Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
18.6.2 Werkwoordconstructies met uit infinitief
De aspectuele werkwoorden gaan, zijn en de modale hulpwerkwoorden kunnen, moeten, mogen, willen, zullen worden doorgaans gecombineerd met een korte infinitief. Bij een beperkt aantal werkwoorden komen ze soms ook voor met uit en een korte infinitief. Ook het modale hoeven sluit bij dat patroon aan. Het voorzetsel uit en de korte infinitief vormen een ondoordringbare eenheid.
De voorbeelden komen uit OpenSonar.
1aVoor dit boek werd ze verliefd en ging met hem uit fietsen langs de kusten van haar eigen Engeland.
bMevrouw Magritte is met een vriendin uit winkelen.
cJe kunt er bijvoorbeeld ook mee uit vissen.
dHaar verenkleed is al vele generaties lang hetzelfde. Ze hoeft niet uit winkelen.
eZe hebben alle twee een vriendje en die mogen mee uit eten.
fIedereen die verliefd was, of de herinnering aan een verliefdheid van jaren geleden op een laag pitje wilde houden, moest en zou vanavond uit eten.
gDe tweeling past soms op als Michael en ik naar de film of |uit eten willen|.
De constructies drukken uit dat het onderwerp zich verwijdert van zijn of haar normale verblijfplaats om te doen wat door de infinitief wordt uitgedrukt.
Op die manier sluit de betekenis van deze constructie aan bij de absentieve constructie zijn met korte infinitief. De constructies met uit infinitief zijn echter collocationeel beperkter en dwingen een 'recreatieve' lezing af van de infinitief.
Aangezien het onderwerp van de infinitief samenvalt met het onderwerp van de zin hebben we te maken met subjectgeoriënteerde constructies.
Over het algemeen is de constructie met gaan (1a) frequenter dan die met zijn (1b). De constructies met een modaal hulpwerkwoord (1c-1g) sluiten in betekenis aan bij drieledige werkwoordgroepen waarbij het modale werkwoord bereik heeft over gaan (of in mindere mate zijn). Zinnen (2a-2d) illustreren drieledige modale werkwoordgroepen met gaan.
Verder corpusonderzoek moet uitwijzen hoe de drieledige constructietypes zich verhouden tot de tweeledige.
2aDan kunnen wij weer kaarten, of |uit vissen gaan|, of gewoon in kleurrijke gewaden door de stad paraderen, zoals hanen dat doen.
bJe hoeft niet langer |uit winkelen te gaan|, hoewel ik denk dat het nooit het ene of het andere zal worden.
cBehoort u tot de gelukkigen die af en toe op kosten van het bedrijf |uit eten mogen gaan|.
dMeneer en mevrouw Williams |wilden uit eten gaan|, maar Calvin wou pizza dus zat Nick weer met zijn broer opgescheept.
De constructies zijn collocationeel erg beperkt. Ze komen hoofdzakelijk voor met infinitieven die een recreatieve bezigheid uitdrukken, zoals fietsen in de betekenis ‘een fietstochtje maken’ (1a), winkelen ‘bij winkels langsgaan voor het plezier’ (1b), vissen ‘hengelen als hobby of sport’ (1c) en eten‘ op restaurant gaan’ (1e-1g). Andere mogelijke infinitieven zijn dansen, jagen, rijden, shoppen, varen, wandelen. Daarnaast komt de constructie voor in de verouderde constructie uit werken gaan ‘huishoudelijk werk gaan verrichten bij anderen om geld te verdienen’ en eventuele nadere specificaties hiervan zoals uit wassen gaan. Enkele andere combinaties voor (sociaal niet hoog aangeschreven) activiteiten om geld te verkrijgen: uit venten gaanuit bedelen gaanuit stelen gaan.
De constructie is verplicht groepsvormend. Zinnen (1g) en (2a-2d) tonen dat het groepsvormend werkwoord en de infinitief samen een werkwoordelijke eindgroep vormen. In de voltooide werkwoordstijden verschijnt het groepsvormend werkwoord als voltooid deelwoord (in het vet gemarkeerd) in de plaats van een vervangende infinitief (3a-3b).
3aTwee broertjes van zeven en van elf die even |uit fietsen waren gegaan|, zijn zondag betrokken geraakt bij een ongeval 
bHet doorvaarbewijs geeft hen weer recht op hun vloeibare perceel in het dok: ze zijn immers |uit varen geweest|.
Lijdend voorwerp tussen uit en infinitief
Verdieping
Lijdend voorwerp tussen uit en infinitief
ANS2 geeft aan dat het voorzetsel uit en de infinitief van elkaar gescheiden kunnen worden door een lijdend voorwerp indien het slechts uit één substantief bestaat (ia).
Het fenomeen volgt met andere woorden de voorwaarden voor het doorbreken van aan het infinitief.
Plaatsing van het lijdend voorwerp vóór uit is onmogelijk (ib).
iaMeneer Prikkebeen is uit vlinders vangen.
ANS2
bMeneer Prikkebeen is vlinders uit vangen.uitgesloten
ANS2
De SoD (2015: 1040) stelt zich vragen bij de grammaticaliteit van beide zinnen en suggereert dat de uit infinitief zelden met een lijdend voorwerp of bepaling gecombineerd wordt. Die suggestie spoort met de observatie dat de open plek in de constructie beperkt is tot infinitieven als fietsen, winkelen, vissen die allemaal onovergankelijk zijn (althans in hun recreationele interpretatie).
Bovenstaande gevallen doen denken aan objectgeoriënteerde ingressieve constructies met aan het infinitief (18.6.1). Hoewel die constructies in principe onovergankelijk zijn, kan de infinitief toch met een lijdend voorwerp voorkomen als het vlak vóór de infinitief staat (iia-iib).
iiaDe kinderen krijgen opa aan het sprookjes vertellen.
ANS2
bDe kinderen krijgen opa sprookjes aan het vertellen.uitgesloten
ANS2
Booij (2010: 111) argumenteert dat het lijdend voorwerp in dergelijke zinnen een syntactische eenheid vormt met de infinitief (een geval van ‘quasi-incorporatie’). Die syntactisch eenheid vormt op zichzelf een onovergankelijk predicaat.
Literatuur
Coppen 2002, Booij 2010
Verder lezen
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Evie Coussé juli 2022
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997 18.5.6.1,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/06/01/body.html;
    Interessante links