21.9.2 Zinstype 1b
In zinnen van zinstype 1b staat de persoonsvorm (pv) altijd
in de eerste pool, net als bij zinstype 1a. De eerste zinsplaats blijft verplicht leeg:
| |persoonsvorm| | middenstuk | |tweede pool| | laatste zinsplaats |
Zinnen van dit type komen meestal als zelfstandige zin voor
(|Is| er iets mis |Ø| met Emma's
internet?
|Laten| we het daar maar niet over
|hebben|. In een aantal gevallen fungeren deze zinnen
als afhankelijke zin: |mocht| dat niet |werken|, (dan
kunnen we altijd nog haar vader bellen),
|was| ze in het begin maar een klein beetje boos
|Ø|, (nu is ze laaiend).
Verder lezen
Zelfstandige zinnen van het type 1b
Er zijn vijf soorten zelfstandige zinnen van het type 1b te onderscheiden:
Net als bij zinstype 1a behoren ook retorische vragen tot deze klasse: |is| er dan
helemaal geen gerechtigheid meer in deze
wereld?
Anders dan bij zinstype 1a kan de conjunctief hier zowel in het
presens als in het imperfectum voorkomen.
Imperatiefzinnen hebben meestal een geïmpliceerd subject (onderwerp), dat
samenvalt met de aangesprokene. Als dat subject uitgedrukt wordt, komt het in
het middenstuk vlak na de eerste pool: |eet|
jij je bord eens heel snel leeg
|Ø|, |loopt|
u gerust verder |Ø|.
Imperatiefzinnen met moeten, zoals (3c), hebben een impliciet subject en vormen vaste combinaties
die een imperatief van het hoofdwerkwoord omschrijven.
In (4) wordt het subject ook verzwegen. Los van deze religieuze formule behoren
aansporende zinnen met laat ons en
laat me in Nederland tot het
formele taalgebruik, terwijl ze in België vrij gangbaar zijn (zie ook Taaladvies.net ).
Uitroepende zinnen als (5a) sluiten nauw aan bij ja/nee-vragen. De zinnen in
(5b-c) lijken meer op imperatieven. De laatste variant komt soms voor met een
subjectsvorm in het middenstuk (|kijk| hij eens
|rennen|), waardoor de nadruk meer op de
handeling komt te liggen in plaats van op de handelende persoon, zoals elders beschreven. Uitroepende zinnen komen ook voor bij zinstype 1a, waar de eerste pool voorafgegaan wordt
door een uitroepend voornaamwoord, en ook in zinstype 2a en zinstype 2b.
Afhankelijke zinnen van het type 1b
De woordvolgorde van zinstype 1b is, evenals die van zinstype 1a, kenmerkend voor zelfstandige zinnen. Niettemin wordt
ook zinstype 1b soms aangetroffen bij afhankelijke zinnen. Het meest elementaire
geval daarbij is wederom de directe rede:
De directe rede in deze voorbeelden heeft de functie van een zinsdeel in een
andere, zelfstandige zin, of is daarmee via de aanloop
of de uitloop verbonden. Net als zinstype 1a kan zinstype 1b worden
gebruikt bij de zogenaamde semidirecte rede: (Karel begon
zich af te vragen:) |had| hij Emma misschien beter niet mee |kunnen
vragen|?
Ook afhankelijke zinnen in de uitloop die worden geassocieerd met het subject
(onderwerp), direct object (lijdend voorwerp) of voorzetselobject
(voorzetselvoorwerp) vertonen soms de woordvolgorde van zinstype 1b:
Dit soort zinnen zijn een stilistische variant van of-zinnen van zinstype 2b, zoals in (hij bleef zich
afvragen) |of| geld ooit gelukkig |kan maken|.
Het zinsdeel waarmee een afhankelijke zin in de uitloop geassocieerd wordt, is
niet altijd expliciet aanwezig in de eigenlijke zin: (het
probleem is:) |kun| je zoiets überhaupt wel
doen?
Ook bijwoordelijke bepalingen nemen soms de vorm aan van een zin van het type 1b.
Het gaat om de volgende twee (voegwoordloze) categorieën:
De afhankelijke zinnen in (8) doen dienst als bijwoordelijke
bepaling van voorwaarde en bevinden zich in de aanloop van een
zelfstandige zin. Ze hebben in het formele taalgebruik geen toegang tot de
eerste zinsplaats, zoals beschreven is in [21.4.1.1] Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in
zinstype 1a? In informeel taalgebruik is dit wel mogelijk:
9|Leest|
hij het boek niet |Ø|, (moet hij het maar gauw terugbezorgen.)
informeel
Zie ook deze opmerking over zogenaamde
cromazinnen en deze deelparagraaf over afhankelijke zinnen met mogen.
De zinnen in (10) fungeren als bijwoordelijke
bepaling van toegeving. Toegevende zinnen zonder voegwoord met de
volgorde van zinstype 1b komen vooral in formeel taalgebruik voor. Een verwante
constructie wordt aangetroffen in zinnen die een, meestal temporele,
tegenstelling uitdrukken: |droeg| vroeger werkelijk niemand
een gordel |Ø| achterin de auto, (tegenwoordig is dat de normaalste zaak
van de wereld).
Ten slotte worden er in het informele taalgebruik regelmatig zinnen van het
volgende type aangetroffen:
De zinnen in (11) zijn kenmerkend voor een levendige verteltrant. Met name moppen
en anekdotes kunnen doorspekt zijn met dit soort constructies. Ze staan in de
aanloop van een andere zin en beschrijven een situatie waarop de andere zin van
toepassing is. Deze constructies sluiten in feite aan bij uitroepende zinnen als
(5a), wat past bij het veronderstelde opzienbare karakter van wat er
verteld wordt.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
