Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • DBNL
  • Taaladvies.net
  • Wikipedia
  • Google
21.7.2 Een gevulde aanloop zonder verwijswoord in de eigenlijke zin
Zinnen met een aanloop hebben niet altijd een verwijswoord in de eigenlijke zin. Zo kan de aanloop het (gespreks)onderwerp aankondigen zonder dat daar in de eigenlijke zin expliciet naar verwezen wordt: wat Karel betreft, alle bedden |zien| er hetzelfde uit|Ø|, over matrassen gesproken, Emma |heeft| het liefst pocketvering |Ø|. Voor de aanloop in dit type zin is er een aantal vaste formuleringen beschikbaar. Dit betekent dat de aanloop niet door een losse (nominale) constituent kan worden gevuld, zoals wel het geval is in aanloopzinnen-met-verwijswoord.
In een soortgelijke categorie zinnen dient de invulling van de aanloop als samenvatting of herformulering: om kort te gaan, er |moet| snel |worden besloten|, met andere woorden, we |gaan| over vijf minuten |sluiten|. Ook bij dit type aanloop gaat het om vaste formuleringen en ontbreekt een verwijswoord in de eigenlijke zin.
In weer andere zinnen bestaat de aanloop uit een enkel adverbium (bijwoord): voegwoordelijk als in echter, voor jullie |maak| ik graag een uitzondering |Ø| of subjectief als in natuurlijk, het |is| belangrijk |Ø| om ruim de tijd te nemen voor zo'n belangrijke aankoop.
Ten slotte kan een aantal afhankelijke zinnen als aanloop dienen zonder dat de eigenlijke zin expliciet naar die aanloop verwijst. Dit geldt voor toegevende zinnen met (ook) al), een onbepaald voornaamwoord of zonder voegwoord (welk bed het ook wordt, korting |zullen| we |krijgen|); voegwoordloze zinnen die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken (mocht hij een goed prijsvoorstel doen, we |happen| niet meteen toe|Ø| en betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent betrekking heeft op de eigenlijke zin (wat enorm in ons voordeel kan werken: er |worden| tegenwoordig minder bedden |verkocht|).
Verder lezen
De aanloop bevat een (gespreks)onderwerp waarop de eigenlijke zin betrekking heeft
De aanloop kan de aandacht vestigen op een (gespreks)onderwerp zonder dat de eigenlijke zin expliciet naar dat onderwerp verwijst:
In de wetenschappelijke literatuur staat dit verschijnsel bekend als 'loose aboutness-linksdislocatie' (LALD). Deze term is met name van toepassing op talen waarin dit type aanloopconstructie een enkele constituent kan bevatten. In het Nederlands zijn echter alleen perifrastische constructies mogelijk zoals in de hier besproken voorbeelden.
1De constructie wat ... betreft/aangaat als aanloop
aWat de hulp aan de noodlijdende bevolking betreft, er |is| op korte termijn weinig verbetering |te verwachten|.
bWat de secundaire arbeidsvoorwaarden aangaat, we |hebben| niets |te klagen|.
cWat mij betreft, hij |mag| zo meteen |vertrekken|.
De constructie wat...betreft/aangaat heeft de vorm van een bijzin en staat niet uitsluitend in de aanloop. De volgende zinnen, waarbij de constructie als geheel de eerste zinsplaats bezet, zijn zelfs gangbaarder dan die in (1):
2aWat de hulp aan de noodlijdende bevolking betreft |is| er op korte termijn weinig verbetering |te verwachten|.
bWat de secundaire arbeidsvoorwaarden aangaat |hebben| we niets |te klagen|.
cWat mij betreft |mag| hij zo meteen |vertrekken|.
De constructie voor mijn part, een equivalent van wat mij betreft, kan niet de eerste zinsplaats bezetten en juist wel als aanloop fungeren. Dit is althans het geval wanneer het subject van de zin dezelfde referent heeft als het bezittelijk voornaamwoord in de aanloop:
3De constructie voor mijn part
aVoor mijn part, ik |probeer| er het beste van |te maken|.
bVoor mijn part |probeer| ik er het beste van |te maken|.uitgesloten
cVoor mijn part , hij |kan| zo meteen |vertrekken|.uitgesloten
dVoor mijn part |kan| hij zo meteen |vertrekken|.
In (3a-b) correspondeert mijn met het subject ik. In (3c-d) corresponderen mijn en hij niet, en daar geldt juist dat plaatsing in de aanloop onmogelijk is.
De constructie wat ... betreft/aangaat heeft verder nog een equivalent in de vorm van over ... gesproken. Deze constructie kan in de aanloop staan, maar niet op de eerste zinsplaats:
4De constructie over ... gesproken
aOver vaccins gesproken, steeds meer mensen |geloven| internetbronnen zonder enig gezag |Ø|.
bOver vaccins gesproken |geloven| steeds meer mensen internetbronnen zonder enig gezag |Ø|. uitgesloten
Met uitzondering van over ... gesproken nemen de constructies in kwestie gemakkelijk een plek in het middenstuk in, zoals in hij |mag| wat mij betreft zo |vertrekken| en ik |probeer| er voor mijn part het beste van |te maken|. Verder kunnen ze als tussenzin (intercalatie) worden gebruikt of in de uitloop staan: we |hebben|, wat de secundaire arbeidsvoorwaarden betreft, niets |te klagen|, steeds meer mensen |geloven| internetbronnen zonder enig gezag |Ø|, over vaccins gesproken.
Ten slotte dient nog te worden vermeld dat alle hier genoemde constructies, met uitzondering van voor mijn part, in de aanloop kunnen staan, terwijl de eigenlijke zin wel degelijk een verwijswoord bevat. Dat verwijswoord wijst terug naar het (gespreks)onderwerp dat de aanloop centraal stelt:
5aWat de secundaire arbeidsvoorwaarden betreft, daarover |hebben| we niet |te klagen|.
bWat je nieuwe auto betreft, |is|-ie een beetje zuinig in het verbruik |Ø|?
cWat de studieresultaten aangaat, die |zijn| er bepaald niet op vooruit|gegaan|.
dOver vaccins gesproken, daar |hebben| steeds meer mensen moeite mee |Ø|.
De zinnen in (5) zijn vergelijkbaar met de informele zinnen beschreven in 21.7.1, zij het dat ze ook in de formele taal worden gebruikt. Het verwijswoord kan een aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord zijn dat verwijst naar het indirect object (meewerkend voorwerp) van betreft/aangaat of naar het voorzetselobject (voorzetselvoorwerp) van gesproken.
De aanloop kondigt een samenvatting of herformulering aan
Formuleringen als kortom, kort gezegd/samengevat, om kort te gaan, in/met één woord, met andere woorden en nog eens kondigen een samenvatting of herformulering van het voorafgaande aan. Ze kunnen de aanloop van een zin vormen zonder dat de eigenlijke zin een expliciete verwijzing naar die aanloop bevat:
6Een aanloop die een samenvatting/herformulering aankondigt
aKortom, het |viel| ze erg tegen|Ø|.
bMet andere woorden, hij |is| niet |te vertrouwen|.
cNog eens, ik |kom| er niet meer op terug|Ø|.
Dergelijke constituenten kunnen ook elders in de zin staan, zoals in het middenstuk (het |viel| ze kortom erg tegen |Ø|) of in de uitloop (hij |is| niet |te vertrouwen|, met andere woorden). Alleen voor kort gezegd/samengevat geldt dat het op de eerste zinsplaats kan staan:
7aKort samengevat, het |komt| erop neer|Ø| dat hij niet mee wil.
bKort samengevat |komt| het erop neer|Ø| dat hij niet mee wil.
Een adverbium in de aanloop
Twee groepen adverbia (bijwoorden) kunnen in de aanloop voorkomen zonder dat de eigenlijke zin een verwijswoord bevat dat naar die aanloop terugwijst. De eerste groep, de zogenaamde voegwoordelijke bijwoorden, omvat in ieder geval: althans, bijvoorbeeld, bovendien, daarenboven, desondanks, dus, echterevenwel, immers, integendeel, intussen, niettemin, nochtans, overigens, en trouwens. De volgende voorbeelden illustreren zinnen met zo'n voegwoordelijk bijwoord in de aanloop:
8Een voegwoordelijk adverbium in de aanloop
a(Ik kan niet komen. Het is veel te druk.) Bovendien, opa |is| ziek |Ø| (, en ik wil hem niet alleen laten.)
bDus, met die kerel |moet| ik |gaan samenwerken?|
cImmers, de meeste politici |blijken| bang |te zijn| voor gezichtsverlies.
d(We hebben er geen bezwaar tegen.) Integendeel, we |juichen| het initiatief zelfs toe |Ø|.
e(Ik voel daar weinig voor.) Trouwens, ik |heb| geen tijd |Ø|.
Een tweede groep adverbia, de zogenaamde subjectieve factuele adverbia, omvat helaas, gelukkig en natuurlijk:
9Een subjectief factueel adverbium in de aanloop
aHelaas, ik |word| jouw nieuwe collega |Ø|.
bGelukkig, het |is| eindelijk op|gehouden| met regenen.
cNatuurlijk, helemaal jouw schuld |kan| het nooit |zijn|.
Deze adverbia kunnen overigens ook dienst doen als tussenwerpsel voorafgaand aan de eigenlijke zin. In dat geval staan ze niet in de aanloop, maar daar nog voor (helaas! - Bertus, dat |wordt| dus niet jouw nieuwe collega |Ø|) of juist erachter (Bertus - helaas! - dat |wordt| niet jouw nieuwe collega |Ø|). De adverbia in kwestie vormen een subgroep van de bijwoorden van modaliteit. Niet alle adverbia uit deze subgroep kunnen in de aanloop staan:
10aJammer genoeg, ik |word| jouw nieuwe collega |Ø|.uitgesloten
bBegrijpelijkerwijs, helemaal jouw schuld |kan| het nooit |zijn|.uitgesloten
Een afhankelijke zin in de aanloop
De eerste zinsplaats is, althans in zinstype 1a, toegankelijk voor een heel scala aan constituenten. Daar maken ook afhankelijke zinnen deel van uit, maar bepaalde soorten afhankelijke zinnen kunnen niet op de eerste zinsplaats staan. In enkele gevallen is plaatsing in de aanloop dan wel mogelijk. Het gaat om de hierna volgende categorieën, waarbij de eigenlijke zin wederom een verwijswoord ontbeert dat naar de aanloop terugwijst:
11Toegevende zinnen met (ook) al of een onbepaald voornaamwoord
aOok al heeft hij de tijd, hij |komt| toch niet |Ø|.
bWie er ook belt, ik |doe| toch niet open|Ø|.
cOok al komt de brandweer straks nog, het gebouw |is| totaal verloren |Ø|.
dHoe hij ook zijn best deed, hij |kreeg| het stuk niet af|Ø|.
Bij deze categorie duikt vaak het adverbium toch op, zoals in (11a-b). Hoewel dit strikt genomen geen verwijswoord is zoals beschreven in [21.7.1] Een constituent in de aanloop met een verwijswoord in de eigenlijke zin, legt het wel een verband tussen de aanloop en de eigenlijke zin in de vorm van een tegenstelling. Dit soort toegevende zinnen komt zowel in formeel als in informeel Nederlands voor als aanloop, anders dan zinnen met een 'echt' verwijswoord, die vooral in de informele taal voorkomen. Voor de toegevende zinnen in (11c-d), waarin toch niet wordt gebruikt, geldt eerder dat ze zich beperken tot formele taal.
12Toegevende zinnen zonder voegwoord
aHij mag dan nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten|.
bLaat hij nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten|.
cWaren er vroeger veel bomen, nu |begint| het landschap er vrij kaal uit |te zien|.formeel
Toegevende zinnen zonder voegwoord staan uitsluitend in de aanloop. Formele varianten zoals (12c), die geen vorm van mogen of laten bevatten, zijn evenals de voorbeelden in (11) te voorzien van toch: waren er vroeger veel bomen, nu |begint| het landschap er toch vrij kaal uit |te zien|..
13Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of voorwaarde uitdrukken
aWas hij met de bus gekomen, hij |zou| nu niet natgeregend |zijn|.formeel
bWas hij met de bus gekomen, dan |zou| hij nu niet natgeregend |zijn|.
cWas hij met de bus gekomen, |zou| hij nu niet natgeregend |zijn|.informeel
dMocht je toch nog willen komen, je |hoeft| maar |te bellen|.
eMocht je toch nog willen komen, dan |hoef| je maar |te bellen|
fMocht je toch nog willen komen, |hoef| je maar |te bellen|uitgesloten
Voegwoordloze zinnen die een voorwaarde uitdrukken, kunnen in de aanloop staan (zie 13a-b). Zonder dan in de eigenlijke zin levert dat een formele constructie op. De voorwaardelijke zin kan eventueel zelfs op de eerste zinsplaats staan, maar dat behoort tot het informele taalgebruik (13c). Bij veronderstellende zinnen met mocht is plaatsing op de eerste zinsplaats uitgesloten (13f).
Boogaart (2007) bevat een corpusonderzoek naar verschillen tussen veronderstellende zinnen in het Belgisch Nederlands en in het Nederlands-Nederlands. Hierbij worden ook zinnen met moest(en) betrokken, die alleen in het Belgisch Nederlands voorkomen. Hoewel dat soort zinnen wel op de eerste zinsplaats worden aangetroffen, is dit in geen van beide variëteiten het geval met mocht-zinnen. Op basis hiervan concludeert de ANS dat zinnen als (13f) uitgesloten zijn.
De studie toont verder aan dat resumptief dan vaker voorkomt naarmate de relatie tussen de afhankelijke zin en de zelfstandige zin minder inhoudelijk is, zoals in (13d-e).
14Betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent betrekking heeft op de eigenlijke zin
aWat ik helemaal niet begrijp, hoe |kom| je aan die bloedneus |Ø|?
b(En) wat zeer te prijzen is: hij |heeft| uiteindelijk toch nog zijn excuses aan|geboden|.
Ten slotte kunnen betrekkelijke bijzinnen soms in de aanloop staan. Dit is alleen mogelijk als het antecedent betrekking heeft op de eigenlijke zin (zie ook [5·8·5·5/i3] en [5·8·5·7/i]).
Literatuur
    Interessante links
    ANS
    Taaladvies
    Dagenta
    Taalportaal
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 M. van de Visser augustus 2019
    Interessante links