21.7.2 Een gevulde aanloop zonder verwijswoord in de eigenlijke zin
Zinnen met een aanloop hebben niet altijd een verwijswoord in de
eigenlijke zin. Zo kan de aanloop het
(gespreks)onderwerp aankondigen zonder dat daar in de eigenlijke zin expliciet
naar verwezen wordt: wat Karel
betreft, alle bedden |zien| er hetzelfde
uit|Ø|, over matrassen
gesproken, Emma |heeft| het liefst pocketvering
|Ø|. Voor de aanloop in dit type zin is er een
aantal vaste formuleringen beschikbaar. Dit betekent dat de aanloop niet door
een losse (nominale) constituent kan worden gevuld, zoals wel het geval is in
aanloopzinnen-met-verwijswoord.
In een soortgelijke categorie zinnen dient de invulling van de aanloop als
samenvatting of herformulering: om kort te
gaan, er |moet| snel |worden
besloten|, met andere
woorden, we |gaan| over vijf minuten
|sluiten|. Ook bij dit type aanloop gaat het om
vaste formuleringen en ontbreekt een verwijswoord in de eigenlijke zin.
In weer andere zinnen bestaat de aanloop uit een enkel adverbium (bijwoord):
voegwoordelijk als in echter, voor
jullie |maak| ik graag een uitzondering |Ø| of
subjectief als in natuurlijk, het |is|
belangrijk |Ø| om ruim de tijd te nemen voor zo'n belangrijke
aankoop.
Ten slotte kan een aantal afhankelijke zinnen als aanloop dienen zonder dat de
eigenlijke zin expliciet naar die aanloop verwijst. Dit geldt voor toegevende
zinnen met (ook) al), een onbepaald voornaamwoord of zonder voegwoord
(welk bed het ook wordt,
korting |zullen| we |krijgen|); voegwoordloze
zinnen die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken
(mocht hij een goed prijsvoorstel
doen, we |happen| niet meteen
toe|Ø| en betrekkelijke bijzinnen waarvan het
antecedent betrekking heeft op de eigenlijke zin
(wat enorm in ons voordeel kan
werken: er |worden| tegenwoordig minder bedden
|verkocht|).
Verder lezen
De aanloop bevat een (gespreks)onderwerp waarop de eigenlijke zin betrekking
heeft
De aanloop kan de aandacht vestigen op een (gespreks)onderwerp zonder dat de
eigenlijke zin expliciet naar dat onderwerp verwijst:
In de wetenschappelijke literatuur staat
dit verschijnsel bekend als 'loose aboutness-linksdislocatie' (LALD).
Deze term is met name van toepassing op talen waarin dit type
aanloopconstructie een enkele constituent kan bevatten. In het
Nederlands zijn echter alleen perifrastische constructies mogelijk zoals
in de hier besproken voorbeelden.
De constructie wat...betreft/aangaat heeft de vorm van een bijzin en staat niet uitsluitend in de
aanloop. De volgende zinnen, waarbij de constructie als geheel de eerste zinsplaats bezet, zijn zelfs gangbaarder dan die
in (1):
De constructie voor mijn part, een equivalent van wat mij betreft, kan niet de eerste zinsplaats bezetten en juist wel als aanloop
fungeren. Dit is althans het geval wanneer het subject van de zin dezelfde
referent heeft als het bezittelijk voornaamwoord in de aanloop:
In (3a-b) correspondeert mijn met het subject ik. In (3c-d) corresponderen mijn en hij niet, en daar geldt juist dat plaatsing in de aanloop onmogelijk
is.
De constructie wat ... betreft/aangaat heeft verder nog een equivalent in de vorm van over ... gesproken. Deze constructie kan in de aanloop staan, maar niet op de eerste
zinsplaats:
Met uitzondering van over ... gesproken nemen de constructies in kwestie gemakkelijk een plek in het middenstuk in, zoals in hij |mag| wat
mij betreft zo |vertrekken| en
ik |probeer| er voor mijn part
het beste van |te maken|. Verder kunnen ze als
tussenzin (intercalatie) worden gebruikt of in de uitloop staan: we |hebben|,
wat de secundaire arbeidsvoorwaarden betreft,
niets |te klagen|, steeds
meer mensen |geloven| internetbronnen zonder enig gezag |Ø|,
over vaccins gesproken.
Ten slotte dient nog te worden vermeld dat alle hier genoemde constructies, met
uitzondering van voor mijn part, in de aanloop kunnen staan, terwijl de eigenlijke zin wel degelijk
een verwijswoord bevat. Dat verwijswoord wijst terug naar het
(gespreks)onderwerp dat de aanloop centraal stelt:
De zinnen in (5) zijn vergelijkbaar met de informele zinnen beschreven in 21.7.1, zij het dat ze ook in de formele taal worden
gebruikt. Het verwijswoord kan een aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord zijn
dat verwijst naar het indirect object (meewerkend voorwerp) van betreft/aangaat of naar het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) van gesproken.
De aanloop kondigt een samenvatting of herformulering aan
Formuleringen als kortom, kort gezegd/samengevat, om kort te gaan, in/met één woord, met andere woorden en nog eens kondigen een samenvatting of herformulering van het voorafgaande aan.
Ze kunnen de aanloop van een zin vormen zonder dat de eigenlijke zin een
expliciete verwijzing naar die aanloop bevat:
Dergelijke constituenten kunnen ook elders in de zin staan, zoals in het
middenstuk (het |viel| ze kortom erg
tegen |Ø|) of in de uitloop
(hij |is| niet |te vertrouwen|, met
andere woorden). Alleen voor kort gezegd/samengevat geldt dat het op de eerste zinsplaats kan staan:
Een adverbium in de aanloop
Twee groepen adverbia (bijwoorden) kunnen in de aanloop voorkomen zonder dat de
eigenlijke zin een verwijswoord bevat dat naar die aanloop terugwijst. De eerste
groep, de zogenaamde voegwoordelijke bijwoorden, omvat in ieder geval:
althans, bijvoorbeeld, bovendien,
daarenboven,
desondanks,
dus, echterevenwel,
immers,
integendeel,
intussen,
niettemin,
nochtans,
overigens, en
trouwens. De volgende
voorbeelden illustreren zinnen met zo'n voegwoordelijk bijwoord in de
aanloop:
Een tweede groep adverbia, de zogenaamde subjectieve factuele
adverbia, omvat helaas, gelukkig en natuurlijk:
Deze adverbia kunnen overigens ook dienst doen als tussenwerpsel voorafgaand aan de eigenlijke zin. In dat
geval staan ze niet in de aanloop, maar daar nog voor
(helaas! - Bertus, dat |wordt| dus
niet jouw nieuwe collega |Ø|) of
juist erachter (Bertus - helaas! - dat
|wordt| niet jouw nieuwe collega |Ø|). De
adverbia in kwestie vormen een subgroep van de bijwoorden van modaliteit. Niet alle adverbia uit deze subgroep
kunnen in de aanloop staan:
Een afhankelijke zin in de aanloop
De eerste zinsplaats is, althans in zinstype 1a, toegankelijk voor een heel scala
aan constituenten. Daar maken ook afhankelijke zinnen deel van uit, maar bepaalde soorten afhankelijke zinnen kunnen niet op de
eerste zinsplaats staan. In enkele gevallen is plaatsing in de aanloop dan wel
mogelijk. Het gaat om de hierna volgende categorieën, waarbij de eigenlijke zin
wederom een verwijswoord ontbeert dat naar de aanloop terugwijst:
Bij deze categorie duikt vaak het adverbium toch op, zoals in (11a-b). Hoewel dit strikt genomen geen verwijswoord is
zoals beschreven in [21.7.1] Een constituent in de aanloop met een verwijswoord in
de eigenlijke zin, legt het wel een verband tussen de aanloop en de
eigenlijke zin in de vorm van een tegenstelling. Dit soort toegevende zinnen
komt zowel in formeel als in informeel Nederlands voor als aanloop, anders dan
zinnen met een 'echt' verwijswoord, die vooral in de informele taal voorkomen.
Voor de toegevende zinnen in (11c-d), waarin toch niet wordt gebruikt, geldt eerder dat ze zich beperken tot formele
taal.
Toegevende zinnen zonder voegwoord staan uitsluitend in de aanloop. Formele
varianten zoals (12c), die geen vorm van mogen of laten bevatten, zijn evenals de voorbeelden in (11) te voorzien van toch: waren er vroeger veel
bomen, nu |begint| het landschap er toch vrij kaal uit
|te zien|..
Voegwoordloze zinnen die een voorwaarde uitdrukken, kunnen in de aanloop staan
(zie 13a-b). Zonder dan in de eigenlijke zin levert dat een formele constructie op. De
voorwaardelijke zin kan eventueel zelfs op de eerste zinsplaats staan, maar dat
behoort tot het informele taalgebruik (13c). Bij veronderstellende zinnen met mocht is plaatsing op de eerste zinsplaats uitgesloten
(13f).
Boogaart (2007) bevat een corpusonderzoek naar
verschillen tussen veronderstellende zinnen in het Belgisch Nederlands
en in het Nederlands-Nederlands. Hierbij worden ook zinnen met moest(en) betrokken, die alleen in het Belgisch Nederlands voorkomen.
Hoewel dat soort zinnen wel op de eerste zinsplaats worden aangetroffen,
is dit in geen van beide variëteiten het geval met mocht-zinnen. Op basis hiervan concludeert de ANS dat zinnen als
(13f) uitgesloten zijn.
De studie toont verder aan dat resumptief dan vaker voorkomt naarmate de relatie tussen de afhankelijke zin
en de zelfstandige zin minder inhoudelijk is, zoals in (13d-e).
Ten slotte kunnen betrekkelijke bijzinnen soms in de aanloop staan. Dit is alleen
mogelijk als het antecedent betrekking heeft op de eigenlijke zin (zie ook [5·8·5·5/i3] en [5·8·5·7/i]).
Literatuur
Interessante links
ANS
Taaladvies
Dagenta
Taalportaal
Versiegeschiedenis
| versie | redacteur(en) | datum | opmerkingen |
| 3.0 | M. van de Visser | augustus 2019 |
