype 1a (voor-pv) zijn. Volgens de website Taaladvies.net  zijn beide varianten acceptabel.
De ANS volgt hier de analyse van (Broekhuis et al. 2015), die zich onder andere beroepen op (Den Dikken 2003) en (Den Dikken 2005).
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links