21.8.2 Een gevulde uitloop zonder verwijzing in de eigenlijke zin
Wanneer een constituent in de uitloop niet coreferentieel is met enig zinsdeel in
de eigenlijke zin, zijn de mogelijkheden afhankelijk van het soort constituent.
Zo komen nominale constituenten slechts in zeer specifieke gevallen voor in de
uitloop (de naam van jullie nieuwe teamleider |zal|
|luiden|: Trees,
|neem| toch met beide handen aan|Ø|, dat
aanbod!). Deze gevallen zijn
bijzonder omdat de uitloopconstituent niet weggelaten kan worden, wat
ongebruikelijk is bij de uitloop.
Adjectivische constituenten staan alleen in de uitloop als ze bepaling van
gesteldheid tijdens de handeling zijn: Bertus |sloeg| het
aanbod af|Ø|, kil en
harteloos. Zinnen worden stilistisch vaak
wat stroever naarmate zo'n constituent minder complex is, of het adjectief
relatief kort: Bertus |sloeg| het
aanbod af|Ø|, kiltwijfelachtig.
Allerlei constituenten met de functie van bijwoordelijke bepaling kunnen in het
algemeen met gemak in de uitloop staan. Nominale en bijwoordelijke (adverbiale)
constituenten met deze functie staan achter de tweede pool uitsluitend in de uitloop:
Trees |heeft| haar oude taken over|gedragen|,
verleden week/
gisteravond. Voor adpositieconstituenten
en afhankelijke zinnen is dat anders: deze kunnen achter de tweede pool zowel op
de laatste zinsplaats als in de uitloop staan. Het is dan
ook niet altijd eenvoudig om te bepalen waar zo'n constituent of zin zich
precies ophoudt. Voor zinsbepalingen geldt in ieder geval dat ze in de
uitloop staan: Bertus |kan| elders een beter aanbod
|krijgen|, naar alle waarschijnlijkheid /[zoals te verwachten
was].
Anders dan bij uitloopconstituenten met verwijzing in de eigenlijke
zin speelt beklemtoning geen onderscheidende rol in deze
deelparagraaf. Aangenomen mag worden dat de context van een gegeven voorbeeld
bepaalt of een uitloopconstituent zonder verwijzing in de eigenlijke zin nieuwe
of oude informatie geeft, en dus beklemtoond wordt of eerder een vlakke
intonatie krijgt.
Verder lezen
Een (substantivische) nominale constituent in de uitloop
In enkele specifieke gevallen kan de uitloop een - meestal substantivische -
nominale constituent bevatten zonder dat de eigenlijke zin een verwijzing naar
de referent van die constituent bevat:
Ondanks het feit dat uitloopconstituenten doorgaans makkelijk weggelaten kunnen
worden zonder dat de grammaticaliteit van de eigenlijke zin in het geding komt,
is dat in deze voorbeelden wel anders. De referent van de uitloopconstituenten
in (1) is simpelweg onmisbaar bij de interpretatie van de zin. Zo gaat het in
(1b) om het subject (onderwerp, in (1c/e) om het direct object (lijdend
voorwerp), en in (1a) om de nominale (naamwoordelijke) aanvulling van het
werkwoord noemen. De voorbeelden in (1) worden uitgebreid besproken in 21.6.1 Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats staan?
Daar wordt aanemelijk gemaakt dat het hier daadwerkelijk om de uitloop gaat, en
niet om de laatste zinsplaats, in tegenstelling tot wat traditionele
benaderingen voorschrijven. De ANS pleit voor een analyse die aansluit bij constructies met een beklemtoonde uitloop en een verwijzing in
de eigenlijke zin. Hiervoor wordt aangenomen dat er in (1) wel
degelijk een verwijzing in de eigenlijke zin is, maar dat die verwijzing
impliciet kan zijn in dit soort zinnen. Een variant op (1a) is dan bijvoorbeeld
jou |zal| ik altijd zo
|blijven noemen|: mijn beste
vriend (zie ook dit voorbeeld).
Plaatsing in de uitloop is zeker niet de enige mogelijkheid voor de constituenten
in kwestie. Zo kan mijn beste vriend in (1a) makkelijk in het middenstuk staan: jou |zal| ik altijd
mijn beste vriend |blijven
noemen|. Bij de nominale aanvulling van de
werkwoorden heten, luiden en noemen en ambtelijke of journalistieke formuleringen zoals (1b-c) wordt
plaatsing in de uitloop echter als expressiever of stilistisch fraaier
beschouwd. Bij opsommingen zoals (1d) is plaatsing in de uitloop in het algemeen
gebruikelijk, ongeacht het register. Bevelen of aansporingen met scheidbaar
samengestelde werkwoorden zoals in (1e) zijn, in tegenstelling tot de overige
voorbeelden, acceptabel zonder uitloop: |doe|
('m) wég |Ø|! De context
maakt in dat geval duidelijk wat het bedoelde direct object is.
Nominale constituenten kunnen ten slotte ook nog in de uitloop staan als ze de
functie van een bijwoordelijke bepaling hebben. Een voorbeeld wordt verderop in deze deelparagraaf gegeven. Daarnaast kunnen ze in de
uitloop dienst doen als predicatieve nabepaling: je |kunt|
er veel picea's aan|treffen|, een soort
naaldbomen. Hier geeft een soort naaldbomen aanvullende informatie bij picea's zonder dat dat laatste expliciet als verwijzing in de eigenlijke zin
optreedt.
Een adjectivische constituent in de uitloop
Adjectivische constituenten in de uitloop hebben de functie van bepaling van
gesteldheid (tijdens de handeling):
Zulke bepalingen duiden een gesteldheid van het subject of (direct) object aan
die zich voordoet tijdens de door het gezegde uitgedrukte werking. De bepaling
kan vaak worden geparafraseerd met een terwijl-zin, die eveneens in de uitloop staat: Trees
|keek| hen één voor één aan|Ø|, terwijl ze rustig en
onverschrokken was. De
constituenten in de uitloop in (2) zijn niet coreferentieel met enig zinsdeel in
de eigenlijke zin, al geven ze wel aanvullende informatie over de door het
gezegde uitgedrukte werking en over het subject of (direct) object.
Net als nominale constituenten kan een adjectivische constituent in de uitloop
dienst doen als predicatieve nabepaling: de oudste zoon
|gaat| zich op een nieuw terrein |vestigen|, 46 hectare
groot. Hier geeft 46 hectare groot aanvullende informatie bij terrein zonder dat dat laatste als verwijzing in de eigenlijke zin kan worden
gezien.
Zinnen met een adjectivische constituent in de uitloop blijken gevoelig te zijn
voor de complexiteit van die constituent. Als een adjectivische constituent uit
één woord bestaat, kan hij lang niet altijd als uitloop fungeren: uitvoerig |zette| zij de punten
uiteen|Ø| van het plan,
blijtwijfelachtig. Bovendien lijkt de lengte van
dat woord ook van invloed te zijn: (1d) voelt wellicht wat stroef aan vergeleken
met (1c), maar wordt weer beter met een uitbreiding: zij
|greep| de hendel vast|Ø|, kalm en
gedecideerd. Stilistische voorkeuren
spelen hier waarschijnlijk een rol.
Een adverbiale constituent in de uitloop
Adverbiale constituenten in de uitloop hebben meestal geen correlaat in de
eigenlijke zin:
Adverbiale constituenten niet op de laatste zinsplaats
Verdieping
Adverbiale constituenten niet op de laatste zinsplaats
Net als bij nominale constituenten wijkt de ANS hier af
van de traditionele opvatting omtrent adverbiale constituenten
achter de tweede pool. Normaliter wordt aangenomen dat het in de
hier besproken gevallen om de laatste zinsplaats gaat. Elders in dit hoofdstuk wordt besproken
waarom dit niet het geval kan zijn.
Net als bij adjectivische constituenten geldt hier dat hoe minder complex of lang
de adverbiale constituent is, hoe stroever een zin kan worden:
In breder verband kan worden gezegd dat allerlei optionele bijwoordelijke
bepalingen, ook als het een andere constituent dan een adverbiale betreft, het
patroon in (3) kunnen volgen:
De adpositieconstituent (voorzetselconstituent), nominale constituent en
afhankelijke zin in de uitloop van de voorbeelden in (4) krijgen evenmin een
verwijzing in de eigenlijke zin.
Voegwoordelijke subjectief factuele bijwoorden, die een aparte categorie vormen
met betrekking tot de aanloop kunnen met evenveel gemak in de uitloop worden
geplaatst:
Een adpositieconstituent in de uitloop
Zoals reeds gedemonstreed in (5a) kunnen ook adpositieconstituenten gebruik maken van de uitloop
zonder dat ze coreferentieel zijn met een zinsdeel in de eigenlijke zin. In
tegenstelling tot nominale, adjectivische en adverbiale constituenten hebben
adpositieconstituenten ook toegang tot de laatste zinsplaats. Het is dan ook niet altijd
eenvoudig om vast te stellen waar een adpositieconstituent met de functie van
bijwoordelijke bepaling achter de tweede pool zich precies ophoudt. Zoals elders in dit hoofdstuk beschreven is de intonatie van
de zin een goede indicator. Daarnaast speelt het verschil tussen gezegde- en zinsbepalingen een rol: de laatste kunnen
nooit op de laatste zinsplaats staan. Ze staan achter de tweede pool dus in de
uitloop. Daar kunnen ze vaak vergezeld worden door namelijk of vooraf worden gegaan door en wel:
Aangezien er zeer veel verschillende soorten bepalingen zijn, wordt hier geen
uitputtende lijst met voorbeelden gegeven.
Een afhankelijke zin in de uitloop
Ook voor afhankelijke zinnen geldt dat ze achter de tweede pool ofwel op de laatste zinsplaats staan, ofwel in de uitloop. Hierin
zijn ze gelijk aan adpositieconstituenten, wat betekent dat het zonder verwijzing in de eigenlijke zin niet altijd eenvoudig
is om te bepalen waar een afhankelijke zin achter de tweede pool precies staat.
De afhankelijke zinnen in (9) bevinden zich zonder twijfel in de uitloop:
De afhankelijke zinnen in (9) fungeren als niet-verplicht zinsdeel: in (9a) is
dat een bijwoordelijke bepaling van voorwaarde, (9b) bevat een uitbreidende
betrekkelijke bijzin die de eigenlijke zin als antecedent heeft. Iets
soortgelijks geldt voor (9c), waarbij de uitloop een soort van commentaar op het
in de eigenlijke zin gestelde is. In (9d) gaat het om een uitbreidende
betrekkelijke bijzin bij al haar reeds gemaakte afspraken. De plaatsing van deze zin in de uitloop contrasteert met beperkende betrekkelijke bijzinnen, die achter de
tweede pool juist op de laatste zinsplaats staan. Alle afhankelijke zinnen in
(9) geven stuk voor stuk extra informatie die zonder grammaticaal bezwaar
achterwege gelaten kan worden.
In het geval van (9a) en (9c) is een parafrase mogelijk met de afhankelijke zin
op de eerste zinsplaats:
[indien ze dat beiden even belangrijk
vinden] |zal| die afspraak er wel snel
|komen|, [zoals
Bertus al had verwacht] |moest| Trees wel een beetje
|wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur.
Zinnen als (9b) hebben eerder een parafrase met de afhankelijke zin in de aanloop: [wat natuurlijk
volkomen te begrijpen was]: Trees |moest| wel een beetje
|wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur. De
afhankelijke zin in (9d), ten slotte, kan bij zijn antecedent in het middenstuk
staan: Trees |nam| al haar reeds gemaakte afspraken,
[die overigens best mee bleken te vallen],
door|Ø| met Bertus.
Net als de aanloop kan de uitloop het (gespreks)onderwerp noemen
zonder dat de eigenlijke zin een expliciete verwijzing naar dat
gespreksonderwerp bevat:
Het tweede voorbeeld laat zien dat ook andersoortige constituenten met dezelfde
functie in de uitloop kunnen staan. Datzelfde geldt overigens ook voor formuleringen die duiden op een samenvatting of
herformulering.
Hieronder volgt een korte opsomming van verschillende soorten afhankelijke zinnen
die aansluit bij 21.4.1.1 Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in een
mededelende zin? De opsomming geeft een aantal duidelijke
voorbeelden, zonder hierin uitputtend te willen zijn. Alternatieve plaatsing van
de afhankelijke zinnen wordt uitvoerig in de genoemde deelparagraaf
besproken.
Evenals de aanloop kan de uitloop een groep toegevende zinnen
bevatten:
De eigenlijke zin kan in zo'n geval, net als bij de aanloop, het adverbium toch bevatten, maar nodig is dat niet: ik |doe| toch
niet open|Ø|, wie er ook
belt. Afhankelijke zinnen zonder voegwoord
die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken, hebben soms ook toegang tot
de uitloop:
12Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde
uitdrukken
Je |kunt| me gerust even
|bellen|, [mocht je toch nog willen
komen].
Ook vergelijkende zinnen met alsof kunnen in de uitloop staan:
13Vergelijkende zinnen met alsof
Trees |had| al min of
meer |besloten| om naar huis te gaan, [alsof het werk nu al af
was].
Afhankelijke zinnen met de functie van bijwoordelijke bepaling van gevolg ten slotte, staan
verplicht in de uitloop:
Constituenten met een nevenschikkend voegwoord in de uitloop
Verdieping
Constituenten met een nevenschikkend voegwoord in de uitloop
Zoals besproken in [24·4·3] kan bij nevenschikking een lid of meerdere leden
achter de tweede pool staan. Enkele voorbeelden zijn:
In deze voorbeelden verschijnt er achter de tweede pool een constituent
met een nevenschikkend voegwoord (alsmede, maar) of met een reeksvormer (zowel ... als, of ... of). Die uitloopconstituenten zijn onderdeel van een nominale
constituent in de uitlooploze zinnen. Wat precies de status is van het
gedeelte dat in de uitloop kan verschijnen, is onduidelijk. Dat dat
gedeelte niet op de laatste zinsplaats staat, blijkt uit zinnen als
hem |werden| reiskosten aan|geboden| in de
pauze van de presentatie, alsmede een
lunchvergoeding. In dit
voorbeeld volgt alsmede een lunchvergoeding op de bijwoordelijke bepaling in de pauze van de presentatie. Elders in dit hoofdstuk wordt gedemonstreerd
dat bijwoordelijke bepalingen op de laatste zinsplaats het verst naar
rechts staan. Dit betekent dat de constituent met het voegwoord in de
uitloop moet staan. Het is onduidelijk wat precies de aard van deze
constituent is. Enerzijds lijkt het een geval van samentrekking, maar er zijn ook argumenten die tegen zo'n analyse pleiten. De ANS laat deze kwestie open
voor toekomstig onderzoek. Zie ook deze opmerking over complementen en bepalingen met een
voegwoord van vergelijking op de laatste zinsplaats.
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
