18.4 Werkwoordconstructies met voltooid deelwoord
In deze paragraaf bespreken we een aantal werkwoordconstructies die bestaan uit een groepsvormend
werkwoord en een deelwoord.
We gebruiken de term deelwoord hier als korte variant voor zowel het
voltooid als passief deelwoord. We laten onvoltooide deelwoorden buiten
beschouwing.
Zinnen (1a-1c) illustreren enkele van deze constructies.Alle werkwoordconstructies in deze groep zijn verplicht groepsvormend. Dat betekent dat het groepsvormend werkwoord en het deelwoord samen een werkwoordelijke eindgroep vormen in bijzinnen, zoals in (2a-2b), en wanneer ze in het bereik van een ander groepsvormend werkwoord staan in hoofdzinnen, zoals in (2c-2d).
Werkwoordconstructies met deelwoord zijn niet gevoelig voor het IPP-effect, aangezien dit fenomeen beperkt is tot werkwoordconstructies met een infinitief. Bovendien komen niet alle werkwoordconstructies met deelwoord even gemakkelijk in de voltooide werkwoordstijden voor.
In paragraaf 18.3.2
presenteerden we de constructionele families die we tot de groep van
werkwoordconstructies met deelwoord rekenen. Het gaat slechts om drie
constructionele families die een relatief kleine en homogene groep vormen. We
bespreken deze constructionele families in meer detail in drie
subparagrafen.
In deze inleidende paragraaf gaan we nog even dieper in op de groepsvormende status van
werkwoordconstructies met een deelwoord. We zullen zien dat het deelwoord in
sommige gevallen niet de status heeft van een werkwoord maar van een predicatief
gebruikt adjectief. Dergelijke gevallen kunnen door middel van woordvolgorde
opgespoord worden. Daarom zullen we de bespreking van werkwoordconstructies met
deelwoord steeds aanvullen met informatie over hun woordvolgorde in de
werkwoordelijke eindgroep.
Verder lezen
Werkwoordconstructies met een deelwoord zijn verplicht groepsvormend. Omgekeerd is het echter
niet altijd zeker dat een groepsvormend werkwoord met een deelwoord aan het
einde van een zin samen een werkwoordelijke eindgroep vormt. Dat is het geval
wanneer het deelwoord niet de status van een werkwoord heeft maar van een predicatief gebruikt adjectief, zoals geïllustreerd in (3a-3c).
Voorbeelden (3a-3b) zijn ontleend aan Coussé (2011).
Dergelijke constructies hebben een resultatieve betekenis waarbij de nadruk
ligt op de eindtoestand van de werking in het voltooid deelwoord. Het
adjectivische gebruik van deelwoorden is lastig van het werkwoordelijke gebruik
te onderscheiden omdat een predicatief gebruikt adjectief steeds vlak vóór de
tweede pool komt te staan in de zin. 21.5.2.1 Op die manier lijken het vervoegde werkwoord en het
deelwoord in een bijzin als (3c) een werkwoordelijke eindgroep te vormen.
We kunnen evenwel werkwoordconstructies met een deelwoord onderscheiden van predicatief gebruikte
deelwoorden door middel van hun woordvolgorde.
Naast woordvolgorde zijn er in de literatuur nog heel wat andere tests om
een onderscheid te maken tussen werkwoordelijk en predicatief gebruikte
deelwoorden. We verwijzen naar Schlücker (2009) en Coussé (2011) voor
een overzicht van dergelijke tests en bijkomende referenties. Hierbij
moet men in gedachten houden dat het verschil tussen een werkwoordelijk
en predicatief gebruik van deelwoorden niet altijd expliciet wordt
gemarkeerd in concreet taalgebruik. Bovendien kan men zich de vraag
stellen of taalgebruikers ook wel altijd een duidelijk verschil in
gedachten hebben.
Werkwoordconstructies met een deelwoord staan erom bekend een variabele
woordvolgorde te vertonen binnen de werkwoordelijke eindgroep. 18.9.1
Zinnen (4a-4b) illustreren twee haast identieke voorbeelden uit dezelfde tekst
waarin de eerste keer het voltooid deelwoord achteraan en de twee keer vooraan
geplaatst is zonder een duidelijk betekenisverschil.Bij een predicatief gebruikt deelwoord is er echter geen dergelijke plaatsingsvrijheid – het
staat steeds vlak vóór de werkwoorden van de tweede pool. Op die manier komt
gekregen vóór
krijgt terecht in (3c).
Corpusonderzoek van De Sutter (2005: 231) toont evenwel dat
taalgebruikers zich niet altijd strikt aan de regel houden dat een
predicatief deelwoord vlak vóór de tweede pool hoort te staan.
Predicatieve deelwoorden in combinatie met
zijn bleken in
gemiddeld 13% van de gevallen achter het vervoegde
zijn te staan in de
bijzin.
Wanneer we dus het deelwoord achter het groepsvormend werkwoord in de
tweede pool kunnen plaatsen, zoals in (1a) of (1c), hebben we dus ondubbelzinnig
te maken met een werkwoordelijke eindgroep.Hoewel de focus van deze paragraaf ligt op werkwoordconstructies met een deelwoord, waarbij het
deelwoord de status heeft van een werkwoord, zullen we bij enkele constructies
ook even stilstaan bij het resultatieve gebruik van deelwoorden.
We verwijzen naar Cornelis & Verhagen (1995) en Coussé (2008, 2011)
voor een meer diepgaande analyse van het resultatieve gebruik van het
voltooid deelwoord. Cornelis & Verhagen (1995) belichten in het
bijzonder hoe de verschillende deelwoordconstructies een constructionele
familie vormen waarbij elk van de constructies zich specialiseert in een
bepaald betekenisaspect. Hun bespreking omvat ook deelwoordconstructies
die louter adjectivisch gebruikt zijn, zoals
raken,
blijven en
gaan met voltooid
deelwoord, die hier niet aan bod komen.
Verder lezen
Literatuur
Cornelis & Verhagen 1995, De Sutter 2005, Schlücker 2009, Coussé 2008, 2011
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | Evie Coussé | juli 2022 | |
| 2.1 | januari 2019 | Automatische conversie van ANS 2.0 | |
| 2.0 | W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn | 1997 | 18.5.2,/data/archief/ans2/e-ans/18/05/02/body.html;6.3.1.4,/data/archief/ans2/e-ans/06/03/01/04/body.html; |
