18.5.1.5 Moeten met korte infinitief
Moeten met korte infinitief is een
erg frequente constructie die met zowel modale als niet-modale betekenissen
gebruikt wordt. De constructie drukt typisch noodzaak of behoefte uit,
geïllustreerd in (1a-1c). We spreken hier van een dynamisch modale betekenis.
Daarnaast wordt de constructie ook vaak directief gebruikt
om een advies, verplichting of verbod uit te drukken, zoals in (2a-2c). De bron
van de instructies kan explicit gemaakt worden door een bepaling met
van of
volgens, zoals in (2c).
Moeten met korte infinitief drukt ook
in beperkte mate deontische modaliteit uit (3a) en
inferentiële evidentialiteit (3b). We gaan in wat volgt
nog wat dieper in op de evidentiële betekenis van de constructie.
Ten slotte onderscheiden we nog enkele regionaal beperkte gebruikswijzen die
specifiek zijn imperatiefzinnen (4a), vraagzinnen (4b) en conditionele zinnen
(4c).
In wat volgt gaan we op enkele van de minder frequente betekenissen van
moeten met korte
infinitief. Daarnaast geven we wat meer details over het groepsvormend gebruik
van de constructie.
Verder lezen
Inferentiële evidentialiteit
Moeten met korte infinitief wordt
soms ingezet voor het uitdrukken van inferentiële
evidentialiteit. Met behulp van de constructie geeft de spreker
of schrijver te kennen dat de inhoud van de zin op een dwingende manier
waarschijnlijk is. De spreker komt tot die conclusie op grond van bepaalde
beschikbare gegevens (bijv. getuigenissen van anderen).
Inferentiële evidentialiteit of epistemische modaliteit?
Verdieping
Inferentiële evidentialiteit of epistemische modaliteit?
Er bestaat in de literatuur onenigheid of de betekenis in (5a-5c)
tot de inferentiële evidentialiteit of
epistemische modaliteit gerekend moet worden.
De beschrijving geeft aan dat de constructie zowel iets zegt over het
werkelijkheidsgehalte van de zin als over de bron waarop deze
inschatting gebaseerd is. Nuyts (2001: 186) argumenteert dat
moeten met korte
infinitief als (inferentieel) evidentieel of eventueel gemengd
epistemisch / inferentieel evidentieel beschouwd moet worden. De SoD
(2015: 884) classificeert de constructie dan weer als (deductief)
epistemisch. Het moeilijke onderscheid tussen epistemische modaliteit en
evidentialiteit komt ook naar boven bij de bespreking van evidentiële
constructies in 18.5.2 .
Imperatiefzinnen
Moeten met korte infinitief kan in
imperatiefzinnen gebruikt worden om de aandacht van de toehoorder te trekken
naar een verschijnsel in de onmiddellijke omgeving. Het gaat om een relatief
vaste uitdrukking waarbij de stam van het werkwoord steeds vergezeld is van het
persoonlijk voornaamwoord je, de
bijwoorden nou en/of
‘ns, en de infinitief van
een perceptiewerkwoord als zien,
kijken of
horen. Het gebruik is
typisch voor het Nederlands-Nederlands.
Vraagzinnen
In vraagzinnen kan moeten met korte
infinitief een aanbod uitdrukken (typisch van eten of drinken) in de plaats van
willen met korte infinitief.
De constructie is op die manier een hoffelijkheidsmarkeerder. 28.5
Dit gebruik is typisch voor het Belgisch-Nederlands.Conditioneel
De imperfectumvorm van moeten met
korte infinitief wordt in het Belgisch-Nederlands frequent naast de
imperfectumvorm van mogen met korte
infinitief gebruikt in conditionele bijzinnen.
Het gebruik van conditioneel
moest(en) komt erg overeen met
dat van conditioneel mocht(en). Toch
zijn beide constructies niet volledig inwisselbaar. Zo kan de bijzin met
conditioneel moest(en) ook verwijzen
naar een niet-werkelijkheid (of irrealis), zoals in (9a-9b), terwijl de inhoud
van bijzinnen met conditioneel
mocht(en) steeds werkelijkheid
moet kunnen zijn of worden.
Conditionele zinnen met moest(en)
worden ook vaak gevolgd door een hoofdzin zonder het bijwoord
dan, zoals in (8b-8c) en
(9a), iets wat maar erg zelden voorkomt met conditioneel
mocht(en),
Groepsvorming
Moeten met korte infinitief is verplicht groepsvormend. We vinden de constructie terug in de werkwoordelijke eindgroep van bijzinnen (10a-10b) en hoofdzinnen (10c). Zin (10c) laat zien dat de constructie gevoelig is voor het IPP-effect.
Literatuur
Droste 1956, Verhasselt 1960, Goossens 1961, Demol 1973, Klooster 1978,
Schermer-Vermeer 1981, De Haan 2000, Nuyts 2001, Janssen 2000, 2001, Diepeveen
et al. 2006, Nuyts et al. 2007, 2010, Oosterhof 2008, Byloo 2009, Foolen &
De Hoop 2009, Boogaart 2007, Mortelmans 2000, 2010, Breitbarth et al. 2016,
Honselaar & Olbertz 2016, Olbertz & Honselaar 2017
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.4.ii.b,/data/archief/ans2/e-ans/18/04/04/02/02/body.html;18.5.4.4.iii.b,/data/archief/ans2/e-ans/18/04/04/03/02/body.html; |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5 |
