21.6.3 Adpositieconstituenten op de laatste zinsplaats
De meeste adpositieconstituenten hebben toegang tot de laatste zinsplaats en
kunnen daarnaast ook in het middenstuk of op de eerste zinsplaats staan.
Adpositieconstituenten op de laatste zinsplaats hebben één van de volgende drie
zinsdeelfuncties: prepositioneel indirect object
(meewerkend voowerp et cetera, als in gisteren |heb| ik
drie e-mails |gestuurd| aan de zus van
Emma), voorzetselobject
(voorzetselvoorwerp, als in ik |zou| Emma graag |willen
spreken| over haar vrije
dagen) en bijwoordelijke bepaling
(bijvoorbeeld Emma |kun| je bijna nooit |bereiken|
tussen elf en twee). Bij
de laatste categorie gaat het, net als bij afhankelijke zinnen, uitsluitend om gezegdebepalingen. Adpositieconstituenten met de
functie van zinsbepaling staan nooit op de laatste zinsplaats.
Hetzelfde geldt voor inherente zinsdelen, al zijn bepalingen van gesteldheid
daarvan uitgezonderd (op een paar gevallen met tot na).
Ook adpositieconstituenten die deel uitmaken van een
zinsdeel kunnen op de laatste zinsplaats staan. In dat geval
worden ze gescheiden van de (nominale) kern waarbij ze complement of nabepaling
zijn: ik |wil| niet meteen weer het
broertje |verdenken| van
Emma. In sommige gevallen is het zelfs
mogelijk om een 'ingebedde' voorzetselconstituent op de laatste zinsplaats te
zetten: deze keer |is| het [het neefje [van het
broertje]] |geweest| van
Emma. Bij een aantal constructies is
afsplitsing in geen geval mogelijk, zoals bij adpositieconstituenten die deel
uitmaken een partitiefconstructie (twee van Emma's neefjes), een metaforische constructie (een schat van een joch), een nominale constituent met een persoonlijk/aanwijzend
voornaamwoord als kern (wij van de stuurgroep) en andere idiomatisch aandoende constructies (het taartje van de week).
Verder lezen
Adpositieconstituenten als zinsdeel op de laatste zinsplaats
Een adpositieconstituent als zinsdeel op de laatste zinsplaats vervult altijd één
van de volgende drie functies: (prepositioneel) indirect object (meewerkend
voorwerp et cetera), voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) en bijwoordelijke
bepaling:
Dat de adpositieconstituent in deze voorbeelden op de laatste zinsplaats staat en
niet in de uitloop, blijkt onder andere uit het feit dat de constituenten in
kwestie het belangrijkste zinsaccent kunnen dragen. In (1) is dit, net als
elders in dit hoofdstuk, weergegeven door middel van accolades en een accent op
de zwaarst beklemtoonde lettergreep. De adpositieconstituenten in (1) maken dus
deel uit van de eigenlijke zin. Dit wordt bevestigd door het feit dat de
constituenten, al dan niet samen met het hoofdwerkwoord, op de eerste zinsplaats
kunnen staan:
Anders dan afhankelijke zinnen als zinsdeel, die vaak niet of niet
gemakkelijk in het middenstuk kunnen staan, kan een adpositieconstituent meestal
zonder problemen in het middenstuk staan:
Hoewel adpositieconstituenten in de meeste gevallen zowel voor als achter de
tweede pool kunnen staan, veroorzaakt die flexibiliteit volgens het links-rechtsprincipe niet per se een verschil in
informatiestructuur tussen de zinnen in (1) en die in (3): bij neutrale beklemtoning valt in beide varianten het
belangrijkste zinsaccent immers op de adpositieconstituent. Wel geldt dat een
adpositieconstituent op de laatste zinsplaats nog prominenter onder de aandacht
van de hoorder of lezer wordt gebracht dan bij plaatsing in het middenstuk. De
reden hiervoor zou kunnen zijn dat de constituent in het eerste geval normaliter
niet gevolgd wordt door ander materiaal.
Niet alle adpositieconstituenten die achter de tweede pool staan kunnen het
belangrijkste zinsaccent dragen. Aangenomen moet worden dat zulke constituenten
geen deel uitmaken van het intonatiedomein van de eigenlijke zin. Ze staan dan ook
niet op de laatste zinsplaats, maar in de uitloop:
De bijwoordelijke bepalingen in (4) zijn zogeheten zinsbepalingen. Ook in de vorm van een afhankelijke zin kunnen dergelijke bepalingen achter de
tweede pool alleen in de uitloop staan. De volgende voorbeelden laten zien dat
het hoofdwerkwoord makkelijk zonder de zinsbepaling op de eerste zinsplaats kan
staan. Ook dat is een aanwijzing dat de bepaling niet op de laatste zinsplaats
staat:
Adpositieconstituenten met de functie van een inherent zinsdeel kunnen in principe niet op de laatste
zinsplaats staan. Uitgezonderd van deze regel zijn bepalingen van gesteldheid
met de voorzetsels voor en tot:
De voorbeelden in (6b/d) laten zien dat de reguliere positie voor inherente
zinsdelen ook toegankelijk is voor deze bepalingen: in het middenstuk staan ze
vlak voor de tweede pool.
Bepalingen van gesteldheid met als
Verdieping
Bepalingen van gesteldheid met als
Ook bepalingen van gesteldheid die bestaan uit een nominale constituent
voorafgegaan door het voegwoord als kunnen op de laatste zinsplaats staan:
Alleen wanneer het element op de laatste zinsplaats als gereduceerde zin
wordt beschouwd, zoals |als was| het een afwijzing van Emma's
kinderen |Ø|, kan de aanwezigheid van het voegwoord
worden verklaard. Hoewel de ANS als beschouwt als onderschikkend voegwoord, zijn er wel redenen
om het woord te classificeren als voorzetsel. De mogelijkheid tot combinatie
met een nominale constituent is er daar één van, waardoor het element op
de laatste zinsplaats in (i) als adpositieconstituent zou moeten worden
gezien. Zie ook deze opmerking over complementen en bepalingen met een voegwoord van
vergelijking.
Dit soort bepalingen met tot bij werkwoorden als slaan, kloppen en stampen hebben nooit toegang tot de laatste zinsplaats:
Niet-werkwoordelijk deel in vaste verbindingen toch op de laatste
zinsplaats
Verdieping
Niet-werkwoordelijk deel in vaste verbindingen toch op de laatste
zinsplaats
Adpositieconstituenten die deel uitmaken van een vaste verbinding zijn
inherente zinsdelen en staan om die reden nooit op de laatste
zinsplaats. De volgende voorbeelden lijken dit op het eerste gezicht
tegen te spreken:
In (i-a) wordt gesteld dat de hoogleraar slecht werk leverde. Die
idiomatische betekenis vervalt echter in (i-b). Dat voorbeeld kan alleen
worden gebruikt om te zeggen dat de hoogleraar letterlijk zijn pet naar
iets toe gooide. De adpositieconstituent maakt op dat moment geen deel
meer uit van de vaste verbinding en kan om die reden op de laatste
zinsplaats staan.
Adpositieconstituenten als deel van een zinsdeel op de laatste
zinsplaats
Adpositieconstituenten die deel uitmaken van een zinsdeel zijn vaak complement of
nabepaling bij een substantief. Net als bij afhankelijke zinnen kan er splitsing optreden waarbij
het (meestal beklemtoonde) substantief in het middenstuk staat en de
adpositieconstituent de laatste zinsplaats bezet. De volgende zinnen illustreren
dit:
Schijnbare indirect objectszinnen en voorzetselvoorwerpzinnen
Verdieping
Schijnbare indirect objectszinnen en voorzetselvoorwerpzinnen
Voor zover afhankelijke zinnen als complement bij een adpositie voorkomen, kunnen
ze samen met die adpositie op de laatse zinsplaats staan:
Doordat de afhankelijke zinnen in kwestie niet zelfstandig de laatste
zinsplaats bezetten, kan hier niet gesproken worden van een indirect
objectszin of een voorzetselobjectszin.
Een factor die bevorderlijk is voor achteropplaatsing van adpositieconstituenten
is de complexiteit van de adpositieconstituent. Als een substantief in deze
constituent bijvoorbeeld zelf ook een complement of nabepaling bij zich heeft,
die zelf ook weer uit een adpositieconstituent of afhankelijke zin bestaat, is
er volop reden tot achteropplaatsing. Dit kan worden gezien als een direct
gevolg van het complexiteitsprincipe. Het volgende voorbeeld bevat
zo'n complexe adpositieconstituent. De vierkante haken geven de interne
samenstelling van die constituent aan:
9In Heerlen |zijn| [de resten [van
een Romeinse keuken [uit de tweede helft [van de tweede eeuw [na
Christus]]]]] |ontdekt|.
De adpositieconstituent in kwestie is een nabepaling binnen het direct object
(lijdend voorwerp) van de zin: een nominale constituent met resten als kern. Daar hoort een voorzetselconstituent bij met van als kern. Die constituent bevat op zijn beurt een nominale
constituent met keuken als kern. Daar hoort weer een voorzetselconstituent bij met als kern uit, en zo verder. Splitsing blijkt bij deze zeer complexe (maar zeker
niet ongewone) constituent mogelijk op verschillende punten:
In het eerste voorbeeld staat de (meest complexe) voorzetselconstituent, horend
bij de kern resten, op de laatste zinsplaats. In het tweede voorbeeld gaat het om de
(minder complexe) voorzetselconstituent bij de kern keuken. Hieruit blijkt dat een voorzetselconstituent die zelf 'dubbel' is
ingebed in een nominale constituent de laatste zinsplaats van de zin kan
bezetten. Dit is doorgaans niet mogelijk, zoals de volgende voorbeelden laten
zien:
De voorbeelden in (11b/d) zijn niet onmogelijk, maar onacceptabel als varianten
van (11a/c). Met andere woorden, (11b) is onmogelijk als van Emma bedoeld is als nabepaling bij medewerker. Het voorbeeld in (11d) is onmogelijk als in de Volksrepubliek China nabepaling is bij opgravingen. De genoemde constituenten kunnen wel dienst doen als bijwoordelijke
bepaling. bepalingen kunnen -zin is alleen uitgesloten wanneer in de Volksrepubliek China bedoeld is als nabepaling bij opgravingen.
Wanneer verschillende complementen of nabepalingen beide bij een
substantief horen, en dus niet bij elkaar, is het goed mogelijk om slechts één
van die elementen op de laatste zinsplaats te zetten:
(Na)bepalingen met van en voor
Verdieping
(Na)bepalingen met van en voor
Adpositieconstituenten met van en voor lijken vaker op de laatste zinsplaats te kunnen staan dan
constituenten met andere adposities. Volgens (Broekhuis et al. 2015) lijkt dit zo doordat
adpositieconstituenten met van en voor vaak ook redelijk makkelijk als bijwoordelijke bepaling
kunnen fungeren, zoals in de interpretaties die (11b) acceptabel
maakt. In dat geval maakt de bepaling op de laatste zinsplaats dus
geen deel uit van een ander zinsdeel, maar fungeert zelf als
zinsdeel.
De nominale constituent met productie als kern heeft twee nabepalingen (12a). De tweede nabepaling, van amateurs met professionele begeleiding, staat in (12b) op de laatste zinsplaats. Uit (12c) blijkt dat ook de
eerste nabepaling achterop kan worden geplaatst, en uit (12d) dat de
nabepalingen ook samen op de laatste zinsplaats kunnen staan. Over de onderlinge
volgorde kan weinig steekhoudends worden gezegd, aangezien de bepalingen ook
binnen de nominale constituent in verschillende volgordes kunnen staan.
Complementen en bepalingen met een voegwoord van vergelijking (als, dan en zoals)
Verdieping
Complementen en bepalingen met een voegwoord van vergelijking (als, dan en zoals)
Adjectieven, adverbia en constituenten met de onbepaalde telwoorden meer en minder kunnen een complement hebben dat door een voegwoord van
vergelijking wordt ingeleid. Nominale constituenten kunnen een
bepaling hebben met zo'n voegwoord. Deze complementen en bepalingen
hebben een sterke tendens tot achteropplaatsing:
De aanwezigheid van een voegwoord in dit soort zinnen is misschien te
verklaren door aan te nemen dat hier in feite steeds een
gereduceerde afhankelijke zin op de laatste zinsplaats staat, zoals
|dan| dat het andere avonden
|was| in (i-a). Hoewel de ANS als, dan en zoals beschouwt als onderschikkende voegwoorden, zijn er ook
wel redenen om zulke woorden te classificeren als voorzetsel. De mogelijkheid tot
combinatie met een nominale constituent, zoals bij deze voorbeelden,
is er daar één van. Onder die aanname zouden de voorbeelden in (i)
een adpositieconstituent op de laatste zinsplaats hebben. Zie ook
deze opmerking over bepalingen van gesteldheid met als en deze opmerking over constituenten met een nevenschikkend voegwoord in
de uitloop.
Niet alle adpositieconstituenten die deel uitmaken van een nominale constituent
kunnen op de laatste zinsplaats staan. Splitsing is onmogelijk bij partitieve
constructies, metaforische constructies, nabepalingen bij een
persoonlijk/aanwijzend voornaamwoord en andere idiomatisch aandoende
constructies:
In (15) wordt gedemonstreerd dat van mijn nichtjes niet kan worden afgesplitst van de nominale constituent met één als kern. Het voorbeeld in (15c) laat zien dat afsplitsing van een
nabepaling bij nichtjes wel mogelijk is.
In dit soort metaforische constructies wordt het substantief in de
nabepaling vergeleken met de kern van de nominale constituent, die een metafoor
bevat. Afsplitsing van de nabepaling is onmogelijk, getuige de voorbeelden in
(14).
Ook adpositieconstituenten als nabepaling bij een persoonlijk of aanwijzend
voornaamwoord kunnen niet op de laatste zinsplaats staan.
Ten slotte staan idiomatisch aandoende constructies zoals die in (16) niet toe
dat de adpositieconstituent achterop wordt geplaatst.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
