Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.4.1.1 Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in een mededelende zin?
Zoals reeds besproken met betrekking tot vraagwoordvragen staat invulling van de eerste zinsplaats open voor vrijwel elk denkbaar zinsdeel. Ook in mededelende zinnen (het andere subtype van ) zijn slechts weinig zinsdelen uitgesloten van de eerste zinsplaats bij mededelende zinnen. Deze deelparagraaf begint met een zeer beknopt overzicht van de mogelijkheden. Daarop volgt een inventarisatie van de elementen die niet op de eerste zinsplaats kunnen staan. Het gaat hierbij om (afhankelijke) gevolgzinnen, bepaalde typen vergelijkende en toegevende zinnen, voegwoordloze zinnen die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken en bepaalde voorzetselobject- (voorzetselvoorwerp-) en betrekkelijke bijzinnen.
Verder lezen
Wat kan er zoal op de eerste zinsplaats staan in een mededelende zin?
In [21.4.1] De eerste zinsplaats in zinstype 1a wordt gesteld dat de eerste zinsplaats hooguit één zinsdeel bevat. De formulering van deze regel impliceert dat er ook minder dan een zinsdeel vlak voor de persoonsvorm kan staan, en dat is reeds gedemonstreerd aan de hand van vraagwoordvragen en uitroepende zinnen. In mededelende zinnen kan de eerste zinsplaats van een nominale constituent bijvoorbeeld alles behalve een determinator als een heleboel bevatten:
1Minder dan een zinsdeel op de eerste zinsplaats
aEen heleboel directeuren zonder eigen helikopter |hebben| ze daar ook |gezien|.
bDirecteuren zonder eigen helikopter |hebben| ze daar ook een heleboel |gezien|.
Deze zinnen laten zien dat het determinerende een heleboel in het middenstuk kan staan, terwijl de rest van de nominale constituent waar het deel van uitmaakt voorafgaat aan de eerste pool (directeuren zonder eigen helikopter). Deze constituent vervult in zijn geheel de functie van direct object (lijdend voorwerp). Dit soort gevallen komt uitgebreid aan bod in [21.4.1.4] Een deel (of delen) van een zinsdeel op de eerste zinsplaats.
De volgende zin, met twee zinsdelen op de eerste zinsplaats (een heleboel directeuren zonder eigen helikopter en ze), is onmogelijk:
2[Een heleboel directeuren zonder eigen helikopter] [ze] |hebben| daar ook |gezien|.uitgesloten
Dit geldt voor de meeste combinaties van zinsdelen, al zijn er enkele gevallen waarbij de eerste zinsplaats wel degelijk meer dan één zinsdeel lijkt te bevatten.
Het zinsdeel op de eerste zinsplaats kan het subject (onderwerp) zijn zoals in de zin ze |hebben| daar ook een heleboel directeuren zonder eigen helikopter |gezien|. Dit is echter niet noodzakelijk het geval, zoals de voorbeelden in (1) al lieten zien. In principe kan kan vrijwel ieder denkbaar zinsdeel de eerste zinsplaats van een mededelende zin bezetten. De keuze voor dat zinsdeel wordt bepaald door de informatieve geleding van de zin. Dit wordt uitgebreid besproken in [21.4.1.2] Het subject op de eerste zinsplaats en [21.4.1.3] Een ander zinsdeel dan het subject op de eerste zinsplaats.
Voorbeeldzinnen met het subject op de eerste zinsplaats
Verdieping
Voorbeeldzinnen met het subject op de eerste zinsplaats
In de meeste grammatica's, taalleerboeken en taalkundige artikelen beginnen voorbeelden van mededelende zinnen vaak met het subject. Dat komt onder andere doordat deze zinnen vaak los van enige context gepresenteerd worden. Bovendien komen in gesproken of geschreven teksten zinnen met een subject als eerste zinsdeel statistisch gezien vaker voor dan zinnen met een ander element op de eerste zinsplaats. (Bouma 2008) bevat een goede beschrijving van dit fenomeen.
Ter illustratie volgen hier enkele zinnen met uiteenlopende zinsdelen op de eerste zinsplaats. Per voorbeeld is aangegeven welk zinsdeel er voorafgaat aan de eerste pool:
3Verschillende soorten zinsdelen op de eerste zinsplaats
aJou |vertel| ik het lekker niet |Ø|.indirect object
bOver haar schoonmoeder |mag| niet |worden geroddeld|.voorzetselobject
cEen maand of wat geleden |zat| Debby nog in Groningen |Ø|.bijwoordelijke bepaling van tijd
dEcht ziek |zul| je daar niet van |worden|.naamwoordelijk deel van het gezegde
eWie de les nu nog een keer verstoort |zal| hij zeker |naar de directeur sturen|.direct object
fAls jij straks de boodschappen haalt, |zal| ik vanavond |koken|.bijwoordelijke bepaling van voorwaarde
Uit de zinnen in (3) blijkt dat de vorm van het element op de eerste zinsplaats kan variëren: van een woordgroep bestaande uit één woord (3a) of uit meer woorden, tot een volledige (afhankelijke) zin, zoals in (3e-f). Voor die laatste categorie geldt dat niet alle soorten afhakelijke zinnen toegang hebben tot de eerste zinsplaats. De volgende sectie is geheel gewijd aan de beperkingen met betrekking tot afhankelijke zinnen op de eerste zinsplaats.
Afhankelijke zinnen die van de eerste zinsplaats uitgesloten zijn
De voorbeelden in (5) geven een opsomming van de belangrijkste soorten afhankelijke zinnen die uitgesloten zijn van de eerste zinsplaats:
4aZodat uiteindelijk niemand hem nog serieus nam, |bleken| zijn verhalen nooit |te kloppen|.uitgesloten
bAlsof je niets gehoord hebt, |moet| je nu niet |doen| .uitgesloten
cAls we gehoopt hadden, |is| het helaas niet zo leuk |geworden|.uitgesloten
d(Ook) al is ze niet dom, |zakt| je zus steeds weer |Ø|.uitgesloten
eLaat hij nog zo knap zijn, |heeft| hij van lesgeven niet veel kaas |gegeten|.uitgesloten
fKomt hij morgen niet, |moet| hij het toch even |laten weten|.informeel
gDat we niet vóór vijf uur weggaan, |kunnen| jullie op |rekenen|.uitgesloten
hWat ik nooit zou willen, |wil| hij advocaat |worden|.uitgesloten
Op de eerste zinsplaats van bovenstaande voorbeelden staan respectievelijk een gevolgzin (4a), een vergelijkende zin met alsof die rechtstreeks afhangt van het hoofdwerkwoord (4b), een als-zin gecombineerd met zo en een adjectief, (4c), een toegevende zin met (ook) al (4d), een toegevende zin zonder voegwoord (4f), een dat-zin als voorzetselobject (voorzetselvoorwerp, (4g)) en een betrekkelijke bijzin waarvan het antecedent een hoedanigheid aanduidt (4h). Alle voorbeelden zijn duidelijk onacceptabel of, in het geval van (4f), alleen acceptabel bij informeel gebruik. Hieronder wordt per categorie besproken op welke plaats de genoemde typen zinnen wél kunnen staan, steeds voorzien van enkele voorbeeldzinnen.
5Gevolgzinnen: niet op de eerste zinsplaats
aZijn verhalen |bleken| nooit |te kloppen|, zodat uiteindelijk niemand hem nog serieus nam.
bToen |is| in het stadje een epidemie uit|gebroken|, waardoor er ruim tweeduizend mensen stierven.
cIk |was| er zo moe en kriebelig van |geworden| dat ik er maar meteen mee ophield.
Gevolgzinnen als in (5a-b) staan in de uitloop. Gevolgzinnen van graadaanduidend gevolg (onder andere die met de constructie 'zo (+ adjectief) (...) + dat', zoals in (5c)) staan steeds op de laatste zinsplaats, achter de tweede pool. Ze fungeren als bijwoordelijke bepaling van gevolg in de bevattende zin.
6Vergelijkende zinnen met als of alsof: niet op de eerste zinsplaats
aHij |zal| zich toch altijd |gedragen| als was hij beter dan alle anderen.formeel
bJe |moet| nu niet |doen| alsof je niets gehoord hebt.
c(Ik vond) |dat| ze er uit|zagen| alsof ze ziek waren.
d(Ik zou willen) |dat| ze niet steeds net |deed| of ze alles al wist.
De vergelijkende zinnen in (6) zijn steeds min of meer verplicht aanwezig omdat ze een sterke band het hoofdwerkwoord van de bevattende zin hebben: ze fungeren als (verplichte) bijwoordelijke bepaling van vergelijking of, in een geval als (6d), als complement van het bijwoord net. Ook deze afhankelijke zinnen staan altijd op de laatste zinsplaats. Als een dergelijke zin echter betrekking heeft op de volledige bevattende zin, kan hij wel op de eerste zinsplaats staan. Ditzelfde geldt voor vergelijkende zinnen met alsof als (weglaatbare) bijwoordelijke bepaling en vergelijkende zinnen met zoals (aaneengeschreven). Deze zinnen komen daarnaast soms ook in de aanloop of de uitloop voor:
7Vergelijkende zinnen: wel op de eerste zinsplaats / in de aanloop / in de uitloop
aNet of dat enig verschil maakt, |wil| Cor absoluut een paar dagen eerder |vertrekken|.eerste zinsplaats
bCor |wil| absoluut een paar dagen eerder |vertrekken|, net of dat enig verschil maakt.uitloop
cAlsof het een alledaags karweitje was, |begon| hij met de vrachtwagen die steile helling op |te rijden|.eerste zinsplaats
dZoals hij dat aangepakt heeft, |kan| het echt niet.eerste zinsplaats
eZo |kan| het echt niet |Ø|, zoals hij dat aangepakt heeft.uitloop
fZoals hij dat aangepakt heeft, zo |kan| het echt niet.aanloop
In de constructie 'zo (+ adjectief) (...) + als-zin' staat de als-zin altijd op de laatste zinsplaats. Zulke afhankelijke zinnen zijn geen zinsdeel in de bevattende zin, maar complement binnen een adjectivische constituent. Die adjectivische constituent kan in zijn geheel, dus inclusief vergelijkende zin, op de eerste zinsplaats staan:
8Constructies met zo (+ adjectief) (...) + als-zin:
aHet |is| helaas niet zo leuk |geworden| als we gehoopt hadden.
bZo leuk als we gehoopt hadden, |is| het helaas niet |geworden|.
In (8b) wordt de eerste zinsplaats bezet door de gehele adjectivische constituent.
9Toegevende zinnen met (ook) al of een onbepaald voornaamwoord: niet op de eerste zinsplaats
aJe zus |zakt| steeds weer |Ø|, (ook) al is ze niet dom.
bJe zus |zakt|, (ook) al is ze niet dom, toch steeds weer |Ø|.
c(Ook) al is je zus niet dom, ze |zakt| toch steeds weer |Ø|.
dHoe laat het ook wordt, die deadline |gaan| we |halen|!
eDie deadline |gaan| we, wat er ook gebeurt, beslist |halen|!
fDie deadline |gaan| we zeker |halen|, wie er ook voortijdig naar huis gaan!
De afhankelijke zinnen in (9) fungeren als bijwoordelijke bepaling van toegeving. De voorbeelden laten zien dat toegevende zinnen met (ook) al (of met een onbepaald voornaamwoord als wat ... ook) in de aanloop (9c/d) en de uitloop (9a/f) kunnen staan. Een positie tussen de eerste en tweede pool is ook mogelijk, zoals duidelijk wordt in (9b/e).
Intercalatie
Verdieping
Intercalatie
De komma-intonatie die optreedt bij het uitspreken van de voorbeelden in (9b/e) suggereert dat de toegevende zinnen (al is ze niet dom en wat er ook gebeurt) buiten de eigenlijke zin vallen, net als de aanloop en de uitloop. De toegevende zin staat in deze voorbeelden niet in het middenstuk, maar onderbreekt de eigenlijke zin. Dit verschijnsel wordt intercalatie genoemd.
10Toegevende zinnen zonder voegwoord: niet op de eerste zinsplaats
aHij mag dan nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten|.
bLaat hij nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten|.
cVan lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten|, hij mag dan nog zo knap zijn.uitgesloten
dWaren er vroeger veel bomen, nu |begint| het landschap er vrij kaal uit |te zien|.formeel
Toegevende zinnen zonder voegwoord kunnen, in tegenstelling tot de zinnen in (9), uitsluitend in de aanloop staan. Een plaats achter de tweede pool behoort niet tot de mogelijkheden, zoals (10c) laat zien. Het voorbeeld in (10d) vertegenwoordigt een subtype van toegevende zinnen zonder voegwoord en zonder modaal hulpwerkwoord zoals mogen of laten. Dit zijn formele constructies die een (meestal temporele) tegenstelling uitdrukken. Tot slot dient te worden vermeld dat niet alle toegevende zinnen uitgesloten zijn van de eerste zinsplaats: die met (al)hoewel of ofschoon kunnen die positie gemakkelijk innemen:
11Toegevende zinnen met (al)hoewel of ofschoon op de eerste zinsplaats:
Hoewel je zus niet dom is, |zakt| ze steeds weer |Ø|.
Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken zijn bijwoordelijke bepalingen van voorwaarde:
12Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken: niet op de eerste zinsplaats
aKomt hij morgen niet, dan |moet| hij het toch even |laten weten|.
bHad hij naar ons geluisterd, hij |zou| nu niet zo in moeilijkheden |zitten|.formeel
cMocht je tien uur te vroeg vinden, ik |wil| ook wel om half elf |vertrekken|.
dIk |wil|, mocht je tien uur te vroeg vinden, ook wel om half elf |vertrekken|.
eIk |wil| ook wel om half elf |vertrekken|, mocht je tien uur te vroeg vinden.
Zulke zinnen staan verplicht in de aanloop. Dit geldt in elk geval in de formele taal. De voorbeelden in (12d-e) laten zien dat wanneer dit type zin met mocht(en) begint, plaatsing tussen de twee polen of in de uitloop ook tot de mogelijkheden behoort (zie ook de opmerking hierboven). In informeel taalgebruik, echter, worden ook de volgende zinnen aangetroffen (zie ook (4f) en de aanloop):
13Veronderstellende/voorwaardelijke zinnen zonder voegwoord: wel op de eerste zinsplaats (informeel Nederlands)
aHou je van vers, |ga| je naar de warme bakker |Ø|.informeel
bWas je eerder gekomen, |had| ik nog wat te eten voor je |gehad|.informeel
In dit type zin staat de voorwaardelijke afhankelijke zin op de eerste zinsplaats. Zo'n zin heeft steeds een minder informele tegenhanger met de voorwaardelijke zin in de aanloop, zoals in hou je van vers, dan |ga| je naar de warme bakker |Ø|.
Cromazinnen
Verdieping
Cromazinnen
De hier beschreven informele zinnen worden wel 'cromazinnen' genoemd, naar aanleiding van een populaire reclamecampagne. Zie Taaladvies.net  voor meer informatie.
Nog een type afhankelijke zin dat is uitgesloten van de eerste zinsplaats, zijn zinnen met de functie van voorzetselobject:
14Voorzetselobjectzinnen met dat of of: niet op de eerste zinsplaats
aJullie |kunnen| erop |rekenen| dat we niet vóór vijf uur weggaan.
bDat we niet vóór vijf uur weggaan, daar |kunnen| jullie op |rekenen|.
cHij |had| er niet eens over na|gedacht| of het plan wel haalbaar was.
dOf het plan wel haalbaar was, daar |had| hij niet eens over na|gedacht|.
Dat- en of-zinnen als voorzetselobject staan steeds in de uitloop (14a/c) of in de aanloop (14b/d). De eigenlijke zin bevat daarnaast een voornaamwoordelijk bijwoord (er, daar) dat naar deze zin verwijst.
Ook voor een specifiek type betrekkelijke bijzin is de eerste zinsplaats niet toegankelijk. Betrekkelijke bijzinnen zijn meestal nabepaling binnen een nominale constituent. Als het substantief waarop de betrekkelijke bijzin betrekking heeft een hoedanigheid aanduidt, kan die bijzin alleen in de uitloop staan:
15Betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent een hoedanigheid aanduidt of betrekking heeft op een hele zin: niet op de eerste zinsplaats
aHij |wil| advocaat |worden|, wat ik overigens een flutberoep vind.
bHij |wil| - wat ik overigens een flutberoep vind - advocaat |worden|.
cUiteindelijk |heeft| hij toch nog zijn excuses aan|geboden|, wat zeer te prijzen is.
d(En) wat zeer te prijzen is: hij |heeft| uiteindelijk toch nog zijn excuses aan|geboden|.
In (15a) staat de betrekkelijke bijzin in de uitloop. Het antecedent van deze bijzin is advocaat. Het voorbeeld in (15b) laat zien dat zo'n bijzin ook - als een soort tussenzin - tussen de eerste en de tweede pool kan staan (zie wederom deze opmerking). Iets soortgelijks geldt voor betrekkelijke bijzinnen met een hele zin als antecedent: deze staan in de uitloop (15b) of, en dat is minder gebruikelijk, in de aanloop ((15d); zie ook [5·8·5·5/i3], evenals [5·8·5·7/i]). In dat laatste geval staat de bijzin, in afwijking van de algemene regel, vóór zijn antecedent. Een soortgelijke categorie wordt gevormd door zinnen als Hans |had| tijdens de examens zijn been |gebroken|, waardoor hij een heel jaar verloor. De betrekkelijke bijzin in dit voorbeeld heeft, net als de zinnen in (16c/d), een hele zin als antecedent. Qua plaatsing is de uitloop de enige mogelijkheid. Zulke zinnen gedragen zich dus precies zoals de gevolgzinnen in (5), wat kan worden verklaard door de semantische overeenkomst.
Betrekkelijke bijzinnen samen met antecedent op de eerste zinsplaats
Verdieping
Betrekkelijke bijzinnen samen met antecedent op de eerste zinsplaats
Betrekkelijke bijzinnen met een expliciet antecedent kunnen niet zelfstandig op de eerste zinsplaats staan. Dat antecedent dient namelijk vooraf te gaan aan de betrekkelijke bijzin. Dit soort zinnen wordt daardoor alleen als nabepaling bij dat antecedent aangetroffen op de eerste zinsplaats, bijvoorbeeld:
iHet kind dat je daar ziet zitten |kan| nog altijd niet |lezen of schrijven|.
In (i) staat het subject (het kind dat je daar ziet zitten) op de eerste zinsplaats. Van dit soort zinnen kan dus niet worden gezegd dat er een betrekkelijke bijzin op de eerste zinsplaats staat.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links