21.4.1.2 Het subject op de eerste zinsplaats
In mededelende zinnen van zinstype 1a staat het subject (onderwerp) vaker op de eerste
zinsplaats dan enig ander zinsdeel. Het subject kan daarbij een lagere
informatiewaarde hebben dan de overige zinsdelen, overeenkomstig het links-rechtsprincipe. Dit is per definitie het geval
bij persoonlijke voornaamwoorden die niet beklemtoond kunnen worden en
presentatief er: 'k |zou| Emma vandaag
|willen spreken|,
er |waren| vandaag wat
internetproblemen |Ø|. Van deze woorden is de
gereduceerde vorm -ie als enige uitgesloten van de eerste zinsplaats. Verder kunnen ook
volle vormen van het persoonlijk voornaamwoord, aanwijzende en onbepaalde
voornaamwoorden en substantivische nominale constituenten in de hoedanigheid van
subject de eerste zinsplaats bezetten zonder dat het links-rechtsprincipe
geschonden wordt: ik |kreeg| Emma maar
niet |te pakken|,
die |was| onbereikbaar
|Ø|, iemand/haar
broertje |had| de wifi uit|gezet|.
Alleen niet-specifiek onbepaalde en negatieve subjecten zijn in zulke zinnen
uitgesloten van de eerste zinsplaats.
Het links-rechtsprincipe is echter geen absoluut principe. Dit houdt in dat de
informatiestructuur van een zin niet per se in overeenstemming met dit principe
hoeft te zijn. Dat laatste is het geval wanneer het subject op de eerste
zinsplaats een niet-specifiek onbepaalde of negatieve constituent is:
een of ander húísdier
|had| de kabel |vernield|,
níémand |is| zo eerlijk
|Ø| als Emma. Zo'n constituent heeft een hoge
informatiewaarde en behoort daardoor bij voorkeur tot de informatieve kern van
de zin. Dit komt tot uitdrukking door een hoorbaar zinsaccent op de eerste
zinsplaats. Een dergelijk zinsaccent kan op de eerste zinsplaats ook aan andere
typen subject worden toegekend, met uitzondering van onbeklemtoonbare
persoonlijke voornaamwoorden (waaronder de gereduceerde vormen) en presentatief er: Emma's bróértje/híj |was|
onschuldig |Ø|.
Wat geldt voor nominale constituenten, geldt ook voor andersoortige constituenten
die als subject dienst kunnen doen, zoals bijvoorbeeld afhankelijke zinnen:
[dat haar broertje geen blaam
trof] |kwam| als een grote verrassing
|Ø|.
Verder lezen
De mogelijke posities van het subject in de zin
Zoals besproken in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit sluit het
subject (onderwerp) in het middenstuk doorgaans direct aan bij de eerste
pool:
Het voorbeeld in (1a) demonstreert de meest gangbare plaats in het middenstuk.
Het subject volgt daar direct op de eerste pool. Een subject met een hoge
nieuwswaarde kan ook verderop in het middenstuk staan. Dit gebeurt bij
uitstek met onbepaalde nominale constituenten zoals nauwelijks geschikte vacatures in (1b). Deze worden aangekondigd met een presentatief er direct na de eerste pool, dat als voorlopig subject dienst doet.
Verder zijn er enkele uitzonderingen waarbij het indirect object (meewerkend
voorwerp et cetera) voorafgaat aan het subject, zoals bij gereduceerde vormen zoals 'r in (1c). Het subject wordt soms ook van de eerste pool gescheiden
door een bijwoordelijke bepaling, zoals tot op heden in (1d). Ten slotte laat (1f) zien dat een sterk gefocust subject
(weergegeven met accolades en een accentteken) in het middenstuk vooraf kan
worden gegaan door een willekeurig ander zinsdeel, mits dat zinsdeel zelf ook
een bepaald soort zinsaccent draagt, zoals voor díe vacature.
Afgezien van subjecten in de vorm van een afhankelijke zin demonstreren de voorbeeldzinnen in (1)
alle mogelijkheden met betrekking tot de plaatsing van het subject in het
middenstuk. In deze zinnen is steeds sprake van inversie: het verschijnsel
waarbij de persoonsvorm (pv) gevolgd wordt door het subject. Elk van deze zinnen
heeft echter minimaal één volgordevariant zonder inversie, waarbij het subject
juist op de eerste zinsplaats staat:
Uit de zinnen in (2) wordt duidelijk dat het zinsdeel van de eerste zinsplaats in
(1) hier in het middenstuk staat. Met andere woorden: de eerste zinsplaats biedt
plaats aan (hooguit) één zinsdeel. In de praktijk blijkt dat dat zinsdeel vaker
het subject is dan een ander zinsdeel of een deel (of delen) van een zinsdeelDe volgende secties
concentreren zich dan ook op de woordvolgorde van de voorbeelden in (2). Daarbij
kan het subject op de eerste zinsplaats in overeenstemming zijn met het links-rechtsprincipe of dat principe juist schenden.
Nominale constituenten als subject op de eerste zinsplaats (volgens het
links-rechtsprincipe)
Het links-rechtsprincipe dicteert dat het informatieve belang van een zinsdeel
toeneemt naarmate het verder naar rechts staat (in een geschreven zin) ofwel
later wordt uitgesproken (in een gesproken zin). De eerste zinsplaats staat
uiterst links en wordt daarom vaak bezet door een constituent die bekende
informatie bevat, bijvoorbeeld in de vorm van een persoonlijk voornaamwoord dat
naar een reeds geïntroduceerde zaak of persoon verwijst. In het geval van het
subject wordt dan vaak een gereduceerd voornaamwoord gebruikt, zoals reeds
besproken in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit:
Alle gereduceerde voornaamwoorden met de functie van subject kunnen op de eerste
zinsplaats staan, met uitzondering van de derde persoon enkelvoud -ie (zie (3c)). Gereduceerde objectsvormen zijn overigens eveneens
uitgesloten van de eerste zinsplaats, zoals besproken wordt in [21.4.1.3] Een ander zinsdeel dan het subject op de eerste
zinsplaats. Het voorbeeld in (3f) toont aan dat een gereduceerd
voornaamwoord als voorlopig subject kan dienen. Ook presentatief er, een gereduceerde vorm die wel wordt aangeduid als plaatsonderwerp, komt op de eerste zinsplaats voor (zie
ook (1b)):
4 Presentatief er op de eerste zinsplaats
Er
|zullen| de komende jaren steeds meer kennismigranten naar ons land
|komen|.
Er op de eerste zinsplaats
Verdieping
Er op de eerste zinsplaats
Zoals beschreven in [21.2] De eerste pool en wat daarbij aansluit
kan het woord er in het middenstuk staan, ongeacht de functie die het heeft
(presentatief, locatief, prepositioneel of kwantitatief). Het sluit in
dat geval aan bij de eerste pool (of het subject). In (4) heeft er een presentatieve functie. De andere functies zijn
uitgesloten van de eerste zinsplaats, ongeacht of het om het subject of
een ander zinsdeel gaat (of een deel van een zinsdeel). Er is echter een
uitzondering voor er waarin verschillende functies samenvallen:
De eerste twee zinnen bevatten een prepositioneel er dat naar interpunctie verwijst. Alleen de tweede zin is acceptabel, omdat er een tweede, presentatieve functie heeft: het kondigt een
onbepaald subject aan (hele boeken). In het tweede paar zinnen verwijst er naar de locatie Bergen, maar dat levert alleen een acceptabel resultaat op als het
tevens een presentatieve functie heeft, zoals in combinatie met het
onbepaalde subject kennissen van mij. Voor kwantitatief er geldt overigens dat het nooit op de eerste zinsplaats kan
staan:
In (iia) is er zuiver kwantitatief; in (iib) kwantitatief en
presentatief.
Ten slotte dient nog te worden vermeld dat presentatief er bij vraagwoordvragen, indien aanwezig, verplicht in het
middenstuk staat:
De b-zin is niet compleet onacceptabel: hij is voorstelbaar als
zogenaamde echovraag, waarbij welke namen het belangrijkste zinsaccent draagt.
Behalve gereduceerde voornaamwoorden kunnen op de eerste zinsplaats ook volle
vormen van het persoonlijk voornaamwoord staan. Enkele voorbeelden zijn:
Hoewel ik in (5a) en hij in (5b) beklemtoond kunnen worden, gebeurt dat niet wanneer de zin in
overeenstemming is met het links-rechtsprincipe. De woorden het (in de functie van subject) en men worden nooit beklemtoond: ze zijn onbeklemtoonbaar. Men is overigens een persoonlijk voornaamwoord met algemene verwijzing,
een rol die soms ook wordt vervuld door de gereduceerde vormen je of ze, als in je |kunt| je
reflexen dan echt niet meer |vertrouwen| en
ze |zijn| hier zeker met
de riolering bezig |Ø|.
Aanwijzende voornaamwoorden in de functie van subject kunnen ook zonder merkbare
klemtoon op de eerste zinsplaats staan. Datzelfde geldt voor eigennamen en
bepaalde nominale constituenten. Ook in die gevallen wordt de eerste zinsplaats
in overeenstemming met het links-rechtsprincipe ingevuld:
De subjecten in (6a-c) verwijzen naar een reeds geïntroduceerde entiteit en
dragen normaal gesproken dan ook geen merkbaar zinsaccent. Dat ligt verderop in
de zin, bij voorkeur vlak voor de tweede pool (bijvoorbeeld in (6c) op een nieuwe báán). Het subject kan ook een persoon of zaak introduceren die de hoorder
of lezer kent uit de buitentalige context, zoals in (6d-f). In dat geval draagt
het subject wel een licht zinsaccent, maar verderop in de zin volgt er een
zwaarder zinsaccent. Dit is het geval in zogenaamde nieuwszinnen van het type dat het links-rechtsprincipe
expliciet volgt. Zo vormen in (6f) het hoofdwerkwoord besloten en de beknopte bijzin het staatsbezoek aan China niet langer uit te stellen samen de informatieve kern. Het belangrijkste zinsaccent valt daarbij
op uit. Het subject (de koning en de koningin) introduceert weliswaar een nieuwe referent in de talige context,
maar wordt tevens gepresenteerd als de entiteit waarop de informatieve kern van
toepassing is.
Weglating van het subject op de eerste zinsplaats (1)
Verdieping
Weglating van het subject op de eerste zinsplaats (1)
In informeel taalgebruik blijft de eerste zinsplaats in zinstype 1a soms
leeg. Zulke taaluitingen zijn alleen te begrijpen onder de aanname dat
er wel een element op de eerste zinsplaats staat, maar dat dat element
zo voor de hand ligt dat het verzwegen wordt. Enkele voorbeelden
zijn:
De voorbeelden in (i) worden begrepen met respectievelijk Karel, het saldo op zijn spaarrekening en ik als subject. Deze subjecten kunnen worden afgeleid uit de
talige of fysieke context. Indien zo'n subject wel vermeld wordt, krijgt
het de vorm van een (al dan niet gereduceerd) persoonlijk voornaamwoord:
hij/die |heeft|
het hele jaar |lopen sparen|,
't/het/dat |is|
echt ongelooflijk hoog |Ø|,
'k/ik |kom| eraan
|Ø|! Dat deze mogelijkheid alleen gelinkt
kan worden aan de eerste zinsplaats, blijkt uit het volgende
voorbeeld:
ii(Karel gaat morgen een nieuwe auto kopen.) Het hele
jaar |heeft| (...) |lopen sparen|.uitgesloten
Weglating van een subject in het middenstuk is pertinent onmogelijk, ook
al is het even makkelijk te herleiden uit de context als bij de
voorbeelden in (i). Wat hier gezegd wordt over het subject geldt
overigens evenzeer voor andere zinsdelen en voornaamwoordelijke
bijwoorden als onderdeel van een zinsdeel.
Het feit dat een weggelaten zinsdeel op de
eerste zinsplaats te herleiden is uit de talige of fysieke
context heeft te maken met het feit dat het om een topic gaat.
Het weglaten van zo'n topic heet in de literatuur
topic drop; wanneer het om de eerste
persoon gaat, zoals in het c-voorbeeld hierboven, spreekt men
soms van dagboekdrop (zie bijvoorbeeld
(Broekhuis et al. 2015)).
Onbepaalde nominale constituenten introduceren nieuwe referenten in de context
die voorheen onbekend waren bij hoorder of lezer. Heeft deze referent de rol van
subject, dan wordt het betreffende zinsdeel vanwege het links-rechtsprincipe
meestal niet op de eerste zinsplaats aangetroffen. Taalgebruikers gebruiken in
zo'n geval meestal een constructie met presentatief er, zoals bij (1b) al werd gesignaleerd. Alleen in journalistieke of literaire
geschreven taal staan onbepaalde nominale constituenten als subject soms op de
eerste zinsplaats. Bij het voorlezen van zo'n zin, bijoorbeeld aan het begin van
een nieuwsbericht, wordt een dergelijk subject niet speciaal beklemtoond, omdat
de plaatsing van het subject conform het links-rechtsprincipe is:
Het betreft meestal als specifiek op te vatten onbepaalde
constituenten die een nieuwszin inluiden. Zo is er in (7a) sprake van een nader
omschreven hoeveelheid vis uit Rotterdam die voor de schrijver (maar niet voor
de lezer) identificeerbaar is en niet zomaar van een partij vis zonder meer. In
(7c), onderdeel van een situatieschildering, is het denkbaar dat de auteur een
bepaalde figuur in gedachten heeft, die pas later aan de lezer bekend zal worden
gemaakt. Vergelijkbare gevallen kunnen zich voordoen in een levendig verhaal,
bij een snelle opeenvolging van gebeurtenissen:
8(... Plotseling klonken er
voetstappen op het tuinpad.) Een hond |blafte| |Ø|.
Een stem |riep| in het donker |Ø|. (Toen vielen
er twee schoten.)
Ook in de volgende zinnen bevat de eerste zinsplaats een onbepaald subject. Deze
zinnen zijn echter veel gangbaarder, want ze komen zowel in geschreven als in
gesproken taal voor:
In deze nieuwszinnen heeft de spreker/schrijver een bepaald iemand
respectievelijk bepaalde kinderen op het oog. Dit wordt echter vaag gehouden
voor de hoorder/lezer. Zin (9b) kan bijvoorbeeld passen in een context waarin
over een groep kinderen gesproken is, die een tijd ziek geweest zijn en dat voor
een deel nog zijn. De zin betekent dan 'sommige van die kinderen spelen alweer
op straat'.
Niet-specifiek onbepaalde subjecten komen, evenals negatieve subjecten, alleen
voor op de eerste zinsplaats in zinnen die afwijken van het
links-rechtsprincipe. De volgende sectie bevat voorbeelden van dit soort
subjecten.
Onbepaalde voornaamwoorden
Verdieping
Onbepaalde voornaamwoorden
Onbepaalde voornaamwoorden maken een constituent niet altijd per se
onbepaald. Zo kunnen collectiverende onbepaalde voornaamwoorden als subject
makkelijk op de eerste zinsplaats staan zonder het links-rechtsprincipe
te schenden. Er kan naargelang van de context of de situatie sprake zijn
van een bepaalde of een categoriale constituent:
Onbepaalde nominale constituenten moeten worden onderscheiden van categoriale en
generieke,
die dezelfde vorm als onbepaalde constituenten kunnen hebben.
Categoriale en generieke nominale constituenten duiden een bekend veronderstelde
groep, categorie of soort zelfstandigheden aan waarover een algemene uitspraak
gedaan wordt. Deze constituenten kunnen, anders dan (niet-specifiek) onbepaalde,
wél gemakkelijk op de eerste zinsplaats staan zonder het links-rechtsprincipe te
schenden:
Bij 'definitiezinnen' zoals (10d) geldt de bekendheid van composieten mogelijk alleen voor de spreker of schrijver. De betekenis van de
gecursiveerde constituenten is respectievelijk 'welke vrijgezel dan ook', 'welke
appel dan ook', 'de categorie, de stof melk' en 'de categorie van de
composieten'. In een soortgelijke betekenis kan ook een onbepaald voornaamwoord
op de eerste zinsplaats staan:
11Iemand |kan|
gehuwd of ongehuwd |zijn|.
Iemand in (11) is vergelijkbaar met het persoonlijk voornaamwoord men, en verwijst naar 'de categorie mensen'.
Nominale constituenten als subject op de eerste zinsplaats (in afwijking van
het links-rechtsprincipe)
Een zin hoeft niet per se volgens het links-rechtsprincipe te zijn geconstrueerd.
Het subject op de eerste zinsplaats kan deel uitmaken van de informatieve kern
van de zin. Dit is standaard het geval wanneer het subject niet-specifiek
indefiniet is:
De zinnen in (12) zijn alleen acceptabel met speciale nadruk op het subject. Dat
houdt in dat ze een bepaalde context nodig hebben, zoals het contrast tussen
caravans en campers in (12a). Bij (12b) is er een wisselwerking tussen het
subject en het focuspartikel ook verderop in de zin. Daardoor wordt de vermoedelijke aanwezigheid van
soep verbonden met andere, reeds genoemde gerechten. In (12c) is er eenzelfde
wisselwerking tussen het subject en nog niet: de genoemde gebeurtenis heeft (nog) niet plaatsgevonden heeft, en
komt mogelijk nooit. Zonder nog niet in (12c) krijgt het subject automatisch een specifieke interpretatie:
Iets rampzáligs |is| er
tot nu toe |gebeurd|.
Ook negatieve voornaamwoorden als niets en niemand en andere subjecten die een negatie bevatten kunnen alleen op de
eerste zinsplaats staan als ze beklemtoond zijn (en daardoor deel uitmaken van
de informatieve kern):
De reden dat negatieve subjecten een zinsaccent dragen is dat negatie altijd deel
uitmaakt van de informatieve kern van de zin. Het voegt altijd nieuwe informatie
toe aan wat reeds bekend is. Ook het eerder besproken voorbeeld in (2b) bevat een negatief subject (nauwelijks geschikte vacatures). Met uitzondering van onbeklemtoonbare elementen kan in principe elk
type subject deel uitmaken van de informatieve kern en in die hoedanigheid de
eerste zinsplaats bezetten. Enkele voorbeelden zijn:
Een zin als (14a) wijkt af van de variant in (5a) doordat het subject hier expliciet gecontrasteerd wordt met het
subject uit de vorige zin. Het contrast in (14b) impliceert dat er een ander,
mogelijk nog te benoemen feit is waardoor de dag van de spreker of schrijver tot
op heden niet goed is geweest, een suggestie die hoogstens impliciet aanwezig is
in (6a). De voorbeelden in (14c-e) laten zien dat een beklemtoond
subject op de eerste zinsplaats een persoon (of zaak) kan introduceren. Bij
(14d-e) ligt de nadruk bovendien op hoe onverwacht het is dat de rest van de zin
op juist deze subjecten van toepassing is, wat bijvoorbeeld niet het geval is
bij (6e). Met betrekking tot (specifiek) onbepaalde nominale
constituenten op de eerste zinsplaats dient te worden vermeld dat die zich niet
beperken geschreven taal (zoals in (7) en (8) het geval is). Dit blijkt uit een zin als
een wáárzegger |heeft| me |verteld| dat jij van
plan bent naar Siberië te gaan, (niet zómaar
iemand). De voorbeelden in (14f-g), ten slotte, laten
zien dat ook categoriale en generieke constituenten op de eerste zinsplaats deel
kunnen uitmaken van de informatieve kern van de zin.
Andere taalelementen als subject op de eerste zinsplaats
Behalve nominale constituenten kunnen ook andersoortige
constituenten dienst doen als subject:
Voor al deze constituenten geldt hetzelfde als voor nominale constituenten,
namelijk dat de informatieve waarde van zo'n element in overeenstemming kan zijn
met het links-rechtsprincipe of daar juist van af kan wijken. Dit wordt
gedemonstreerd door de volgende voorbeelden, waar het subject de vorm van een
afhankelijke zin heeft:
Het voorbeeld in (16a) is in overeenstemming met het links-rechtsprincipe indien
er al eerder over het niet kunnen bolwerken gepsproken is. De informatieve kern
wordt gevormd door de mededeling dat de spreker of schrijver dit niet verrassend
vindt. Het voorbeeld in (16b) schendt het links-rechtsprincipe in een context
waarin sprake is van meerdere op te lossen problemen. Deze zin heeft een
volgordevariant zoals het voorbeeld in (3f): het |staat| nog |te
bezien| hoe we dát op zullen lossen. In dit
voorbeeld staat de afhankelijke zin in de uitloop. De eerste zinsplaats wordt bezet door het voorlopige subject het. Met die volgorde is de samengestelde zin in overeenstemming met het
links-rechtsprincipe.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
