Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.8.2 Een gevulde uitloop zonder verwijzing in de eigenlijke zin
Wanneer een constituent in de uitloop niet coreferentieel is met enig zinsdeel in de eigenlijke zin, zijn de mogelijkheden afhankelijk van het soort constituent. Zo komen nominale constituenten slechts in zeer specifieke gevallen voor in de uitloop (de naam van jullie nieuwe teamleider |zal| |luiden|: Trees, |neem| toch met beide handen aan|Ø|, dat aanbod!). Deze gevallen zijn bijzonder omdat de uitloopconstituent niet weggelaten kan worden, wat ongebruikelijk is bij de uitloop.
Adjectivische constituenten staan alleen in de uitloop als ze bepaling van gesteldheid tijdens de handeling zijn: Bertus |sloeg| het aanbod af|Ø|, kil en harteloos. Zinnen worden stilistisch vaak wat stroever naarmate zo'n constituent minder complex is, of het adjectief relatief kort: Bertus |sloeg| het aanbod af|Ø|, kiltwijfelachtig.
Allerlei constituenten met de functie van bijwoordelijke bepaling kunnen in het algemeen met gemak in de uitloop staan. Nominale en bijwoordelijke (adverbiale) constituenten met deze functie staan achter de tweede pool uitsluitend in de uitloop: Trees |heeft| haar oude taken over|gedragen|, verleden week/ gisteravond. Voor adpositieconstituenten en afhankelijke zinnen is dat anders: deze kunnen achter de tweede pool zowel op de laatste zinsplaats als in de uitloop staan. Het is dan ook niet altijd eenvoudig om te bepalen waar zo'n constituent of zin zich precies ophoudt. Voor zinsbepalingen geldt in ieder geval dat ze in de uitloop staan: Bertus |kan| elders een beter aanbod |krijgen|, naar alle waarschijnlijkheid /[zoals te verwachten was].
Anders dan bij uitloopconstituenten met verwijzing in de eigenlijke zin speelt beklemtoning geen onderscheidende rol in deze deelparagraaf. Aangenomen mag worden dat de context van een gegeven voorbeeld bepaalt of een uitloopconstituent zonder verwijzing in de eigenlijke zin nieuwe of oude informatie geeft, en dus beklemtoond wordt of eerder een vlakke intonatie krijgt.
Verder lezen
Een (substantivische) nominale constituent in de uitloop
In enkele specifieke gevallen kan de uitloop een - meestal substantivische - nominale constituent bevatten zonder dat de eigenlijke zin een verwijzing naar de referent van die constituent bevat:
1Een substantivische nominale constituent in de uitloop
aJou |zal| ik altijd |blijven noemen|: mijn beste vriend.
bBij deze |werden| tot commissaris |benoemd| de heer J.J. Meesters en mevrouw C.L. Vandenhende.
c(Een dezer dagen is een centrum-linkse coalitie gevormd van vijf partijen,) die |Ø| vermoedelijk als presidentskandidaat |zal aanwijzen| oud-president Hernan Siles Zuazo.
dGisteren |ben| ik achtereenvolgens tegen|gekomen|: de Janssens, mevrouw Scherps, die jongen van Martens en ten slotte jullie twee.
e|Doe| wég |Ø| die telefoon!
Ondanks het feit dat uitloopconstituenten doorgaans makkelijk weggelaten kunnen worden zonder dat de grammaticaliteit van de eigenlijke zin in het geding komt, is dat in deze voorbeelden wel anders. De referent van de uitloopconstituenten in (1) is simpelweg onmisbaar bij de interpretatie van de zin. Zo gaat het in (1b) om het subject (onderwerp, in (1c/e) om het direct object (lijdend voorwerp), en in (1a) om de nominale (naamwoordelijke) aanvulling van het werkwoord noemen. De voorbeelden in (1) worden uitgebreid besproken in 21.6.1 Wat kan er zoal op de laatste zinsplaats staan? Daar wordt aanemelijk gemaakt dat het hier daadwerkelijk om de uitloop gaat, en niet om de laatste zinsplaats, in tegenstelling tot wat traditionele benaderingen voorschrijven. De ANS pleit voor een analyse die aansluit bij constructies met een beklemtoonde uitloop en een verwijzing in de eigenlijke zin. Hiervoor wordt aangenomen dat er in (1) wel degelijk een verwijzing in de eigenlijke zin is, maar dat die verwijzing impliciet kan zijn in dit soort zinnen. Een variant op (1a) is dan bijvoorbeeld jou |zal| ik altijd zo |blijven noemen|: mijn beste vriend (zie ook dit voorbeeld).
Plaatsing in de uitloop is zeker niet de enige mogelijkheid voor de constituenten in kwestie. Zo kan mijn beste vriend in (1a) makkelijk in het middenstuk staan: jou |zal| ik altijd mijn beste vriend |blijven noemen|. Bij de nominale aanvulling van de werkwoorden heten, luiden en noemen en ambtelijke of journalistieke formuleringen zoals (1b-c) wordt plaatsing in de uitloop echter als expressiever of stilistisch fraaier beschouwd. Bij opsommingen zoals (1d) is plaatsing in de uitloop in het algemeen gebruikelijk, ongeacht het register. Bevelen of aansporingen met scheidbaar samengestelde werkwoorden zoals in (1e) zijn, in tegenstelling tot de overige voorbeelden, acceptabel zonder uitloop: |doe| ('m) wég |Ø|! De context maakt in dat geval duidelijk wat het bedoelde direct object is.
Nominale constituenten kunnen ten slotte ook nog in de uitloop staan als ze de functie van een bijwoordelijke bepaling hebben. Een voorbeeld wordt verderop in deze deelparagraaf gegeven. Daarnaast kunnen ze in de uitloop dienst doen als predicatieve nabepaling: je |kunt| er veel picea's aan|treffen|, een soort naaldbomen. Hier geeft een soort naaldbomen aanvullende informatie bij picea's zonder dat dat laatste expliciet als verwijzing in de eigenlijke zin optreedt.
Een adjectivische constituent in de uitloop
Adjectivische constituenten in de uitloop hebben de functie van bepaling van gesteldheid (tijdens de handeling):
2Een adjectivische constituent in de uitloop: bepalingen van gesteldheid (tijdens de handeling)
aTrees |keek| hen één voor één aan|Ø|, rustig en onverschrokken.
bUitvoerig |zette| zij de punten uiteen|Ø| van het plan, enthousiast als nooit tevoren.
cHij |greep| de hendel vast|Ø |, doodsbleek.
dZij |greep| de hendel vast|Ø|, kalm.
Zulke bepalingen duiden een gesteldheid van het subject of (direct) object aan die zich voordoet tijdens de door het gezegde uitgedrukte werking. De bepaling kan vaak worden geparafraseerd met een terwijl-zin, die eveneens in de uitloop staat: Trees |keek| hen één voor één aan|Ø|, terwijl ze rustig en onverschrokken was. De constituenten in de uitloop in (2) zijn niet coreferentieel met enig zinsdeel in de eigenlijke zin, al geven ze wel aanvullende informatie over de door het gezegde uitgedrukte werking en over het subject of (direct) object.
Net als nominale constituenten kan een adjectivische constituent in de uitloop dienst doen als predicatieve nabepaling: de oudste zoon |gaat| zich op een nieuw terrein |vestigen|, 46 hectare groot. Hier geeft 46 hectare groot aanvullende informatie bij terrein zonder dat dat laatste als verwijzing in de eigenlijke zin kan worden gezien.
Zinnen met een adjectivische constituent in de uitloop blijken gevoelig te zijn voor de complexiteit van die constituent. Als een adjectivische constituent uit één woord bestaat, kan hij lang niet altijd als uitloop fungeren: uitvoerig |zette| zij de punten uiteen|Ø| van het plan, blijtwijfelachtig. Bovendien lijkt de lengte van dat woord ook van invloed te zijn: (1d) voelt wellicht wat stroef aan vergeleken met (1c), maar wordt weer beter met een uitbreiding: zij |greep| de hendel vast|Ø|, kalm en gedecideerd. Stilistische voorkeuren spelen hier waarschijnlijk een rol.
Een adverbiale constituent in de uitloop
Adverbiale constituenten in de uitloop hebben meestal geen correlaat in de eigenlijke zin:
Adverbiale constituenten niet op de laatste zinsplaats
Verdieping
Adverbiale constituenten niet op de laatste zinsplaats
Net als bij nominale constituenten wijkt de ANS hier af van de traditionele opvatting omtrent adverbiale constituenten achter de tweede pool. Normaliter wordt aangenomen dat het in de hier besproken gevallen om de laatste zinsplaats gaat. Elders in dit hoofdstuk wordt besproken waarom dit niet het geval kan zijn.
3Een adverbiale constituent in de uitloop
aBertus zei |dat| Trees veel vragen voor hem |had|, waarschijnlijk.
bTrees |wilde| een afspraak met hem in|plannen|, gisterochtend.
cBeiden |kijken| uit|Ø| naar een goede samenwerking, ongetwijfeld.
Net als bij adjectivische constituenten geldt hier dat hoe minder complex of lang de adverbiale constituent is, hoe stroever een zin kan worden:
4aTrees |wilde| een afspraak met hem in|plannen|, gauw.twijfelachtig
bTrees |wilde| een afspraak met hem in|plannen|, binnenkort.
In breder verband kan worden gezegd dat allerlei optionele bijwoordelijke bepalingen, ook als het een andere constituent dan een adverbiale betreft, het patroon in (3) kunnen volgen:
5Een bijwoordelijke bepaling in de uitloop
aBertus zei |dat| Trees veel vragen voor hem |had|, naar alle waarschijnlijkheid.voorzetselconstituent
bTrees |wilde| een afspraak met hem in|plannen|5 afgelopen maandag.nominale constituent
cBeiden |kijken| uit|Ø| naar een goede samenwerking, daar durf ik mijn hand voor in het vuur te steken.afhankelijke zin
De adpositieconstituent (voorzetselconstituent), nominale constituent en afhankelijke zin in de uitloop van de voorbeelden in (4) krijgen evenmin een verwijzing in de eigenlijke zin.
Voegwoordelijke subjectief factuele bijwoorden, die een aparte categorie vormen met betrekking tot de aanloop kunnen met evenveel gemak in de uitloop worden geplaatst:
6Een voegwoordelijk adverbium in de uitloop
a(Ik kan niet komen. Het is veel te druk.) Opa |is| ziek |Ø|, bovendien (, en ik wil hem niet alleen laten.)
bMet die kerel |moet| ik |gaan samenwerken|, dus?
cDe meeste politici |blijken| bang |te zijn| voor gezichtsverlies, immers.
dWe |hebben| er geen bezwaar tegen |Ø|, integendeel. (We juichen het initiatief zelfs toe.)
e(Ik voel daar weinig voor.) Ik |heb| geen tijd |Ø|, trouwens.
7Een subjectief factueel adverbium in de aanloop
aIk |word| jouw nieuwe collega |Ø|, helaas.
bHet |is| eindelijk op|gehouden| met regenen, gelukkig.
cHelemaal jouw schuld |kan| het nooit |zijn|, natuurlijk.
Een adpositieconstituent in de uitloop
Zoals reeds gedemonstreed in (5a) kunnen ook adpositieconstituenten gebruik maken van de uitloop zonder dat ze coreferentieel zijn met een zinsdeel in de eigenlijke zin. In tegenstelling tot nominale, adjectivische en adverbiale constituenten hebben adpositieconstituenten ook toegang tot de laatste zinsplaats. Het is dan ook niet altijd eenvoudig om vast te stellen waar een adpositieconstituent met de functie van bijwoordelijke bepaling achter de tweede pool zich precies ophoudt. Zoals elders in dit hoofdstuk beschreven is de intonatie van de zin een goede indicator. Daarnaast speelt het verschil tussen gezegde- en zinsbepalingen een rol: de laatste kunnen nooit op de laatste zinsplaats staan. Ze staan achter de tweede pool dus in de uitloop. Daar kunnen ze vaak vergezeld worden door namelijk of vooraf worden gegaan door en wel:
8Een adpositieconstituent in de aanloop (zinsbepaling)
aZij |is| al wel tien keer in Dubai |geweest|, om belastingtechnische redenen (namelijk).
bWe |hebben| gisteren |besloten| om het uitstapje maar uit te stellen, (en wel) wegens het aanhoudende slechte weer.
Aangezien er zeer veel verschillende soorten bepalingen zijn, wordt hier geen uitputtende lijst met voorbeelden gegeven.
Een afhankelijke zin in de uitloop
Ook voor afhankelijke zinnen geldt dat ze achter de tweede pool ofwel op de laatste zinsplaats staan, ofwel in de uitloop. Hierin zijn ze gelijk aan adpositieconstituenten, wat betekent dat het zonder verwijzing in de eigenlijke zin niet altijd eenvoudig is om te bepalen waar een afhankelijke zin achter de tweede pool precies staat. De afhankelijke zinnen in (9) bevinden zich zonder twijfel in de uitloop:
9Een afhankelijke zin in de uitloop
aDie afspraak |zal| er wel snel |komen|, [indien ze dat beiden even belangrijk vinden]
bTrees |moest| wel een beetje |wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur, [wat natuurlijk volkomen te begrijpen was].
cTrees |moest| wel een beetje |wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur, [zoals Bertus al had verwacht].
dTrees |nam| al haar reeds gemaakte afspraken door|Ø| met Bertus, [die overigens best mee bleken te vallen].
De afhankelijke zinnen in (9) fungeren als niet-verplicht zinsdeel: in (9a) is dat een bijwoordelijke bepaling van voorwaarde, (9b) bevat een uitbreidende betrekkelijke bijzin die de eigenlijke zin als antecedent heeft. Iets soortgelijks geldt voor (9c), waarbij de uitloop een soort van commentaar op het in de eigenlijke zin gestelde is. In (9d) gaat het om een uitbreidende betrekkelijke bijzin bij al haar reeds gemaakte afspraken. De plaatsing van deze zin in de uitloop contrasteert met beperkende betrekkelijke bijzinnen, die achter de tweede pool juist op de laatste zinsplaats staan. Alle afhankelijke zinnen in (9) geven stuk voor stuk extra informatie die zonder grammaticaal bezwaar achterwege gelaten kan worden.
In het geval van (9a) en (9c) is een parafrase mogelijk met de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats: [indien ze dat beiden even belangrijk vinden] |zal| die afspraak er wel snel |komen|, [zoals Bertus al had verwacht] |moest| Trees wel een beetje |wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur. Zinnen als (9b) hebben eerder een parafrase met de afhankelijke zin in de aanloop: [wat natuurlijk volkomen te begrijpen was]: Trees |moest| wel een beetje |wennen| aan de plaatselijke overlegcultuur. De afhankelijke zin in (9d), ten slotte, kan bij zijn antecedent in het middenstuk staan: Trees |nam| al haar reeds gemaakte afspraken, [die overigens best mee bleken te vallen], door|Ø| met Bertus.
Net als de aanloop kan de uitloop het (gespreks)onderwerp noemen zonder dat de eigenlijke zin een expliciete verwijzing naar dat gespreksonderwerp bevat:
10De uitloop noemt het (gespreks)onderwerp waarop de eigenlijke zin betrekking heeft
10aSteeds meer mensen |geloven| internetbronnen zonder enig gezag |Ø|, [wat vaccins betreft/aangaat].
bSteeds meer mensen |geloven| internetbronnen zonder enig gezag |Ø|, [over vaccins gesproken].
Het tweede voorbeeld laat zien dat ook andersoortige constituenten met dezelfde functie in de uitloop kunnen staan. Datzelfde geldt overigens ook voor formuleringen die duiden op een samenvatting of herformulering.
Hieronder volgt een korte opsomming van verschillende soorten afhankelijke zinnen die aansluit bij 21.4.1.1 Wat kan er niet op de eerste zinsplaats staan in een mededelende zin? De opsomming geeft een aantal duidelijke voorbeelden, zonder hierin uitputtend te willen zijn. Alternatieve plaatsing van de afhankelijke zinnen wordt uitvoerig in de genoemde deelparagraaf besproken.
Evenals de aanloop kan de uitloop een groep toegevende zinnen bevatten:
11Toegevende zinnen met een voegwoord of een onbepaald voornaamwoord
aHij |komt| heus niet |Ø|, [hoewel hij de tijd heeft].
bIk |doe| niet open|Ø|, [wie er ook belt].
De eigenlijke zin kan in zo'n geval, net als bij de aanloop, het adverbium toch bevatten, maar nodig is dat niet: ik |doe| toch niet open|Ø|, wie er ook belt. Afhankelijke zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken, hebben soms ook toegang tot de uitloop:
12Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken
Je |kunt| me gerust even |bellen|, [mocht je toch nog willen komen].
Ook vergelijkende zinnen met alsof kunnen in de uitloop staan:
13Vergelijkende zinnen met alsof
Trees |had| al min of meer |besloten| om naar huis te gaan, [alsof het werk nu al af was].
Afhankelijke zinnen met de functie van bijwoordelijke bepaling van gevolg ten slotte, staan verplicht in de uitloop:
14Gevolgzinnen: verplicht in de uitloop
aZijn verhalen |bleken| nooit |te kloppen|, [zodat uiteindelijk niemand hem nog serieus nam].
bToen |is| in het stadje een epidemie uit|gebroken|, [waardoor er ruim tweeduizend mensen stierven].
Constituenten met een nevenschikkend voegwoord in de uitloop
Verdieping
Constituenten met een nevenschikkend voegwoord in de uitloop
Zoals besproken in [24·4·3] kan bij nevenschikking een lid of meerdere leden achter de tweede pool staan. Enkele voorbeelden zijn:
iAaneenschakelend verband
aHem |werden| [reiskosten alsmede een lunchvergoeding] aan|geboden|.
bHem |werden| reiskosten aan|geboden|, alsmede een lunchvergoeding.
cHij |had| [zowel voor Mieke als voor Tom] een cadeautje mee|gebracht|.
dHij |had| zowel voor Mieke een cadeautje mee|gebracht| als voor Tom.
iiTegenstellend verband
aDie doos |is| niet [voor jou maar voor Moureen] |bestemd.|
bDie doos |is| niet voor jou |bestemd| maar voor Moureen.
c[Of de huiseigenaar óf de verzekeraar] |heeft| het huis in brand |gestoken|.
dOf de huiseigenaar |heeft| het huis in brand |gestoken| óf de verzekeraar.
In deze voorbeelden verschijnt er achter de tweede pool een constituent met een nevenschikkend voegwoord (alsmede, maar) of met een reeksvormer (zowel ... als, of ... of). Die uitloopconstituenten zijn onderdeel van een nominale constituent in de uitlooploze zinnen. Wat precies de status is van het gedeelte dat in de uitloop kan verschijnen, is onduidelijk. Dat dat gedeelte niet op de laatste zinsplaats staat, blijkt uit zinnen als hem |werden| reiskosten aan|geboden| in de pauze van de presentatie, alsmede een lunchvergoeding. In dit voorbeeld volgt alsmede een lunchvergoeding op de bijwoordelijke bepaling in de pauze van de presentatie. Elders in dit hoofdstuk wordt gedemonstreerd dat bijwoordelijke bepalingen op de laatste zinsplaats het verst naar rechts staan. Dit betekent dat de constituent met het voegwoord in de uitloop moet staan. Het is onduidelijk wat precies de aard van deze constituent is. Enerzijds lijkt het een geval van samentrekking, maar er zijn ook argumenten die tegen zo'n analyse pleiten. De ANS laat deze kwestie open voor toekomstig onderzoek. Zie ook deze opmerking over complementen en bepalingen met een voegwoord van vergelijking op de laatste zinsplaats.
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links