21.9.3 Zinstype 2a
In zinnen van zinstype 1a staat de persoonsvorm (pv) altijd
in de tweede pool. De eerste pool blijft verplicht leeg en de eerste zinsplaats
moet gevuld worden, en wel door een (constituent met een) vragend, uitroepend of
betrekkelijk (voornaam)woord:
| eerste zinsplaats | |Ø| | middenstuk | |persoonsvorm| | laatste zinsplaats |
Dit zinstype doet bij uitstek dienst als afhankelijke zin
((Emma wil graag weten) wat |Ø| haar broertje zoal
uit|spookt|, (dat zijn
zaken) die |Ø| niet door de beugel |kunnen|). Als
zelfstandige zin wordt dit zinstype aangetroffen in zogeheten correlatieve
samengestelde zinnen: (hoe langer haar broertje zweeg,) hoe
verdachter |Ø| zijn gedrag Emma voor|kwam|.
Verder lezen
Afhankelijke zinnen van het type 2a
Zinstype 2a omvat vier soorten afhankelijke zinnen: ingebedde vraagwoordvragen,
ingebedde uitroepende zinnen, betrekkelijke bijzinnen en (toegevende) bijzinnen
met een onbepaald voornaamwoord. Zoals beschreven in [21.4.2] De eerste zinsplaats in zinstype 2a kan
vrijwel ieder denkbaar zinsdeel de eerste zinsplaats in dit zinstype bezetten.
In dat opzicht zijn er grote overeenkomsten met zinstype 1a.
Afhankelijke vraagwoordvragen hebben op de eerste zinsplaats
een vragend (voornaam)woord of een constituent die zo'n woord bevat:
Een afhankelijke vraagwoordvraag kan de functie van subject (onderwerp, als in
(1a)) of direct object (lijdend voorwerp, als in (1b)) in een bevattende zin
vervullen. Ook kan zo'n vraag in de aanloop
of uitloop staan en worden geassocieerd met een voorzetselobject
(voorzetselvoorwerp, als in (1c)). Het voorbeeld in (1d) laat zien dat een
ingebedde vraagwoordvraag ook dienst kan doen als complement bij een substantief
als vraag. Hetzelfde geldt voor uitroepende zinnen van
type 2a:
In betrekkelijke bijzinnen wordt de eerste zinsplaats bezet
door een betrekkelijk voornaamwoord of een constituent die zo'n woord bevat:
De betrekkelijke bijzinnen in (3) geven informatie over een expliciet antecedent.
Dat antecedent kan een substantief zijn, zoals in (2a-b), of een persoonlijk
voornaamwoord: (jij,) die |Ø| me altijd maar voor de voeten
|loopt|, (moet nu oppassen). In dat geval maakt
de bijzin deel uit van een nominale constituent. Betrekkelijke bijzinnen kunnen
op de laatste zinsplaats staan of in de uitloop.
Betrekkelijke bijzinnen met een (deel van een) hele zin als antecedent, zoals in
(2c), staan altijd buiten de eigenlijke zin in de uitloop. Verder maken
zogenaamde gekloofde zinnen gebruik van een betrekkelijke bijzin
met expliciet antecedent: (het was Émma)
die |Ø| zo belachelijk vroeg |wilde
vertrekken|.
Betrekkelijke bijzinnen met ingesloten antecedent kunnen dienst doen
als vrijwel ieder denkbaar zinsdeel:
Betrekkelijke bijzinnen als nevenschikking
Verdieping
Betrekkelijke bijzinnen als nevenschikking
In het informele taalgebruik wordt de inhoud van een betrekkelijke
bijzin soms weergegeven in een nevengeschikte zin van zinstype
1a:
Dit soort bijzinnen worden ook gebruikt in zogenaamde pseudo-gekloofde zinnen:
wie |Ø| er zo belachelijk
vroeg |wilde vertrekken|, (was Émma).
Bijzinnen met een onbepaald voornaamwoord op de eerste
zinsplaats, ten slotte, lijken sterk op de zinnen in (4). Ze
kunnen bovendien als toegevende bijzin in zowel de aanloop als de uitloop
staan:
Alle voorbeelden in (4) en (5) zijn reeds uitgebreid besproken in [21.4.2] De eerste zinsplaats in zinstype 2a.
Zelfstandige zinnen van het type 2a
De woordvolgorde van zinstype 2a is kenmerkend voor afhankelijke zinnen.
Niettemin komen dit soort zinnen voor als (incomplete) antwoorden op vragen:
Aangezien ook losse zinsdelen als (incompleet) antwoord op een vraag kunnen
dienen, is de bewering dat deze voorbeelden zelfstandige zinnen bevatten
aanvechtbaar. Een tweede, duidelijker geval betreft zinnen die beginnen met hoe gecombineerd met een adjectief in de vergrotende trap (of een
bijwoord/telwoord):
In dit soort correlatieve samengestelde zinnen is de eerste zin qua betekenis de
afhankelijke zin. In de voorbeelden staat deze zin steeds tussen haken. De
tweede zin is dus de zelfstandige zin in deze constructie, ook al staat de
persoonsvorm (pv) in de tweede pool. Parallel aan dit soort zinnen bestaan de
volgende zinnen:
Al deze zinnen hebben varianten met een voor-pv:
In deze constructie kan de tweede deelzin dus van zinstype 2a (achter-pv) of van
zinstype 1a (voor-pv) zijn. Volgens de website Taaladvies.net zijn beide varianten
acceptabel.
De ANS volgt hier de analyse van (Broekhuis et al. 2015), die zich onder andere beroepen op
(Den Dikken 2003) en (Den Dikken 2005).
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
