Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.1.3 Overige woordvolgordeprincipes
Naast het polaire principe, dat een absoluut karakter heeft, en het links-rechtsprincipe, dat soms strikt van toepassing is en soms geschonden wordt, zijn er twee minder prominente principes te onderscheiden die een rol spelen in het beregelen van de woordvolgorde in de Nederlandse zin. Deze principes zijn het inherentieprincipe en het complexiteitsprincipe. Het eerste principe refereert aan de semantische band tussen het hoofdwerkwoord en andere elementen in de zin. Naarmate die band sterker is, staat een element dichter bij de tweede pool. Het tweede principe refereert aan de samenstelling van een constituent. Hoe complexer die samenstelling, des te verder naar rechts de constituent wordt geplaatst. Er zijn situaties waarin deze principes elkaar of het links-rechtsprincipe tegenwerken. In het algemeen delft het inherentieprincipe daarbij vaak het onderspit.
Verder lezen
Het inherentieprincipe
Het inherentieprincipe houdt in dat een element in het middenstuk over het algemeen dichter bij de tweede pool staat naarmate het een nauwere semantische band met het hoofdwerkwoord heeft. Voorbeelden van elementen die een nauwe semantische band met het hoofdwerkwoord hebben, zijn het naamwoordelijk deel van het gezegde en het resultaatsgezegde. Deze elementen sluiten dicht bij de tweede pool aan en kunnen daar niet van worden gescheiden door (bijvoorbeeld) een bijwoordelijke bepaling:
1aHij |is| gisteren ziek |geworden|.
bHij |is| ziek gisteren |geworden|.uitgesloten
2aZe |hebben| Hella opnieuw tot voorzitter |benoemd|.
bZe |hebben| Hella tot voorzitter opnieuw |benoemd|.uitgesloten
In deze voorbeelden staan het naamwoordelijk deel van het gezegde ziek en het resultaatsgezegde tot voorzitter verplicht direct links van de tweede pool. Ook in de volgende zinnen is het inherentieprincipe aan het werk:
3aIk |heb| gisteren een nieuwe telefoon |gekocht|.
bIk |heb| een nieuwe telefoon gisteren |gekocht|.twijfelachtig
4aZe |heeft| het volgens hem handiger aan|gepakt|.
bZe |heeft| het handiger volgens hem aan|gepakt|.uitgesloten
Het voorbeeldpaar in (3) laat zien dat een complement (in dit geval het direct object (lijdend voorwerp) een nieuwe telefoon) nauwer verbonden is met het hoofdwerkwoord dan een bijwoordelijke bepaling als gisteren. Dit wil overigens niet zeggen dat de volgorde van (3a) de enig juiste is: in [21.1.2] Het links-rechtsprincipe wordt gedemonstreerd dat het direct object ook links in het middenstuk kan staan. Dat is gemakkelijker als het de vorm heeft van een bepaalde nominale constituent. De zinnen in (4) laten zien dat een bijwoordelijke bepaling van wijze (in dit geval handiger) nauwer verbonden is met het hoofdwerkwoord dan een bijwoordelijke bepaling van perspectief (volgens hem). Dit laatste verschil wordt in [21.5.1] De basisvolgorde in het middenstuk nader uitgewerkt als een verschil tussen gezegdebepalingen en zinsbepalingen.
Het complexiteitsprincipe
Het zogeheten complexiteitsprincipe bepaalt dat elementen die complexer zijn (dat kan betekenen 'zwaarder', 'sterker' of 'omvangrijker/uitgebreider') in de regel verder naar achteren worden geplaatst dan minder complexe elementen. Zo kunnen nominale constituenten met een substantivische kern over het algemeen verder naar achteren staan dan voornaamwoorden met dezelfde functie in de zin (gedemonstreerd in (5)). Ook een voorzetselconstituent staat in het algemeen verder achteraan dan een nominale constituent met dezelfde functie (gedemonstreerd in (6)):
5aIk |heb| gisteren eindelijk dat artikel |gelezen|.
bIk |heb| gisteren eindelijk dat |gelezen|.uitgesloten
6aWe |zullen| het boek aan Jasper |geven|.
bWe |zullen| het boek Jasper |geven|.uitgesloten
Met het complexiteitsprincipe hangt ook de algemene tendens samen om afhankelijke zinnen niet in het middenstuk, maar achter de tweede pool te plaatsen. Dat geldt zowel voor afhankelijke zinnen als zinsdeel als voor afhankelijke zinnen als deel van een zinsdeel. Een voorbeeld van de laatste categorie is de complexe betrekkelijke bijzin in (7):
7a(Zo was zijn werkwijze tot op het ogenblik) |dat| hij een doof kind |ontmoette| dat zich in een sprekende omgeving zo gedroeg dat de medicus op het idee kwam het op te voeden tot een sprekend en liplezend iemand die zich in een horende wereld thuis zou kunnen voelen.
b(Zo was zijn werkwijze tot op het ogenblik) |dat| hij een doof kind dat zich in een sprekende omgeving zo gedroeg dat de medicus op het idee kwam het op te voeden tot een sprekend en liplezend iemand die zich in een horende wereld thuis zou kunnen voelen |ontmoette|.twijfelachtig
Hoewel de volgorde van (7b) in theorie niet onmogelijk is, verdient de volgorde van de a-zin ongetwijfeld de voorkeur uit het oogpunt van verstaanbaarheid en vlotheid. In zulke gevallen fungeert het complexiteitsprincipe min of meer als een stilistisch principe dat de 'elegantie' van de zin bevordert.
Samengevat kan worden opgemerkt dat inbedding van constituenten hier (onder meer) een rol speelt: een aanwijzend voornaamwoord (dat) kan niet zo ver naar rechts in het middenstuk staan als een nominale constituent waarin zo'n aanwijzend voornaamwoord is ingebed (dat artikel). Iets soortgelijks geldt voor nominale constituenten versus voorzetselconstituenten en afhankelijke zinnen.
Onderlinge interactie tussen verschillende principes
De precieze interactie tussen het links-rechtsprincipe enerzijds en het inherentieprincipe en het complexiteitsprincipe anderzijds is lang niet altijd duidelijk. Soms is een bepaalde volgorde in overeenstemming met verschillende principes tegelijk (zoals in alle a-zinnen hierboven), maar soms ontstaat er een conflictsituatie. In dat laatste geval krijgen het links-rechtsprincipe en het complexiteitsprincipe gewoonlijk voorrang op het inherentieprincipe. Zo kan een bepaalde nominale constituent als direct object op grond van het thematische links-rechtsprincipe toch vóór een bijwoordelijke bepaling van tijd staan, ook al is het direct object semantisch nauwer verbonden met het hoofdwerkwoord:
8(Of ik jullie vader wel eens tegenkom in de stad?) Ik |heb| jullie vader gísteren nog |gezien|.
Het complexiteitsprincipe kan weer met zich meebrengen dat een naamwoordelijk deel van het gezegde, dat in de regel vlak voor de tweede pool staat, toch op de laatste zinsplaats terechtkomt, bijvoorbeeld als het een vergelijkende bijzin is. De volgende zinnen illustreren dat:
9a(Hij vond) |dat| het niet goed |was.|
b(Hij vond) |dat| het niet |was| zoals het hoort.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links