21.9.1 Zinstype 1a
In zinnen van zinstype 1a staat de persoonsvorm (pv) altijd
in de eerste pool. De eerste zinsplaats moet gevuld worden door een zinsdeel (of
een deel daarvan):
| eerste zinsplaats | |persoonsvorm| | middenstuk | |tweede pool| | laatste zinsplaats |
Dit zinstype komt bij uitstek voor als zelfstandige zin: ik
|zou| vandaag Emma graag |willen spreken|,
waar |zou| Emma toch |zijn gebleven| na onze laatste
ruzie? Toch kan dit type ook als afhankelijke zin optreden
((Ze had) 'Ik |wil| je even niet meer |zien|!'
(geroepen), Ze |mag| dan nog zo kwaad
|zijn|, (ze draait altijd binnen het uur bij)).
Verder lezen
Zelfstandige zinnen van het type 1a
Zinnen van het type 1a kunnen, indien ze zelfstandig worden gebruikt, worden
verdeeld in zinnen zonder een vast element op de eerste zinsplaats en zinnen
waarin wel sprake is van zo'n vast element. Bij de laatste categorie staat er
altijd een vragend of uitroepend (voornaam)woord op de eerste zinsplaats. De
volgende voorbeelden bevatten zinnen van de eerste subcategorie:
In dit soort zinnen kan vrijwel ieder denkbaar zinsdeel voorafgaan aan de eerste pool,
tenzij dat de vorm van een vragend of uitroepend (voornaam)woord heeft of zo'n
vorm bevat. De zinnen in (2) zijn een speciaal soortja/nee-vragen. Normaal gesproken behoren ja/nee-vragen tot zinstype 1b. Zinnen als die in (3) zijn vaak vaste uitdrukkingen
vanwege het beperkt voorkomen van conjunctiefvormen. Anders dan bij zinstype 1b
is de conjunctief bij zinstype 1a ook nog eens beperkt tot het presens.
De tweede subcategorie van zinstype 1a wordt, anders dan de zinnen hierboven,
gekenmerkt door een vaste invulling van de eerste zinsplaats:
Vraagwoordvragen hebben op de eerste zinsplaats een vragend (voornaam)woord of
een constituent die zo'n woord bevat, zoals de zinnen in (4) laten zien. Dit
hebben ze deels gemeen met zinstype 2a Ook zogenaamde retorische vragen kunnen in de vorm van zinstype 1a voorkomen:
wie |houdt| er nu niet van de
natuur?
Echovragen vallen dan weer onder de eerste
subcategorie: het |wordt| vandaag wat
voor weer |Ø|?!Uitroepende zinnen van het soort dat in (5) wordt gedemonstreerd
bevatten een uitroepend voornaamwoord of een constituent die zo'n voornaamwoord
bevat. Zinstype 1b bevat uitroepende zinnen zonder uitroepend
voornaamwoord.
Zinnen zoals in (4) en (5) zijn weliswaar beperkt voor wat de vorm van
de constituent op de eerste zinsplaats betreft, maar qua functie is die
constituent niet beperkt. Ook in zulke zinnen kan dus vrijwel ieder denkbaar zinsdeel op de eerste zinsplaats
staan.
Het uitroepend voornaamwoord hoe
Verdieping
Het uitroepend voornaamwoord hoe
Het uitroepend voornaamwoord verschijnt bijna altijd in de vorm van wat. In [5.10.2.2] Wat + adjectivische constituent wordt opgemerkt
dat hoe in formele zinnen kan optreden als uitroepend
voornaamwoord (zie i-a):
Het voorbeeld in (i-b) bevat een voorbeeld van een informele zin van
zinstype 1a met uitroepend hoe.
Afhankelijke zinnen van het type 1a
Hoewel de woordvolgorde van zinstype 1a kenmerkend is voor zelfstandige zinnen,
is er een aantal gevallen waarin dit zinstype dienst doet als afhankelijke zin.
Het meest elementaire geval is de directe rede:
In deze voorbeelden vervult de directe rede steeds de rol van zinsdeel in een
andere, zelfstandige zin (het gedeelte tussen haken) of is daarmee via de aanloop
of de uitloop verbonden. Een bijzonder geval waarin zinstype 1a fungeert
als afhankelijke zin, is de zogenaamde semidirecte rede:
(Bertus vertelde:) hij |had| nog nooit zo van een
concert |genoten|.
Ook andere afhankelijke zinnen kunnen van het type 1a zijn. Dat is het geval bij
zinnen die in de aanloop of uitloop staan en geassocieerd worden met een
voorlopig (of herhalend) subject (onderwerp), direct object (lijdend voorwerp)
of oorzakelijk object (oorzakelijk voorwerp):
Deze zinnen hebben steeds een tegenhanger met een onderschikkend voegwoord:
|dat| ik niet meer voor u |kan doen| (spijt me
zeer), (Karel kon niet
langer ontkennen) |dat| hij volkomen blut |bleek te
zijn| en (u zult zien) |dat| het
een prachtige reis |wordt|. De afhankelijke
zinnen in deze tegenhangers zijn van zinstype 2b en krijgen iets minder nadruk dan de afhankelijke zinnen
in (7). Ze staan niet in de aanloop of uitloop, maar maken deel uit van de
eigenlijke zin. Het voorlopige of herhalende zinsdeel kan soms achterwege
blijven bij zinnen als in (7): (Karel kon niet langer
ontkennen:) hij |bleek| volkomen blut |te zijn|.
Ook afhankelijke zinnen in de functie van bijwoordelijke bepaling van toegeving
kunnen de volgorde van zinstype 1a vertonen:
Zoals beschreven in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in
zinstype 1a staan ook de afhankelijke zinnen in (8) in de aanloop van
de bevattende zin.
Vergelijkende zinnen met als en toegevende zinnen met (ook) al
Verdieping
Vergelijkende zinnen met als en toegevende zinnen met (ook) al
Afhankelijke zinnen die beginnen met de onderschikkende voegwoorden als of (ook) al en die fungeren als bepaling van vergelijking of van
toegeving zinstype 1a te vermengen met zinstype 2b: het voegwoord wordt in dit soort zinnen
direct gevolgd door de persoonsvorm (pv):
Vergelijkende zinnen als in (i-a) staan op de laatste zinsplaats van de bevattende zin
en behoren tot het formele taalgebruik. Ze hebben steeds een tegenhanger
van zinstype 2b met alsof (i-b). Toegevende zinnen met (ook) al staan in de aanloop (ii-b) of uitloop (ii-a). Een verschil
met andere toegevende zinnen is dat ze een realiteit veronderstellen die
puur hypothetisch is. De voegwoordloze voorbeelden in (8) en zinnen met (al)hoewel en ofschoon gaan uit van een reële situatie.
In (i-a) en (ii) staan zowel het onderschikkend voegwoord als de pv in de
eerste pool. Buiten deze specifieke gevallen is dit nooit mogelijk, al
is het in informeel niet ongebruikelijk om twee voegwoorden in de eerste pool te plaatsen.
Het is ook denkbaar dat als en (ook) al hier niet in de eerste pool staan. Voor als is elders beschreven dat het eigenschappen van een adpositie heeft. Zo'n
analyse zou erop wijzen dat de afhankelijke zin in (i-a) van het
zinstype 1b is en als complement fungeert binnen een
adpositieconstituent. Bij (ook) al is het denkbaar dat het een bijwoord is dat op de eerste
zinsplaats staat. In dat geval zijn de afhankelijke zinnen in (ii)
daadwerkelijk van zinstype 2a. Deze analyse is vooralsnog louter
speculatief.
Zinstype 1a na (al)hoewel en ofschoon
Verdieping
Zinstype 1a na (al)hoewel en ofschoon
In gesproken Nederlands komen toegevende zinnen met de onderschikkende
voegwoorden (al)hoewel en ofschoon voor die niettemin de volgorde hebben van zinstype 1a. Deze
woordvolgorde is alleen mogelijk wanneer de afhankelijke zin op de
bevattende zin volgt:
i(Hij is er
behoorlijk slecht aan toe, ofschoon) - volgens de dokter |is| er
een redelijke kans |Ø| dat hij het
haalt.formeel
ii(Ik ben niet erg geneigd
hem te geloven, hoewel) - je |kunt| natuurlijk nooit
|weten|.
Na ofschoon of (al)hoewel volgt een pauze. De intonatie stijgt vlak voor die pauze,
waarna de zin wordt afgebroken (in de voorbeelden aangegeven door een
gedachtenstreepje). De zin die volgt is een afzwakking van wat in de
zelfstandige zin werd gezegd. Eigenlijk is hier geen sprake meer van één
(samengestelde) zin, omdat het onderschikkend voegwoord geen deel
uitmaakt van de afhankelijke zin.
Bij nevenschikking van afhankelijke zinnen is de tweede van die zinnen soms van
het type 1a. Dit gebeurt bij nevenschikking van voorwaardelijke (bij)zinnen
waarbij het onderschikkende voegwoord als, wanneer of indien niet wordt herhaald:
Deze mogelijkheid bestaat niet wanneer het voegwoord herhaald wordt, getuige een
zin als (wanneer ons bedrijf gaat uitbreiden of) |wanneer|
er medewerkers door|stromen| naar andere functies, (nemen wij graag
wederom contact met u op.) Doordat het
onderschikkende voegwoord de eerste pool bezet, is een voorwaardelijke zin van
het type 1a uitgesloten. In plaats daarvan is er consequent sprake van zinstype 2b.
Zinstype 1a bij andere afhankelijke zinnen
Verdieping
Zinstype 1a bij andere afhankelijke zinnen
In informele gesproken taal komen ook wel andere afhankelijke zinnen
van zinstype 1a voor, waaronder die van graadaanduidend gevolg:
Zulke zinnen lijken een overgang in het productieproces te vertonen,
waarbij de spreker overschakelt van een (bij)zin van type 2b
(ingeleid door dat) naar een (hoofd)zin van type 1a, waarbij respectievelijk de straten en ik als eerste zinsdeel fungeren. Het betreft dan een nieuwe
start van de zin, hier weergegeven met het symbool
//.
Ten slotte vertonen ook de of -zinnen in een balansschikking de woordvolgorde van zinstype 1a:
Dergelijke zinnen volgen steeds na een zin met een ontkennend element
(niet,
nauwelijks en
weinig in de bovenstaande
zinnen). Ze staan altijd op de laatste zinsplaats van die eerste zin en beginnen
altijd met het voegwoord of. De ronde haakjes om of geven aan dat dit voegwoord, net als (andere) nevenschikkende
voegwoorden, buiten de eigenlijke zin staat.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
