18.3.1.2 Gevoeligheid voor het IPP-effect
Het infinitivus-pro-participio-effect (IPP-effect) treedt op
wanneer een werkwoordconstructie met infinitief in het bereik van een voltooide
werkwoordtijd staat, namelijk als aanvulling bij
hebben of
zijn. In deze context verschijnt het
groepsvormend werkwoord in de constructie als een infinitief in de plaats van een voltooid
deelwoord. Het resultaat is dat de werkwoordconstructie de vorm van een dubbele
infinitief aanneemt in de werkwoordelijke eindgroep. IPP is op die manier
onlosmakelijk verbonden met groepsvorming, het essentiële kenmerk van
werkwoordconstructies en de werkwoordgroepen die ze vormen. Nu blijkt dat niet alle
werkwoordconstructies met infinitief even gevoelig zijn voor het IPP-effect in het bereik
van de voltooide werkwoordtijden. We maken een onderscheid tussen:
- Constructies met verplichte IPP
- Constructies met optionele IPP
- Constructies zonder IPP
- Constructies zonder voltooide werkwoordstijden
Verder lezen
Constructies met verplichte IPP
De meeste werkwoordconstructies met korte of lange infinitief vertonen steeds het IPP-effect
wanneer de voorwaarden daarvoor voldaan zijn. We noemen ze daarom constructies met
verplichte IPP. Zinnen (1a-1b) illustreren twee
werkwoordconstructies met korte infinitief die steeds het IPP-effect vertonen in de
voltooide tijd. We markeren het groepsvormende werkwoord met IPP in het vet; de
werkwoordelijke eindgroep staat tussen verticale strepen.
Constructies met optionele IPP
Sommige werkwoordconstructies met lange infinitief kunnen zowel mét als zonder IPP voorkomen in
contexten waar de voorwaarden voor IPP vervuld zijn. We noemen ze constructies
met optionele IPP. Onderstaande zinnen illustreren hoe
proberen de ene keer als
infinitief verschijnt als gevolg van het IPP-effect (2a) en de andere keer als
voltooid deelwoord (2b).
Wat opvalt bij werkwoordconstructies met optionele IPP is dat de meeste
Bij menen is dat niet het geval. Zie ook
SoD (2015: 872).
ook met een beknopte bijzin gecombineerd kunnen worden. Zinnen (3a-3b) illustreren
proberen met een beknopte
bijzin.In bovenstaande zinnen is de lange infinitief (te
maken in 3a en te
behoeden in 3b) geen deel van de werkwoordgroep met
proberen maar deel van een beknopte
bijzin. We kunnen de beknopte bijzin zichtbaar maken door het facultatieve
om tussen haakjes toe te voegen in de
voorbeeldzinnen. Proberen is hier dus geen
groepsvormend werkwoord met een lange infinitief maar een zelfstandig werkwoord dat een
beknopte bijzin heeft als één van zijn complementen.
Werkwoorden met optionele IPP worden dus op drie verschillende manieren gebruikt:
-
Ze worden gebruikt als groepsvormende werkwoorden met een lange infinitief (zie 2a-2b). Het groepsvormend werkwoord en de lange infinitief maken deel uit van dezelfde werkwoordgroep. Ze vormen een werkwoordelijke eindgroep en het groepsvormend werkwoord vertoont IPP in het bereik van een hulpwerkwoord van voltooidheid.
-
Ze worden gebruikt als zelfstandige werkwoorden met een beknopte bijzin (zie 3a-3b). Het zelfstandig werkwoord en het werkwoord in de beknopte bijzin behoren niet tot dezelfde enkelvoudige zin en vormen geen werkwoordgroep. Beide werkwoorden vormen geen werkwoordelijke eindgroep en het groepsvormend werkwoord vertoont geen IPP.
-
Ze worden gebruikt in een derde constructietype, ook gewoonweg de derde constructie genoemd, waar het werkwoord een hybride status heeft (zie 2b). Het werkwoord vertoont enerzijds kenmerken van een groepsvormend werkwoord, want het vormt samen met de lange infinitief een werkwoordelijke eindgroep. Het gedraagt zich anderzijds als een zelfstandig werkwoord met een beknopte bijzin, omdat er geen IPP optreedt.
Meer over de derde constructie
Verdieping
Meer over de derde constructie
De derde constructie is niet beperkt tot contexten waar de lange infinitief onmiddellijk volgt op
het groepsvormend werkwoord. We gaan hier slechts kort in op dergelijke gevallen omdat
het IPP-effect hier uitgesloten is waardoor we niet langer te maken hebben met een
potentiële werkwoordgroep. Zinnen (ia-ib) illustreren enkele gevallen van de derde
constructie waar proberen niet
onmiddellijk aansluit op de lange infinitief.
De haperende manier van formuleren in beide zinnen (die we hier bij uitzondering
niet opgeschoond hebben) suggereert dat de sprekers worstelen met de precieze vorm
van deze constructie. Merk ook op dat beide voorbeelden door sprekers uit
Nederland zijn geformuleerd. Het lijkt erop dat de derde constructie vooral
voorkomt in het Nederlands-Nederlands.
We zien dat het lijdend voorwerp in beide zinnen, het onderstreepte
dat en
hem, vóór
proberen is
geplaatst. Die plaatsing komt overeen met de positie van het lijdend
voorwerp in zin (1a-1b) en (2a-2b) dat ook voor
proberen staat. In
(3a-3b) daarentegen staat het lijdend voorwerp voor de lange infinitief
in de beknopte bijzin. Wat de zinnen (ia-ib) nu van (2b) onderscheidt,
is dat er ander materiaal dat bij de lange infinitief hoort tussen
proberen en de lange
infinitief is geplaatst net zoals in een beknopte bijzin.
In de generatieve literatuur is sinds het werk van Den Besten en Rutten (1989) grondig nagedacht
over de syntactische structuur van de derde constructie. We verwijzen naar de SoD
(2015: 5.2.2.3) voor een uitgebreide discussie van dat onderzoek en een overzicht van
alle werkwoorden die met de derde constructie en/of een beknopte bijzin kunnen
voorkomen.
Constructies zonder IPP
Heel wat werkwoordconstructies zijn helemaal niet gevoelig voor het IPP-effect in het bereik van
de voltooide werkwoordstijden. Het gaat om werkwoordconstructies met een
voorzetselinfinitief (4b)-(4c) en om andere werkwoordconstructies met een lange infinitief
dan die hierboven genoemd zijn.
Constructies zonder voltooide werkwoordstijden
Ten slotte zijn er een aantal werkwoordconstructies die niet voorkomen in de voltooide
werkwoordstijden, waardoor we hun gevoeligheid voor het IPP moeilijk kunnen
testen. Zinnen (6a-6c) illustreren enkele van die werkwoordconstructies in de
onvoltooid tegenwoordige tijd.
Literatuur
Den Besten & Rutten 1989, Rutten 1991, Broekhuis et al. 1995, Hartevelt & Hoekstra 19991, Klooster 2001, IJbema 2002, Schmid 2005, Zwart 2011, Augustinus 2015, Augustinus & Van Eynde 2017
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.1.2,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/01/02/body.html;18.5.2.1.II,/data/archief/ans2/e-ans 18/05/02/01/02/body.html |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.2.1.II |
