18.5.1.3 Willen met korte infinitief
Willen met korte infinitief is een erg frequente constructie die vooral volitie uitdrukt. De constructie drukt met andere woorden de wens of het voornemen van het onderwerp om de handeling in de zin uit te voeren (1a-1c).
Daarnaast onderscheiden we nog enkele gerelateerde betekenissen met een beperkter gebruik.
Sommige van die betekenis treden alleen maar op in bepaalde syntactische
omgevingen, zoals in vraagzinnen (2a-2b) of conditionele zinnen (2c). Daarnaast
zijn enkele betekenissen beperkt tot een bepaalde regionale variëteit van het
Nederlands, zoals het Belgisch-Nederlands in (2b) en het Nederlands-Nederlands
in (2c-2d).
We gaan in wat volgt dieper in op de betekenissen met een beperkt syntactisch of regionaal gebruik. Daarnaast geven we enkele voorbeelden van groepsvorming.
Vraagzinnen
Vragende zinnen met willen kunnen een verzoek of
aanbod (typisch van eten of drinken) uitdrukken gericht aan de toehoorder
(je of
jullie).
In het Belgisch-Nederlands kan willen met korte
infinitief in een vraagzin bovendien ook een voorstel of suggestie uitdrukken
uitgaand van de spreker (ik of
wij). In het Nederlandse
Nederlands wordt in deze context zullen
met korte infinitief gebruikt (zie 18.5.1.4).
In beide contexten draagt willen met korte infinitief
bij tot het beleefde karakter van de zin en fungeert de constructie dus als een
hoffelijkheidsmarkeerder.
Conditionele zinnen
Beperkt tot het Nederlands-Nederlands is het gebruik van willen
met korte infinitief in conditionele contexten (zie 20.10.12). Het groepsvormend
willen verschijnt dan als
voor-pv. De conditionele constructie geeft aan dat iets alleen op een bepaalde
voorwaarde of onder bepaalde omstandigheden (uitgedrukt in de rompzin) zal
gebeuren. In de volgende voorbeelden (5a-5b) is het dus niet zo dat het
onderwerp iets ‘wil’ of ‘wenst’. Opvallend is dat de rompzin vaak het modale
hulpwerkwoord moeten bevat.
Conditioneel wil(len) en
mocht(en)
Het conditionele gebruik van willen lijkt enigszins
op conditioneel mocht(en) (18.5.1.2) en moest(en)
(18.5.1.5). Zo is het conditionele gebruik van alle drie de
groepsvormende werkwoorden sterk geassocieerd met een plaats als voor-pv op de
eerste zinsplaats van een bijzin. Een verschil is dat de voorwaarde in
conditionele constructies met willen
in de rompzin wordt uitgedrukt, terwijl dat bij
mocht(en) en
moest(en) in de bijzin is.
De betekenis van de bijzin ingeleid door
willen is eerder doelaanduidend
dan conditioneel.
Frequentatief gebruik
Willen met korte infinitief kan aangeven dat de
inhoud van de zin soms gebeurt of er een neiging toe heeft om te gebeuren. We
noemen dit gebruik frequentatief. Het onderwerp in
dergelijke zinnen is onpersoonlijk. Meestal wordt (nog) wel
eens toegevoegd. Het frequentatieve gebruik van
willen is typisch voor het
Nederlands-Nederlands. In het Belgisch-Nederlands wordt in deze context
veeleer durven gebruikt (18.5.1.10).
Groepsvorming
Willen met korte infinitief is verplicht groepsvormend. De constructie komt terecht in de werkwoordelijke eindgroep in bijzinnen (7a-7b) en hoofdzinnen (7c). Het voorbeeld in (7c) toont aan dat de constructie gevoelig is voor het IPP-effect.
Literatuur
P.H.M. 1903, Vanacker 1992, Goossens 2000, Diepeveen et al. 2006, Vandeweghe 2014, Beekhuizen 2016, Nuyts et al. 2019, Cavirani-Pots 2020
Verder lezen
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.4.4.ii.e,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/02/05/body.html;18.5.4.4.iii.e,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/04/04/03/05/body.html; |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5I |
| 1.0 | G. Geerts, Walter Haeseryn, J.J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1984 | 8.6.3.5II |
